Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2003:AF4234

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-01-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/1044, AWB 02/1045
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

Reg.nrs.: AWB 02/1044

AWB 02/1045

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake:

A en B, beiden te C, verzoekers,

tegen

burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerders.

Ontstaan en loop van het geding.

Bij besluiten van 29 november 2002 hebben verweerders verzoekers onder aanzegging van bestuursdwang op grond van artikel 14 van de Woningwet aangeschreven om een aantal nader omschreven voorzieningen te treffen aan de hun in eigendom toebehorende woning, […]weg 137/139 te C, kadastraal bekend gemeente C, sectie […], nr. […].

Tegen deze besluiten hebben verzoekers bij brief van 12 december 2002 bezwaar gemaakt bij verweerders.

Bij brief van 16 december 2002, ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers ieder een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: de Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

De verzoeken om voorlopige voorziening zijn op 16 januari 2003 ter zitting behandeld.

B is in persoon verschenen. A is verschenen X.

Verweerders zijn ter zitting verschenen bij gemachtigden mw. mr. J.E. Ossenwaarde en

A.R. de Gier, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In dat kader overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Woningwet worden bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.

Deze voorschriften zijn nader uitgewerkt in het Bouwbesluit van 16 december 1991.

In artikel 73, eerste lid, van het Bouwbesluit is kort gezegd bepaald welk veiligheidsniveau de fundering van een bestaande woning dient te hebben. De woning dient eenvoudig gezegd een fundering te hebben die de woning kan dragen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet schrijven burgemeester en wethouders, indien een woning wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet gaan burgemeester en wethouders, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet over tot toepassing van bestuursdwang in geval van strijd met een bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde maatregel van bestuur gegeven voorschriften omtrent bouwwerken of standplaatsen, dan nadat zij de aanschrijving hebben uitgevaardigd, de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken of, indien gedurende die termijn op grond van artikel 8:81 van die wet een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, en de in die aanschrijving bepaalde termijn is verstreken.

Bij raadsbesluit van 31 maart 1998 is de subsidieregeling funderingsherstel Emmaplein e.o. vastgesteld. Op 2 februari 1999 zijn door de gemeenteraad de Nadere Regels funderings-herstel Emmaplein e.o. vastgesteld. In de subsidieregeling zijn de uitgangspunten voor subsidieverlening vastgelegd. Voorwaarden voor subsidieverlening zijn onder meer:

bloksgewijs funderingsherstel;

er is pas sprake van een herstelproject indien minimaal 2/3 van de eigenaren van het betreffende blok op basis van vrijwilligheid meedoet. De overige eigenaren van het project worden ondersteunend aangeschreven.

In het kader van het project funderingsherstel Emmaplein e.o. heeft eind 2000 nader onderzoek naar de fundering van het woonblok […]weg-[…] 123 tot en met 181 door het Ingenieursbureau van gemeentewerken Rotterdam (verder te noemen: IGR) plaatsgevonden. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de fundering van het woonblok niet naar behoren functioneert en hersteld moet worden. Geadviseerd is integraal een nieuwe paalfundering uit te voeren.Verzoekers zijn aanvankelijk verzocht op vrijwillige basis mee te werken aan de bloksgewijze uitvoering van de funderingswerkzaamheden. Dat hebben verzoekers tot op heden geweigerd

Bij de bestreden besluiten hebben verweerders verzoekers onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven op grond van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet en tevens uit hoofde van de subsidieregeling funderingsherstel Emmaplein e.o. om een nieuwe paalfundering aan te brengen die het stabiele draagvermogen kan leveren, nu de sterkte van de fundering niet voldoet aan de norm als bedoeld in artikel 73 van het Bouwbesluit.

De technische eisen waaraan deze fundering moet voldoen staat in het als bijlage bijgevoegde rapport van het IGR van 22 november 2000. Verzoekers dienen deze voorzieningen te treffen door middel van het schriftelijk opdracht geven aan Y - de aannemer die door de overige bewoners van het bouwblok […]weg 123 tot en met 181 is ingeschakeld - of aan een andere aannemer van verzoekers’ eigen keuze die bereid is en in staat is zijn werkzaamheden af te stemmen op die van Y en kan voldoen aan de eisen en voorwaarden van de verleende bouwvergunning.

Verzoekers kunnen zich hiermee niet verenigen en hebben betoogd dat hun woning in goede staat verkeert, geen scheefstand of scheuren vertoont, en dat de grondwaterstand ter hoogte van hun woning altijd goed is geweest, zodat de funderingspalen niet droog kunnen staan.

Voorts hebben verzoekers betoogd dat hun woning op staal is gefundeerd en niet (alleen) op houten palen. Ten slotte hebben verzoekers betoogd dat de funderingsonderzoeken schade hebben toegebracht aan het woonblok.

