Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2002:AE7847

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
20-09-2002
Zaaknummer
11.082096-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11.082096-02

Zittingsdatum : 5 september 2002

Uitspraak : 19 september 2002

VERKORT STRAFVONNIS

(art. 138b Sv)

De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981

wonende te [woonplaats], [adres].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2. Voorvragen

2.1 Geldigheid van de dagvaarding.

Bij onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 Bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 Schorsing van de vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie -het tenlastegelegde bewezen achtend- heeft gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft naast een bewijsverweer een strafmaatverweer gevoerd.

4. Bewijsbeslissingen

4.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

1. primair

hij op 04 juli 2001 te Dordrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (merk Volkswagen, type Golf) daarmee rijdende over de Hugo de Grootlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te rijden, immers

- heeft hij toen aldaar gereden met een snelheid van ongeveer 60 kilometer per uur terwijl hij een bocht naar rechts naderde

en

- heeft hij onvoldoende, op de weg en op het overige verkeer gelet (immers, verdachte was in gesprek met zijn vriendin, [slachtoffer 2])

en

- heeft hij met zijn motorrijtuig toen aldaar bij en in een bocht naar rechts niet de rijstrook gevolgd die hij moest volgen en heeft hij een ononderbroken streep naar links overschreden, waardoor hij met zijn motorrijtuig heeft gereden op de rijstrook voor het hem tegemoetkomende verkeer

en

- is hij rijdend op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer niet tijdig uitgeweken voor een hem tegemoetkomend motorrijtuig en heeft hij geen snelheid verminderd waardoor hij op die rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer met zijn motorrijtuig is gebotst tegen een hem tegemoetkomend motorrijtuig (merk Nissan, type Micra)

ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in het borstbeen werd toegebracht, waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

en

ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] lichamelijk letsel, te weten

- een hersenschudding

- kneuzing van borst, buik en kaak

- een gebroken sleutelbeen

waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften telkens slechts in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde feit levert op:

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 WEGENVERKEERSWET 1994 TEN GEVOLGE WAARVAN ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL IS ONTSTAAN

EN

ZODANIG LICHAMELIJK LETSEL DAT DAARUIT TIJDELIJKE ZIEKTE OF VERHINDERING IN DE UITOEFENINGVAN DE NORMALE BEZIGHEDEN IS ONTSTAAN, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7. De motivering van sancties en overige beslissingen

Bij het bepalen van de op te leggen sancties heeft de rechtbank rekening gehouden met

- de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en

- de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft op 4 juli 2001 op zeer onvoorzichtige wijze in een personenauto gereden over de Hugo de Grootlaan te Dordrecht.

Verdachte, die slechts enkele maanden eerder zijn rijbewijs had gehaald, reed op genoemde weg met een grotere snelheid dan ter plaatse is toegestaan. Voorts was verdachte, gekomen bij de bocht in de weg waar enige momenten later de aanrijding zou ontstaan, met zijn vriendin in gesprek, waardoor hij onvoldoende op de weg en het overige verkeer lette. In die situatie is verdachte, terwijl hij de bocht in de weg naderde en deze bocht in had moeten sturen, de rijbaan van het hem tegemoetkomende verkeer opgereden. Hierdoor ontstond een aanrijding tussen hem en een hem tegemoet komende personenauto.

Twee personen liepen hierbij letsel op, waarbij het herstel van één van hen langere tijd heeft geduurd en naar het zich laat aanzien nog geruime tijd zal duren.

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte bij de bewuste bocht in de weg langer dan, zoals hij zelf stelt, een kort moment naar zijn vriendin heeft gekeken en derhalve niet op de weg heeft gelet. Verdachtes zienswijze dat hij slechts een fractie van een seconde niet heeft opgelet wordt niet gesteund door enig bewijsmiddel.

Het feit dat de belijning op het midden van het wegdek ter plaatse in de bocht slecht zichtbaar was, doet aan de ernst van het feit niet af. Verdachte was al een aantal malen eerder, al dan niet als bestuurder van een personenauto, ter plaatse geweest. Verdachte had hierdoor ten minste enige kennis van de situatie ter plaatse. Verdachte had, met deze kennis en gezien zijn geringe rijervaring, zijn aandacht bij de weg behoren te houden, ook op de belijning ter rechterzijde van de voor hem bestemde rijbaan dienen te letten en zijn snelheid moeten aanpassen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een grove verkeersfout waarop niet anders worden gereageerd dan met een aanzienlijke werkstraf en een ontzegging van de bevoegdheid een motorrijtuig te besturen.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op zijn overige omstandigheden zoals ter terechtzitting gebleken en uit de rapportage van de Reclassering Nederland d.d. 29 juli 2002 naar voren gekomen, en het feit dat verdachte niet eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de gevolgen die de aanrijding heeft teweeggebracht, naast de werkstraf een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig dient te worden opgelegd.

De rechtbank zal deze ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen, gelet op de bijzondere omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft bij de uitoefening van een deel van zijn werkzaamheden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Naast de voormelde artikelen zijn van toepassing de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994

9. Beslissing.

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de hierboven onder 5 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een

- WERKSTRAF van 120 uren bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen detentie,

- ONTZEGGING VAN DE BEVOEGDHEID TOT HET BESTUREN VAN EEN MOTORRIJTUIG voor de duur van 12 MAANDEN,

met bepaling dat een gedeelte van deze straf, groot ZES MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter

mrs. A.P. Hameete, I.M.A. de Graaf-Hinfelaar, rechters

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2002.