Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2003:AF4171

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-02-2003
Datum publicatie
10-02-2003
Zaaknummer
11/023030-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/023030-99

Zittingsdatum : 21 januari 2003

Uitspraak : 04 februari 2003

VERKORT STRAFVONNIS

(art. 138b Sv)

De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats],

wonende te [adres verdachte],

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.3.1

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat ten aanzien van de berechting van verdachte de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden en dat derhalve de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van verdachte, subsidiair zou zulks eventueel moeten leiden tot strafvermindering. De redelijke termijn zou zijn gestart in februari 1998, omdat de informatie, die op dat moment omtrent betrokkene bij de opsporingsinstantie aanwezig was, rechtvaardigde dat betrokkene als verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering zou worden aangemerkt. Subsidiair zou de redelijke termijn zijn gestart op 8 juli 1998, zijnde het moment dat door een opsporingsambtenaar aan verdachte werd medegedeeld, dat hij als verdachte werd aangemerkt en tevens het moment dat op grond van artikel 81 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen door de opsporingsinstantie uitlevering van stukken is gevorderd en strafrechtelijk beslag is gelegd.

De officier van justitie heeft het verweer gemotiveerd betwist. Zij heeft daarbij verwezen naar een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 april 1994 (NJ 1996/149).

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de rechtbank de navolgende feiten en/of omstandigheden gebleken. Verdachte is op 11 oktober 1999 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 19 oktober 1999 is er door de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging een gerechtelijk vooronderzoek geopend teneinde getuigen te horen. Het vooronderzoek is op 15 november 2000 gesloten. Gedurende het vooronderzoek is - ondanks herhaaldelijk aandringen van de rechter-commissaris - welgeteld één getuige door de verdediging opgegeven en gehoord. Op 1 maart 2001 heeft vervolgens het eerste onderzoek van de zaak ter terechtzitting plaatsgevonden. De zaak is niet inhoudelijk behandeld, mede op grond van het feit dat verdachte zich had voorzien van een andere, de huidige, raadsman. Vervolgens is er een periode van bijna tien maanden aangebroken van algehele passiviteit aan de zijde van de officier van justitie, maar met name aan die van de verdediging. Eerst op 3 januari 2002 heeft er vervolgens een tweede onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. De raadsman heeft alstoen verzocht om aanhouding van de behandeling vanwege vakantie van verdachte en heeft ter terechtzitting verzocht om een zevental getuigen te horen. Dit laatste verzoek is door de rechtbank gemotiveerd afgewezen. Vervolgens heeft op 7 maart 2002 het derde onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. De officier van justitie heeft toen alsnog ingestemd met het horen van een achttal door de verdediging verzochte getuigen door de rechter-commissaris. De rechtbank heeft dit verzoek ter terechtzitting gehonoreerd en de zaak in volle omvang terugverwezen naar de rechter-commissaris voor in ieder geval het horen van de verzochte getuigen en het eventueel verrichtten van nadere onderzoekshandelingen. In de maanden april, mei en juni 2002 zijn vervolgens zeven van de acht opgegeven getuigen gehoord door de rechter-commissaris. In de daarop volgende periode tot aan de terechtzitting van 21 januari 2003 heeft de verdediging ampel tijd gehad om nadere onderzoekshandelingen te verzoeken. Zij heeft zich echter grotendeels afwachtend opgesteld en heeft op geen enkele wijze aan de rechter-commissaris laten weten dat nadere onderzoekshandelingen in welke vorm dan ook gewenst waren. Medio oktober 2002 heeft de rechter-commissaris de stukken geretourneerd ter voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting. Voor laatstgenoemde terechtzitting heeft de raadsman aan de rechter-commissaris en de officier van justitie verzocht om overleg omtrent eventueel nog te verrichten onderzoekshandelingen, het horen van een getuige en het aan het strafdossier toevoegen van een drietal stukken. Bij brief van 13 januari 2003 heeft de raadsman vervolgens aan de officier van justitie verzocht om onverwijld een achttal getuigen tegen de terechtzitting van 21 januari 2003 op te roepen. De officier van justitie heeft dit geweigerd. De rechtbank heeft het ter terechtzitting herhaalde verzoek alsmede het verzoek om een tweetal meegebrachte getuigen te horen, afgewezen en het onderzoek in de zaak ter terechtzitting voortgezet en uiteindelijk gesloten.

