Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2003:AF3113

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
21-01-2003
Zaaknummer
11/005447-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/005447-02

Zittingsdatum : 7 & 8 januari 2003

Uitspraak : 21 januari 2003

VERKORT STRAFVONNIS

(art. 138b Sv)

De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen:

Verdachte

geboren op geboortedatum,

wonende te woonplaats,

thans verblijvende gedetineerd in de P.I. Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Kopieën van de dagvaarding en de vordering zijn als bijlage 1 en 1a aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie -het ten laste gelegde bewezen achtend- heeft gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft naast een bewijsverweer ook een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen die verdachte, samen met zijn mededaders, met betrekking tot slachtoffer 1 heeft verricht, voor wat betreft deze verdachte zijn te kwalificeren als openlijke geweldpleging, bestaande uit het zich onherkenbaar maken en zich bewapenen en aldus dreigend met opgeheven wapens rennen in de richting van slachtoffer 1 die op dat moment nog deel uitmaakte van de groep waarop verdachte en zijn mededaders aanstormden. Verdachte heeft in het voorbijgaan slachtoffer 1 een duw gegeven, waardoor deze ten val kwam. Van de primair te laste gelegde poging moord, dan wel doodslag en subsidiair te laste gelegde gekwalificeerde poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van slachtoffer 1 zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. MEER SUBSIDIAIR:

op 10 september 2002 te Leerdam met anderen, op of aan de openbare weg, Van Egmondstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen slachtoffer 1, welk geweld bestond uit het

- zich onherkenbaar maken en bewapenen van zijn mededaders en vervolgens

- rennen in de richting van en/of opdringen tegen slachtoffer 1 en daarbij

- dreigend opheffen van meerdere honkbalknuppels en en een kapmes en

- in zijn rug duwen en

- (van achteren om zijn armen) vastpakken en (liggend op slachtoffer 1, hem) tegen de grond drukken en gedrukt houden en (vervolgens)

- meermalen, met kracht met een honkbalknuppel op zijn hoofd en/of gezicht en/of ogen slaan en

- meermalen, met kracht met honkbalknuppels op zijn armen en/of benen en/of rug en/of borst en/of

buik, slaan en

- meermalen, met kracht met een gummiknuppel op zijn lichaam slaan en

- meermalen, met kracht (met geschoeide voet) tegen zijn hoofd en (andere delen van) zijn lichaam schoppen en

- meermalen, met kracht stompen en slaan op zijn lichaam en

- meermalen, met kracht met (de snijkant van) een kapmes op zijn benen slaan en

- met een kapmes in de richting van zijn hoofd slaan en

- meermalen, met een kapmes in zijn benen steken;

2. PRIMAIR:

op 10 september 2002 te Leerdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander aan een persoon, slachtoffer 2, opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemd slachtoffer 2

- met kracht heeft getrapt of geschopt waardoor die slachtoffer 2 ten val is gekomen en (vervolgens)

- met kracht met een (honkbal)knuppel heeft geslagen op zijn arm en/of rug en/of knie en/of (scheen)been en/of hand,

althans op zijn lichaam en/of

- meermalen, althans eenmaal, met kracht heeft getrapt en/of geschopt tegen zijn lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft betoogd dat de situatie die zich heeft voorgedaan juridisch het dichtst komt bij de kwalificatie openlijke geweldpleging. Er was, aldus de raadsman, geen plan om slachtoffer 2 zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel een poging daartoe te ondernemen. Er was in het geheel geen sprake van voorbedachte raad daartoe. Het ging er slechts om ene K. een lesje te leren en hem te grazen te nemen. Opzet op de mogelijke zware verwonding van slachtoffer 2 ontbreekt. Dat was het oogmerk van deze afstraffing niet, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Volgens vaste jurisprudentie houdt voorbedachte raad in dat er sprake is van een moment van kalm beraad en rustig overleg voorafgaande aan de uitvoering van hetgeen men zich heeft voorgenomen. Dit betekent dat men welbewust aan de uitvoering van het voorgenomen plan begint en weet wat men gaat doen en waarop de uitvoeringshandelingen gericht zijn. In een dergelijke situatie is er derhalve geen sprake van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of een plotselinge ingeving om bepaalde handelingen te verrichten.

De rechtbank overweegt voorts dat handelen met voorbedachte raad volgens de heersende opvatting in de jurisprudentie in het algemeen impliceert dat men met opzet handelt. Dat kunnen alle vormen van opzet zijn. Voorbedachte raad kan derhalve ook samengaan met voorwaardelijk opzet. Er is sprake van voorwaardelijk opzet wanneer de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zware verwonding van het slachtoffer tot gevolg zou kunnen hebben.

