Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2003:AF7585

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
01-04-2003
Datum publicatie
22-04-2003
Zaaknummer
11/030222-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE ECONOMISCHE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/030222-02

Zittingsdatum : 18 maart 2003

Uitspraak : 1 april 2003

VERKORT STRAFVONNIS

(art. 138b Sv)

De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de strafzaak tegen:

[naam verdachte]

[geboortedatum -en plaats verdachte]

[woonplaats verdachte]

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

Deze zaak is eerder aangebracht bij de economische politierechter te Dordrecht, welke bij beslissing van 27 januari 2003 de zaak naar de meervoudige economische strafkamer heeft verwezen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding en de wijziging van de tenlastelegging is omschreven. Kopieën van de dagvaarding en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen 1 en 1a aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de economische kamer van de rechtbank haar onbevoegdheid tot kennis neming van het ten laste gelegde feit zal uitspreken. Zij legt daaraan ten grondslag - verkort en zakelijk weergegeven - dat de kennisneming van de ten laste gelegde overtreding van artikel 12 lid 2 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht 1994 (AvD'94) tot de competentie van de kantonrechter behoort; de strafbaarstelling is geregeld in de verordening. De raadsvrouw onderbouwt dit nader door te wijzen op het nieuwe artikel 10.23 Wet milieubeheer (Wm) en het nieuwe artikel 23 Afvalstoffenverordening Dordrecht 2002 (AvD'02) (gekomen in plaats van het ten laste gelegde artikel), dat naast het milieubelang met name beoogt de regeling van het beheer van de openbare ruimte, de voorkoming van overlast (openbare orde) en voorkoming van hinder.

De officier van justitie heeft zich zakelijk weergegeven op het standpunt gesteld dat - gelet op jurisprudentie van de Raad van State uit 1986 dat in gevallen als de onderhavige, war de gemeentelijke regelgever hetzelfde belang regelt als de hogere regelgever, de strafbaarstelling in de gemeentelijke regeling ophoudt te bestaan. Hij concludeert dat de Wet op de economische delicten (Wed) van toepassing is en dat economische kamer bevoegd is.

De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

Ten laste is gelegd dat huishoudelijke afvalstoffen zijn aangeboden op een ander tijdstip dan door de gemeente vastgesteld.

De AvD'94 regelt o.a. het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen…. en de met deze activiteiten samenhangende bescherming van het milieu. Niet staat expliciet in de verordening of deze gegrond is op art. 10.10 van de Wm (oud) en/of artikel 147/149 van de Gemeentewet; beide zijn immers mogelijk. In Hoofdstuk 2 "Het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen" staan de volgende voor deze zaak relevante artikelen:

Artikel 12: De dagen en tijden voor het overdragen of het aanbieden:

lid 1: B&W stellen dagen en tijden vast voor het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst.

lid 2: Het is verboden de in het eerste lid bedoelde afvalstoffen op andere dan de krachtens dat lid vastgestelde dagen en tijden over te dragen of ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst.

Artikel 15: Ordelijke overdracht of aanbieding van huishoudelijk afval:

Het overdragen of het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen … in vuilniszakken moet ordelijk geschieden door plaatsing daarvan op een krachtens artikel 12, eerste lid, vastgestelde inzameldag ……

Sanctionering is beoogd in:

Artikel 44: Strafbepaling:

lid 2: Overtreding van de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie ..: ….. 15 ..

Art. 10.10 Wm: lid 1 (oud): De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast inzake het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen. De verordening bevat in ieder geval regels voor het overdragen van deze afvalstoffen aan een daarbij aangewezen inzameldienst en voor het overdragen van de afvalstoffen aan een ander of het achterlaten daarvan op een daartoe ter beschikking gestelde plaats.

De rechtbank verstaat dat het een gemeenteraad vrij staat op het vlak van het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen meer regels te stellen op basis van de Wet milieubeheer. Tevens heeft de gemeenteraad op grond van zijn autonome verordenende bevoegdheid op grond van de Gemeentewet de mogelijkheid andere handelingen met huishoudelijke afvalstoffen dan het zich ervan ontdoen te regelen. Die aanvullende bevoegdheid is expliciet geregeld in het nog steeds geldende artikel 21.7 Wm: De bevoegdheid van gemeenten … tot het maken van verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin hoofdstuk 10 voorziet, gehandhaafd, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Duidelijk is dat de gemeente heeft willen regelen de ordelijkheid van het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 12 lid 2 (oud) geeft een verbodsbepaling, zonder te stellen dat het een strafbaar feit betreft.

