Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2003:AF7105

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
R 00/6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeilijke privé-omstandigheden leiden niet tot verlenging van de regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing op voordracht beëindiging

Rechtbank Dordrecht,

Enkelvoudige kamer

Bij vonnis van deze kamer van 19 januari 2000 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[Schuldenaar]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

De rechter-commissaris heeft de regeling voor beëindiging voorgedragen omdat de schuldenaar verzuimt de bewindvoerder alle nodige inlichtingen te verstrekken en onvoldoende van zijn inkomen aan de boedel heeft afgedragen.

Ter zitting van 26 maart 2003 heeft de schuldenaar erkend dat hij heeft nagelaten de bewindvoerder de door hem gevraagde inlichtingen te verstrekken. De schuldenaar heeft voorts erkend dat een achterstand in afdrachten aan de boedel is ontstaan van circa € 2.000,-. De schuldenaar heeft ter verontschuldiging gewezen op de omstandigheid dat hij sinds mei 2002 gescheiden leeft van zijn echtgenote en kind. Door die omstandigheden is schuldenaar volgens zijn verklaring ontregeld geraakt.

De bewindvoerder heeft bepleit de duur van de regeling te verlengen om de schuldenaar in staat te stellen alsnog het verschuldigde aan de boedel af te dragen.

Voor de rechtbank is uitgangspunt dat het niet voldoen aan de verplichting tot afdracht aan de boedel behoudens zeer bijzondere omstandigheden dient te leiden tot beëindiging van de regeling. Versoepeling van deze regel leidt tot ondergraving van het vertrouwen van crediteuren in een deugdelijke uitvoering van de regeling en lokt uit dat schuldenaren geneigd zullen zijn het met hun verplichting tot betaling aan de boedel niet zo nauw te nemen. Dit laatste zou een aanzienlijke verzwaring van de controlerende en corrigerende taak van de bewindvoerder en de rechter-commissaris tot gevolg hebben.

Het niet voldoen aan de verplichting tot het verstrekken van de door de bewindvoerder gevraagde informatie dient eveneens te leiden tot beëindiging van de regeling omdat de bewindvoerder bij gebrek aan informatie niet in staat is zijn controlerende en beherende taken uit te oefenen.

Van de bewindvoerder en de rechter-commissaris mag worden verwacht dat zij erop toezien dat de schuldenaar voor de gevolgen van het niet voldoen aan zijn verplichtingen is gewaarschuwd. De rechtbank stelt aan de hand van het dossier vast dat in ieder geval op 23 april, 2 juli en 23 september 2002 namens de rechter-commissaris schriftelijke waarschuwingen zijn gegeven.

De rechtbank begrijpt dat de schuldenaar door de scheiding mogelijk minder aandacht heeft gehad voor de schuldsaneringsregeling. De rechtbank is echter niet bereid om die omstandigheden als verontschuldiging te aanvaarden. Schuldenaren in de regeling verkeren niet zelden in moeilijke privé-omstandigheden en ondervinden vaak andere problemen dan financiële. Ook dan dient de schuldenaar zich echter te houden aan zijn verplichtingen. Een andere opvatting zou leiden tot onuitvoerbaarheid van de regeling.

De rechtbank ziet geen aanleiding de duur van de regeling te verlengen zoals de bewindvoerder voorstelt. Een dergelijke beslissing vestigt bij schuldenaren de verwachting dat, ondanks alle waarschuwingen, hun deze allerlaatste kans zal worden geboden. De neiging zal bestaan die waarschuwingen minder ernstig te nemen. Verlenging van de regeling vergt bovendien extra inspanningen van de bewindvoerder en de rechtbank. Gezien de thans reeds bestaande capaciteitsproblemen bij uitvoering van de regeling is dat niet wenselijk.

Gezien het voorgaande behoort de regeling in beginsel tussentijds te worden beëindigd. Nu de termijn gedurende welke de regeling van toepassing is op 19 januari 2003 is verstreken, ziet de rechtbank echter van tussentijdse beëindiging af. Het voorgaande zal wel aanleiding zijn op de in artikel 354 Fw. bedoelde zitting te bepalen dat de schuldenaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn uit de regeling voortvloeiende verplichtingen en dat hem dat kan worden toegerekend.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst de voordracht tot beëindiging af.

Gewezen door mr. P.G.J. de Heij, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een procureur binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moer nemen.