De voorzieningenrechter overweegt ter zake het volgende.

Artikel 14, eerste lid, van de Woningwet maakt een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht in die zin dat een eigenaar kan worden verplicht iets te veranderen aan zijn eigendom.

Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat indien verweerders overgaan tot aanschrijving hieraan een uiterst zorgvuldig onderzoek ten grondslag dient te liggen. Uit dit onderzoek dient duidelijk te blijken welke gebreken de betreffende woning heeft, waarom het onmiddellijk treffen van voorzieningen noodzakelijk is, hoe de gebreken kunnen worden opgelost, eventuele alternatieven, en bij benadering, wat de kosten hiervan zullen zijn.

Het bouwblok […]weg 123 tot en met 181 is eerder door verschillende bureaus funderingstechnisch onderzocht gedurende de periode 1991-1999.

Vervolgens is eind 2000 een onderzoek ingesteld door IGR, waarin de resultaten van deze eerdere onderzoeken zijn verwerkt. Het onderzoek van IGR heeft onder meer bestaan uit grondonderzoek, visuele inspecties, vloerwaterpassingen en funderingsinspecties. Verzoekers hebben weliswaar geen medewerking verleend aan het onderzoek, zodat een interne inspectie van hun woning niet heeft kunnen plaatsvinden, doch nu niet in geding is dat de panden van het bouwblok […]weg 123 tot en met 181 onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, raakt een beoordeling van de gebreken alle panden, dus ook dat van verzoekers.

In zoverre verzoekers uit de bijlagen bij de aanvraag om bouwvergunning, alsmede het onderzoeksrapport van Wareco Amsterdam B.V. van medio 1992 hebben gemeend af te kunnen leiden dat hun woning op staal gefundeerd zou zijn, heeft het IGR aan de hand van het door hem verrichte grondonderzoek en na bestudering van de oorspronkelijke bouwtekeningen van het bouwblok omstreeks het jaar 1910 geconcludeerd dat het gehele bouwblok geheel is gefundeerd op houten palen. Uit het onderzoek is voorts gebleken, zoals verweerders ter zitting nader hebben toegelicht, dat deze houten paalfundering twee ernstige gebreken kent. Het eerste ernstige gebrek dat is geconstateerd is dat het bouwblok aan het verzakken is. Visuele inspecties en vloerwater-passingen hebben aangetoond dat diverse gevels scheurvorming vertonen en dat de panden intern en ten opzichte van elkaar scheef staan, welke scheefstand aan weerszijden van het pand van verzoekers relatief groot is. Voorts geven de lintvoegmetingen aan dat de verzakking van het bouwblok ter hoogte van het pand van verzoekers maximaal is. Hieruit kan worden afgeleid dat het pand van verzoekers gelijkmatig is verzakt, hetgeen het ontbreken van scheurvorming in dit pand verklaart. De verzakkingen duiden op onvoldoende draagvermogen van de palen en kennen als belangrijkste oorzaak negatieve kleef.

In het onderzoeksrapport zijn twee sonderingen – bodemonderzoeken – opgenomen. Sondering 2 is uitgevoerd ter hoogte van de woning van verzoekers. Uit deze sondering is afgeleid dat 70 kiloNewton (kN) van de draagkracht van de betrokken funderingspalen nodig is voor het opvangen van de grond. Met deze negatieve kleefwaarde is bij de bouw van de woningen indertijd geen rekening gehouden. Aangezien de negatieve kleef zich heeft opgebouwd en de grond steeds meer gewicht op de paal geeft, is de draagkracht van de palen ten behoeve van de woning verminderd en verzakt de woning.

Het tweede geconstateerde gebrek is de droogstand. Uit de overzichten van de funderings-inspectieputten volgt dat de funderingspalen van panden aan weerszijden van het pand van verzoekers droog staan, hetgeen wil zeggen dat de palen boven het grondwater uitsteken.

Gelet ook op de grondwaterstanden van de overige panden van het bouwblok is de conclusie gerechtvaardigd dat ook het pand van verzoekers met droogstand te maken heeft. Droogstand heeft tot gevolg dat de paalkoppen wegrotten, hetgeen betekent dat de daarop rustende woningen verzakken en verdergaande schade zullen oplopen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt voormeld onderzoeksrapport van het IGR voldoende basis voor de conclusie dat sprake is van een met artikel 73, eerste lid, van het Bouwbesluit strijdige toestand.