Inmiddels zijn de Wm, de Wed en de AvD'94 gewijzigd. Thans luidt artikel 23 Wm, eerste lid: De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast. Artikel 21.7 Wm is zoals gezegd ongewijzigd gebleven.

Artikel 1a-3e Wed (nieuw) zegt dat feiten ex 10.23 Wed (nieuw) strafbaar zijn voor zover aangeduid als strafbare feiten.

In de AvD'02, in werking getreden op 24 april 2002, staan de volgende voor deze zaak relevante artikelen:

Hoofdstuk 3. Ter inzameling aanbieden van huishoudelijk afval

Artikel 23: Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden.

Lid 1: Burgemeester en wethouders stellen de dagen en tijden vast waarop huishoudelijk afval ter inzameling kan worden aangeboden.

Lid 2: Het is verboden huishoudelijk afval op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

Hoofdstuk 5. Bepaling ter bescherming van milieu en volksgezondheid

………..

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 34: Strafbepaling

Lid 2: Overtreding van de volgende artikelen en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikel …. 23 ….

De rechtbank constateert dat artikel 23 AvD'02 - inhoudende een verbods- maar geen strafbepaling - nadrukkelijk niet in hoofdstuk 5 betreffende milieubescherming is opgenomen. Dit is in feite geen andere situatie dan geregeld in artikel 12 van de AvD'94: ook daar ging het om regeling van de ordelijkheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is de ordelijkheid een onderwerp dat de gemeenteraad autonoom mag regelen, zolang de gemeentelijke regeling niet in strijd komt met de Wm (artikel 21.7 Wm).

Nu vast staat dat de onderhavige regeling van tijden voor het aanbieden van huisvuil grondslag vindt in de verordenende bevoegdheid van de Gemeente Dordrecht op basis van de Gemeentewet - en derhalve niet geduid kan worden als economisch delict - moet de conclusie luiden dat kennisneming van het ten laste gelegde feit behoort tot de bevoegdheid van de kantonrechter.

De rechtbank zal de zaak om proceseconomische redenen, op de voet van artikel 349, tweede lid, eerste volzin, niet verwijzen naar de kantonrechter maar zelf afdoen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1

De officier van justitie - het ten laste gelegde bewezen achtend - heeft gevorderd toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

3.2

De verdediging heeft bepleit de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, gelet op het tijdsverloop en de aard van het delict.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

op dinsdag 24 april 2001 te Dordrecht huishoudelijke afvalstoffen (een huisvuilzak) ter inzameling heeft aangeboden aan de inzameldienst (Netwerk), zijnde een andere dag dan de krachtens artikel 12 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht 1994 door burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht vastgestelde dag, te weten woensdag.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.2 De bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde feit levert op:

Overtreding van artikel 15 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 44 van die verordening.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, dat strafuitsluitingsgronden van toepassing zijn, zodat verdachte strafbaar is voor het door hem gepleegde feit.

7. De motivering van de sanctie en de overige beslissingen

7.1 De hoofdsanctie

Bij het bepalen van de op te leggen sanctie heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Gelet op de het tijdsverloop en de aard van de overtreding zal de rechtbank geen straf of maatregel opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Naast de voormelde artikelen heeft de rechtbank gelet op:

- artikel 9a en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 1, 12, 15 en 44 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht 1994;

- de artikelen 1, 23 en 34 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht 2002.

9. De beslissing

De rechtbank:

-verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

-verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezen verklaarde het hier onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

-verklaart de verdachte hiervoor strafbaar en bepaalt dat GEEN straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. H.A.C. Smid, voorzitter,

en mrs. A.P. Hameete en I.M.A. de Graaf, rechters,

in tegenwoordigheid van [naam griffier], griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 april 2003.