De vraag of in deze situatie sprake is van voorbedachte raad en opzet, beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende beeld naar voren gekomen. Naar aanleiding van eerdere incidenten in de weken voorafgaande aan het gebeuren op 10 september 2002, hebben enkele verdachten op 9 september er met elkaar over gesproken dat het tijd werd wraak te nemen op ene K.. Het moest nu maar eens afgelopen zijn met het irritante gedrag van hem en dat van zijn vrienden en de beste manier om daar wat aan te doen, leek te zijn een soort strafexpeditie. Afgesproken werd in de avond van 10 september K. te gaan zoeken en hem dan te grazen te nemen. Volgens afspraak zijn enkele verdachten die bewuste avond bij elkaar gekomen en zijn vervolgens met een auto K. gaan zoeken. Zij kwamen onverrichter zake terug. Vervolgens hebben verdachten - inmiddels een groep van zo'n 10 man - afgesproken nogmaals een poging te doen, maar nu met twee auto's. Verdachten hebben zich met bivakmutsen en sjaals gecamoufleerd en zijn gewapend met honkbalknuppels en een kapmes naar de hangplek gereden waar K. en zijn vrienden zich meestal ophielden. Eén auto zag de groep waar K. gewoonlijk deel van uitmaakte en reed daar langzaam voorbij. Even later reden zij nogmaals langzaam voorbij om er zeker van te zijn dat dit de groep jongeren was waar K. mee optrok. Even verder verzamelden de inzittenden van beide auto's zich en liepen tot op korte afstand van de groep.

Verdachten waren er niet zeker van dat K. bij deze groep was. Zij observeerden de groep jongeren en zagen er jongens bij die ze herkenden als de vaste groep waarmee K. optrok. Na enige tijd de groep te hebben geobserveerd besloten zij op de groep af te gaan. Vermomd, en met opgeheven wapens, zijn zij op de groep afgerend. De groep stoof uiteen en verdachten slaagden erin twee jongens te pakken te krijgen, te weten slachtoffer 1 en slachtoffer 2.

Verdachte, die het eerst bij slachtoffer 1 was, gaf hem een harde duw waardoor deze viel en tegen een auto terechtkwam.

Verdachte is daarna, samen met een van zijn medeverdachten, achter slachtoffer 2 aan gerend. Toen hij hem had ingehaald, heeft hij slachtoffer 2 mishandeld. Verdachte heeft slachtoffer 2 onder meer een harde schop gegeven, waardoor slachtoffer 2 is gevallen. Aldus is er sprake van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

4.4 De bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften slechts in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

1. meer subsidiair:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

2.primair:

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT ZWARE MISHANDELING GEPLEEGD MET VOORBEDACHTE RADE,

strafbaar gesteld bij artikelen 303 juncto artikel 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7. De motivering van sancties en overige beslissingen

Bij het bepalen van de op te leggen sanctie heeft de rechtbank rekening gehouden met

- de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan en

- de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging ten aanzien van slachtoffer 1 en voorts aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade tegenover slachtoffer 2. Als verzachtende omstandigheid geldt daarentegen dat verdachte niet is gezien in het bezit van een knuppel of ander wapen.

Aldus heeft verdachte zich op 10 september 2002 schuldig gemaakt aan ernstige delicten uit het Wetboek van Strafrecht. Dergelijke delicten veroorzaken niet alleen lichamelijk en psychisch leed bij de slachtoffers, maar ook ontstaan daardoor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Bovendien wordt de manier waarop de bewezenverklaarde feiten zijn begaan als schokkend ervaren. De rechtbank rekent het feit dat verdachte vermomd en met een grote groep op de slachtoffers is afgegaan, zwaar aan.

De rechtbank is derhalve van mening dat op onderhavige gebeurtenissen niet anders gereageerd kan worden dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

het rapport van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 11 december 2002;

het uittreksel van het Algemeen Documentatieregister d.d. 16 oktober 2002, de verdachte betreffend, waaruit bijkt dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

In de hierboven geschetste omstandigheden en mede na aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting vindt de rechtbank aanleiding een gedeelte van de overwogen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Naast de voormelde artikelen zijn van toepassing de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

spreekt de verdachte vrij van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1. primair en subsidiair;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 MAANDEN;

met bepaling dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot vier maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr.drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

en Mrs. A.P. Hameete en I.M.A. de Graaf, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.M. Kortekaas, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 januari 2003