Niet gebleken is, noch is anderszins aannemelijk geworden dat vóór de aanhouding van verdachte op 11 oktober 1999 reeds tegen hem een "criminal charge" was uitgebracht. Eerst op het moment van genoemde aanhouding heeft de staat een daad verricht jegens verdachte, waaraan deze de verwachting heeft mogen en redelijkerwijs heeft kunnen ontlenen, dat tegen hem een vervolging zou worden ingesteld. In het licht bezien van het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam, kan hetgeen door de raadsman is aangevoerd, niet tot een andere conclusie leiden. De termijn, welke is verlopen tussen het tijdstip van aanhouding en de onderhavige uitspraak, bedraagt uiteindelijk derhalve in totaal 3 jaar en bijna 4 maanden.

Bij de afweging of deze termijn onredelijk lang is geweest, houdt de rechtbank rekening met de ingewikkeldheid van de zaak, de ernst van de feiten, het bijzondere maatschappelijk belang van normhandhaving met betrekking tot dergelijke feiten, het feit dat verdachte slechts beperkt in voorarrest heeft gezeten en de algehele proceshouding van de officier van justitie en van de verdediging. Alles tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat de termijn waarbinnen de berechting hadden dienen te geschieden, onwenselijk lang is geweest doch niet onredelijk lang nu, gelet op hetgeen hiervoor is aangehaald, de vertraging in de procesgang grotendeels door de proceshouding van de verdediging is veroorzaakt.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

2.3.2

De raadsman heeft tevens betoogd dat door de officier van justitie zou zijn gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, te weten (a) het beginsel van "equility of arms" als bedoeld in artikel 6 EVRM, (b) het gelijkheidsbeginsel en - in het verlengde daarvan - (c) het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Op grond hiervan zou de officier van justitie niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vervolging van verdachte, subsidiair zou zulks eventueel moeten leiden tot strafvermindering. De raadsman heeft daartoe aangevoerd - kort en zakelijk samengevat - (a) dat de verdediging stukken zijn onthouden, (b) dat van de in het opsporingsonderzoek gehoorde veertien verdachten, alleen zijn cliënt is vervolgd waarbij met name het niet-vervolgen van de aanvankelijke verdachte [persoon X] schending van het gelijkheidsbeginsel zou opleveren en (c) dat de bevoegdheid tot het vervolgen van verdachte zou zijn benut voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven en wel omdat werd vermoed dat verdachte financieel vermogen bezat.

De officier van justitie heeft de verweren gemotiveerd betwist. Zij heeft daarbij met betrekking tot alle in het strafdossier eertijds als verdachten aangemerkte personen aangegeven waarom deze niet zijn vervolgd en dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Tevens heeft zij medegedeeld dat er met betrekking tot dit opsporingsonderzoek geen enkele "deal" is gesloten met welke persoon dan ook. Ten aanzien van de door de raadsman bedoelde stukken, heeft zij aangegeven dat dit interne stukken en geen processtukken betreft.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank het navolgende gebleken. Zij heeft kennisgenomen van alle processtukken en daaruit kunnen vaststellen de rollen van de diverse betrokken personen en de handelingen door hen begaan. Op grond daarvan komt de rechtbank reeds tot de conclusie, dat er in het onderhavige geval geen sprake is van gelijke gevallen. Daarnaast heeft de officier van justitie gemotiveerd uiteengezet, waarom zij op grond van het opportuniteitsbeginsel de overige personen niet heeft vervolgd, hetgeen niet is betwist. Met betrekking tot de persoon van [persoon X] merkt de rechtbank voorts op dat op geen enkele manier aannemelijk is gemaakt, dat deze persoon belastingplichtig is in Nederland, dat aannemelijk is geworden dat deze persoon verblijft in België en dat hij wellicht de Belgische fiscus heeft benadeeld, hetgeen echter geen strafbaar feit in Nederland oplevert. Schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk is door de raadsman op geen enkele manier onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de bedoelde stukken geen processtukken zijn en heeft de raadsman niet aannemelijk gemaakt dat deze stukken voor enige in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing relevant zouden kunnen zijn.

De rechtbank verwerpt dan ook de verweren.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie -het ten laste gelegde bewezen achtend- heeft gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De raadsman heeft -naast de reeds genoemde en nog te noemen verweren- een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De rechtmatigheid van het verkregen bewijs

De raadsman heeft betoogd dat het bewijsmateriaal in deze zaak op onrechtmatige wijze zou zijn verkregen. Op grond hiervan zou de officier van justitie niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vervolging van verdachte, subsidiair zou zulks eventueel moeten leiden tot strafvermindering dan wel tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft betoogd dat de administraties van de eenmanszaak [bedrijf I] en [bedrijf II] op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Hij voert daartoe kort gezegd aan dat deze administraties geen voorwerpen zijn als bedoeld in artikel 81 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) juncto artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), doch gegevens die op geen andere wijze konden worden verkregen dan op de voet van artikel 125i Sv op bevel van de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek.

De rechtbank stelt in dit verband het volgende vast.

FIOD-medewerkers hebben, op grond van hun te allen tijde bestaande bevoegdheid ex artikel 81 AWR, van de administrateur de uitlevering ter inbeslagneming gevorderd van gespecificeerde onderdelen van bedoelde administraties, zonder daarbij enig onderzoek te doen in een geautomatiseerd werk. De administrateur heeft deze onderdelen op door hem vervaardigde papieren afdrukken uitgeleverd, zijnde voorwerpen die vatbaar zijn voor inbeslagneming. Deze feitelijke situatie maakt geen verschil met het uitleveren van op klassieke wijze vervaardigde administraties.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

4.2 Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 3. primair is tenlastegelegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte de vennootschap [bedrijf II] heeft opgericht en geleid. Daarnaast was hij de directeur en de enige werkzame persoon binnen deze rechtspersoon. Dit alles overwegende, komt de rechtbank tot het oordeel dat moet worden geconcludeerd dat verdachte kan en mag worden vereenzelvigd met de rechtspersoon de vennootschap [bedrijf II]. Dit maakt, dat kan worden geconcludeerd dat het/de onder 3.primair tenlastegelegde feit(en), door verdachte als persoon zijn begaan zodat het tenlastegelegde als bedoeld in artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is. Verdachte dient derhalve van het onder 3. primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 4 juni 1997 tot en met 17 september 1998 te Gorinchem, meermalen,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen,

te weten aangiften omzetbelasting

ten name van [bedrijf II]

(betreffende de aangiftetijdvakken

april 1997 en juli 1997 en

augustus 1997 en september 1997 en oktober 1997 en november 1997

en december 1997 en januari 1998 en februari 1998 en maart 1998

en april 1998 en mei 1998 en juni 1998 en juli 1998),

onjuist heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk op die bij de Inspecteur der Belastingen te Gorinchem ingeleverde aangifte omzetbelasting telkens een te hoog bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven (periode 4 juni 1997 tot en met 31 december 1997) of dat feiten telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven (periode 1 januari 1998 tot en met 17 september 1998);

2.

in de periode van 24 juli 1996 tot en met 29 september 1997 te Breda, meermalen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen,

te weten aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf I]

(betreffende de aangiftetijdvakken

juni 1996 en september 1996 en

oktober 1996 en november 1996 en december 1996 en januari 1997

en februari 1997 en maart 1997 en april 1997 en mei 1997 en

juni 1997 en juli 1997 en augustus 1997),

onjuist heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk op die bij de Inspecteur der Belastingen te Breda ingeleverde aangifte omzetbelasting telkens een te hoog bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

3. (subsidiair)

te Oosterhout, in de periode van 9 april 1997 tot en met 28 oktober 1997, een geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk valselijk heeft doen opmaken of doen vervalsen, hebbende hij, verdachte, opzettelijk in de bedrijfsadministratie van [bedrijf II], zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,

64 fakturen, te weten

7 fakturen

ten name van [bedrijf III]

gericht aan [bedrijf II] (bijlagen D/027 t/m D/033)

en 36 fakturen

ten name van [bedrijf III]

gericht aan [bedrijf II]

(bijlagen D/034 t/m D/069

en 21 fakturen

ten name van [bedrijf IV]

gericht aan [bedrijf II]

(bijlagen D/464 t/m D/480, D/673, D/674, D/519, D/521)

betreffende die facturen de levering en verkoop van personenauto's, personenwagens en/of bedrijfswagens door genoemd [bedrijf III]., [bedrijf V] en/of [bedrijf IV] aan [bedrijf II],

doen verwerken door een ander terwijl in werkelijkheid -zakelijk weergegeven- die personenauto's, die personenwagens en/of die bedrijfswagens niet door [bedrijf III], [bedrijf V] en/of [bedrijf IV] aan [bedrijf II] waren verkocht en geleverd, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

te Oosterhout, in de periode van 28 mei 1996 tot en met 12 maart 1997, een geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk valselijk heeft doen opmaken of doen vervalsen, hebbende hij, verdachte, opzettelijk in zijn bedrijfsadministratie ([bedrijf II]), zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,

70 facturen, te weten

22 facturen

ten name van [bedrijf III]

gericht aan [bedrijf II] bijlagen D/070 t/m D/091)

en 45 facturen

ten name van [bedrijf V]

gericht aan [bedrijf II] (bijlagen D/092 t/m D/136)

en 3 facturen

ten name van [bedrijf IV]

gericht aan [bedrijf II], (bijlagen D/513, D/515, D/517),

betreffende die facturen de levering en/of verkoop van personenauto's, personenwagens en/of bestelwagens door genoemd [bedrijf III], [bedrijf V] en/of [bedrijf IV] aan ([bedrijf II]) hem, verdachte, doen verwerken door een ander terwijl in werkelijkheid -zakelijk weergegeven- die personenauto's, die personenwagens en/of die bestelwagens niet door [bedrijf III], [bedrijf V] en/of [bedrijf IV] aan ([bedijrf II]) hem, verdachte, waren verkocht en geleverd, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.4 De bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften slechts in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.5 Bewijsverweer

De raadsman heeft gesteld dat de eventueel voorhanden zijnde bewijsmiddelen in deze zaak niet uitsluiten dat niet verdachte, maar [persoon X] de tenlastegelegde feiten zou kunnen hebben gepleegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu dit wordt uitgesloten in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

1.

EEN BIJ DE BELASTINGWET VOORZIENE AANGIFTE ONJUIST DOEN, TERWIJL DAARVAN HET GEVOLG ZOU KUNNEN ZIJN DAT TE WEINIG BELASTING ZOU KUNNEN WORDEN GEHEVEN, OPZETTELIJK BEGAAN, MEERMALEN GEPLEEGD,

strafbaar gesteld bij artikel 68, tweede lid, (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht,

en

OPZETTELIJK EEN BIJ DE BELASTINGWET VOORZIENE AANGIFTE ONJUIST DOEN, TERWIJL HET FEIT ERTOE STREKT DAT TE WEINIG BELASTING WORDT GEHEVEN, MEERMALEN GEPLEEGD,

strafbaar gesteld bij artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht,

2.

EEN BIJ DE BELASTINGWET VOORZIENE AANGIFTE ONJUIST DOEN, TERWIJL DAARVAN HET GEVOLG ZOU KUNNEN ZIJN DAT TE WEINIG BELASTING ZOU KUNNEN WORDEN GEHEVEN, OPZETTELIJK BEGAAN, MEERMALEN GEPLEEGD,

strafbaar gesteld bij artikel 68, tweede lid, (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht,

3. subsidiair en 4., telkens:

DOEN PLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT,

strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid, junctis de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7. De motivering van sancties en overige beslissingen

7.1 De hoofdsanctie

Bij het bepalen van de op te leggen sanctie heeft de rechtbank rekening gehouden met

- de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan en

- de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer twee jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude in de sfeer van een BTW-carrousel met auto's en heeft in het kader daarvan meermalen valsheid in geschrift gepleegd met betrekking tot administraties van bedrijven, waarin reeksen valse/vervalste facturen werden verwerkt.

Door het plegen van deze feiten heeft verdachte een bedrag van ruim één miljoen gulden aan niet betaalde omzetbelasting aan de Staat der Nederlanden onttrokken. Verdachte heeft hiermee ook indirect de maatschappij en de gewone belastingbetaler benadeeld. Zijn handelen was daarbij uitsluitend gericht op persoonlijk financieel gewin.

De belastingdienst moet -met name in het kader van de omzetbelasting- erop kunnen vertrouwen dat bij de aangiften omzetbelasting betrokken formulieren en facturen correct zijn. Het omzetbelastingstelsel kan nagenoeg uitsluitend functioneren op basis van voornoemd vertrouwen en ondermijning van dit vertrouwen ondergraaft in ernstige mate het ingevoerde stelsel.

Gelet op de lengte van de periode waarin de feiten zijn gepleegd en de hoogte van het door verdachte ten onrechte onttrokken bedrag is in deze zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte een betrekkelijke first-offender is, alsmede op zijn persoonlijke omstandigheden, zoals deze naar voren zijn gekomen in het voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Nederland te Dordrecht d.d. 26 maart 2002 en zoals deze ook overigens tijdens het onderzoek terechtzitting zijn gebleken.

Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. Mede op grond van het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten in aanraking is gekomen met de strafrechter, zal zij een gedeelte van deze straf -groot zes maanden- voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaar.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Naast de voormelde artikelen zijn van toepassing de artikelen 1, tweede lid, 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3. primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

- verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.3 van dit vonnis;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hier onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN ACHTTIEN MAANDEN,

en bepaalt dat een gedeelte van deze straf -groot ZES MAANDEN- NIET zal worden tenuitvoergelegd, tenzij een rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op TWEE JAREN bepaalde PROEFTIJD aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A.C. Smid, voorzitter,

en Mr. I.M. Koopmans, mr. I.M.A. de Graaf, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 04 februari 2003.