Met betrekking tot de vraag of het treffen van voorzieningen noodzakelijk is te achten heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds meerdere malen overwogen dat het imperatieve karakter van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet onverlet laat dat verweerders een marge hebben bij de beoordeling van de vraag of het treffen van voorzieningen noodzakelijk is te achten. Deze marge sluit een zeker - op de naaste - toekomst gericht denken bij de gemeentelijke aanschrijvingspraktijk niet uit. In die zin is een aanschrijving niet alleen gerechtvaardigd wanneer zich feitelijk een defect voordoet, maar ook wanneer naar verwachting binnen korte termijn een defect zal ontstaan. Deze toekomstgerichtheid kan echter niet zover strekken dat op grond van een beleid om woningen voor een langere periode voor groot onderhoud te vrijwaren, wordt aangeschreven voorzieningen te treffen teneinde defecten die in de verder verwijderde toekomst mogelijk zullen ontstaan, alvast te ondervangen. Artikel 14, eerste lid, van de Woningwet biedt voor een dergelijke preventieve aanschrijving geen basis.

Verweerders hebben ter zitting aangegeven dat, indien de noodzakelijke voorzieningen niet thans worden getroffen, er verdere verzakking en dientengevolge meer schade aan de woningen zal optreden, waardoor de woningen op termijn onbewoonbaar zullen zijn. Ervaring leert voorts dat indien houten funderingspalen eenmaal droog komen te staan, ze binnen een termijn van 10 tot 12 jaar zullen zijn weggerot. Nu eerdere onderzoeken hebben uitgewezen dat de droogstand van de houten palen van het bouwblok […]weg 123 tot en met 181 al jaren speelt, is de verwachting gerechtvaardigd dat deze termijn in de naaste toekomst zal verstrijken, aldus verweerders.

Gelet op het vorenstaande was de thans in geding zijnde aanschrijving op grond van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerechtvaardigd.

Met betrekking tot de te treffen voorzieningen hebben verweerders verzoekers de keuze gegeven ofwel zelf het funderingsherstel van hun woning te realiseren ofwel tezamen met de overige bewoners van het bouwblok, met dien verstande dat herstel van de fundering in ieder geval in samenhang met het funderingsherstel van de overige woningen in het bouwblok en volgens de daarvoor afgegeven bouwvergunning dient plaats te vinden, aangezien de funderingen van de woningen van het bouwblok één geheel vormen, waardoor bij gedeeltelijk herstel of herstel volgens een andere methode ongelijke zettingen in het blok zullen ontstaan met als gevolg scheurvorming in gevels en bouwmuren.

Met betrekking tot de aanschrijving tot toepassing van bestuursdwang ingeval geen gevolg zou worden gegeven aan de aanschrijving tot het treffen van de nader omschreven voorzieningen is de voorzieningenrechter van oordeel dat gelet op de wederzijdse belangen niet kan worden staande gehouden dat verweerders bij afweging daarvan niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verweerders bij de belangenafweging de overweging hebben betrokken dat uitsluiting van de woning van verzoekers van funderingsherstel onaanvaardbare consequenties zou hebben. Het zou betekenen dat hun woning losgezaagd zou moeten worden van de overige woningen in het bouwblok, hetgeen de buren zou verplichten aan hun zijde van de woningscheidende wanden een nieuwe bouwmuur aan te laten brengen, waardoor de inrichting deels gesloopt en verplaatst zou moeten worden. De woningen van de buren zouden ca. 30 tot 40 cm smaller worden. Daarnaast zouden de overige woningen in het blok door de nieuwe fundering gestabiliseerd worden, terwijl de woning van verzoekers verder wegzakt met scheurvorming als gevolg. Gezien de gevolgen voor de naburige woningen en de financiële en visuele aspecten, hebben verweerders deze optie met recht niet aanvaardbaar geacht.

Voorts hebben verweerders bij de belangenafweging ook het belang van de volkshuisvesting in ogenschouw genomen. Zij hebben terzake overwogen dat zij verdergaande aantasting van de fundering en dientengevolge van het casco van de woningen, verpaupering en ten slotte verlies van het waardevolle gebied Emmaplein e.o. door sloop en nieuwbouw wensen tegen te gaan. Daarbij hebben zij gesteld dat als de voorzieningen aan de funderingen niet nu worden getroffen, maar gewacht wordt totdat daadwerkelijk op grote schaal verzakking en scheurvorming aan het casco wordt geconstateerd, het dan feitelijk te laat is. De schade is dan al aanwezig en de woningen zullen dan door de opgetreden schade aan het casco niet meer rendabel te herstellen zijn. Ten slotte hebben verweerders bij de belangenafweging het belang van de overige bewoners van het bouwblok betrokken bij een gezamenlijke aanpak van funderingsherstel, aangezien de mogelijkheid om subsidie te krijgen voor funderingsherstel alleen mogelijk is indien dit per bouwkundige eenheid plaatsvindt.

Gelet op het vorenstaande zijn de bestreden besluiten naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtmatig.

De verzoeken om voorlopige voorziening komen mitsdien niet voor inwilliging in aanmerking.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gegeven door mr. B.M. van Dun, voorzieningenrechter en door deze en

mr. M.C. Woudstra, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 januari 2003

Afschrift verzonden op: