Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2002:AE6093

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
11.005019-02.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 11.005019-02.

datum uitspraak : 2 augustus 2002.

Strafvonnis van de rechtbank Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen

[Verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

wonende te [adres verdachte],

verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort, Nassausingel 26 te Breda,

heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de

rechtbank Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting

op de grondslag van de tenlastelegging.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de

verdediging, naar voren gebracht door de verdachte en zijn raadsvrouw

mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

2. De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze

ter terechtzitting van 17 juli 2002 overeenkomstig de vordering van de

officier van justitie is gewijzigd.

Kopieën van de dagvaarding en de wijziging zijn als bijlage bij dit vonnis gevoegd en

maken hiervan deel uit.

3.1.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat het bewijs onrechtmatig is verkregen en moet worden uitgesloten.

Zij voert daartoe -zakelijk weergegeven- aan dat de CIE informatie die ten grondslag lag aan de tapmachtigingen dusdanig onvoldoende toetsbaar is op betrouwbaarheid, dat het tappen op die grond een disproportionele inbreuk op de privacy van verdachte vormde.

Voorts is gebruik gemaakt van een tolk waarvan de deskundigheid niet vaststaat.

Daarnaast is in de tapverslagen verschillende malen gebleken van taps met geheimhouders, die ofwel weergegeven worden, dan wel niet gewist zijn, is niet op voldoende betrouwbare wijze na te gaan dat binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal is opgemaakt en is gebleken dat de tapapparatuur storingen vertoont, die niet altijd terug te vinden zijn in de genoteerde versies en o.a. tot gevolg hebben dat 10 tot 20 % van de gesprekken niet worden opgenomen;

deskundigen hebben tenslotte verklaard dat taps -kort gezegd- gemanipuleerd kunnen worden, hetgeen inherent is aan het middel, zodat taps door een patroon van onzorgvuldigheden als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt.

De rechtbank verwerpt deze verweren, aangezien:

- de CIE rapporten vanaf oktober 2000 over cocaïne, wapens en geld gaan en als

betrouwbaar worden aangemerkt, zodat het verweer feitelijke grondslag mist;

- het niet aannemelijk is geworden dat de vertalingen van de tolk onbetrouwbaar zijn

nu hiervoor geen enkele concrete aanwijzing bestaat;

- de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen geen taps met geheimhouders bevat;

- bij gebrek aan een tolk later dan tweemaal 24 uren na het tappen is getolkt, doch dat

niet gebleken is dat niet tijdig proces-verbaal van het tappen is opgemaakt;

- dat het door de raadsvrouw gestelde dat de tapapparatuur storingen vertoont die niet

altijd terug te vinden zijn in de genoteerde versies, niet afdoet aan de bruikbaarheid van de wel getapte en getolkte gesprekken;

- er van geen enkele aanleiding is gebleken om te veronderstellen dat door een patroon van onzorgvuldigheden of anderszins de resultaten van de taps als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

3.2. Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in de dagvaarding onder 3. primair is ten laste gelegd.

Verdachte dient hiervan derhalve te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het voorhanden bewijsmateriaal is onvoldoende gebleken dat verdachte, al dan niet samen met anderen, in de periode van 1 september 2001 tot en met 31 december 2001 cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ook niet in de vorm als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet (de zogenaamde verlengde uitvoer).

3.3. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

in de periode van 11 januari 2002 tot en met 13 januari 2002 te Zwijndrecht en te Rotterdam en in Italië tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 29 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in verenigingtoen en daar opzettelijk

- hoeveelheden cocaïne naar een woning te Zwijndrecht gebracht en geperst en verpakt en aldus gereed gemaakt voor vervoer naar Italië en

- met een persoon, genaamd [X] afspraken gemaakt omtrent het tijdstip en de wijze van vervoer van een hoeveelheid cocaïne naar Italië en die [X] verzocht vanuit het buitenland naar Nederland te komen om een hoeveelheid cocaïne op te halen en

- personen vanuit Italië naar Nederland gestuurd en/of laten komen om geld

voor een of meer hoeveelheden cocaïne te betalen.

2.

in de periode van 2 januari 2002 tot en met 5 januari 2002, te Zwijndrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 10 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

3. (subsidiair)

in de periode van 1 september 2001 tot en met 31 december 2001 te Zwijndrecht tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbe-terd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte dient hiervan derhalve te worden vrijgesproken.

4. De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften slechts in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

5. De benoeming van de feiten.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op:

1. en 2.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2,

EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid van de Opiumwet juncto artikel 47 van het

Wetboek van Strafrecht.

3.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2,

EERSTE LID, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD,

strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid van de Opiumwet juncto artikel 47 van het

Wetboek van Strafrecht.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, dat strafuitsluitingsgronden van

toepassing zijn, zodat verdachte strafbaar is voor de door hem gepleegde feiten.

7. De straf.

7.1. De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd -het onder 1. primair, 2. en 3. primair ten laste gelegde bewezen achtend- de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren -met aftrek van voorarrest-.

7.2. De verdediging.

De raadsvrouw heeft -naast de hiervoor besproken verweren- bewijsverweren en een strafmaatverweer gevoerd.

7.3. De door de rechtbank op te leggen straf.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, kennelijk in enig internationaal georganiseerd verband en als allround medewerker, gedurende langere tijd beziggehouden met de inkoop, versnijding en export naar Italië van cocaïne. Bewezen verklaard is ongeveer 39 kilo. Verdachte handelde uit puur winstbejag. De cocaïne werd in onversneden vorm ingekocht en aangeleverd, klaarblijkelijk afkomstig van bolletjesslikkers en andere importeurs. Door zijn handelwijze heeft verdachte bijgedragen tot het versterken van de beruchte positie van Nederland in Europa als bewerkings- en doorvoerland van cocaïne. Tegen deze vorm van illegale handel moet krachtig worden opgetreden.

De bewezen verklaarde feiten moeten beoordeeld worden als een ernstige aantasting van de maatschappelijke veiligheid en van de volksgezondheid. Er dient dan ook te worden gereageerd met een vrijheidsbenemende straf van substantiële duur, mede om verdachte en anderen ervan te weerhouden zich met deze kwalijke vorm van handeldrijven bezig te houden of te gaan houden.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, eerder met de strafrechter in aanraking is gekomen, hetgeen hem kennelijk niet heeft kunnen weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen, alsmede met diens overige omstandigheden zoals ter terechtzitting gebleken

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden.

8. De toegepaste wetsartikelen.

De opgelegde straf berust, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op

artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9. DE BESLISSING.

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem in de dagvaarding onder 3. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het door de officier van justitie aan verdachte ten laste gelegde bewezen zoals onder 3.3. omschreven;

Verklaart, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 5. vermelde strafbare feiten;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde feiten en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN JAREN;

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechte-nis is doorge-bracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde

gevan-genisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. H.A.C. Smid, voorzitter,

C.B.M. Bruens en H.W. Bezemer, rechters,

in tegenwoordigheid van H. Broer, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank

op 2 augustus 2002.