Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2002:AE5493

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/76
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

Reg. nr.: AWB 01/76

Uitspraak in de zaak van

[Eiseres] te [X], eiseres,

tegen

de algemeen directeur van de Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ Zorgverzekeringen u.a. te Apeldoorn

1. Ontstaan en loop van het geding.

Bij besluit van 21 februari 2000 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor vergoeding c.q. verstrekking ten laste van de ziekenfondsverzekering van een plastisch-chirurgische behandeling (buikwandcorrectie).

Tegen dat besluit heeft eiseres bij brief van 13 maart 2000 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 28 december 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 15 januari 2001, ingekomen op 18 januari 2001, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 2 april 2002 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer. De rechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen aan te geven of zij het beroep wenst door te zetten en - zo zij dit niet wenst - een verzoek als bedoeld in artikel 8:73a van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) te doen.

Naar aanleiding van de brief van eiseres van 23 april 2002 heeft de rechtbank bepaald dat de op 2 april 2002 uitgesproken schorsing mede zal worden benut voor hervatting van het vooronderzoek, in welk verband partijen zijn opgeroepen voor een compartie van partijen op 28 mei 2002.

Eiseres is niet verschenen. Haar gemachtigde, P.A.J. Stravers, is, hoewel hij daartoe was opgeroepen, evenmin verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde C.C.J. Splint.

2. Overwegingen.

Bij besluit van 21 februari 2000, zoals gehandhaafd bij het besluit van 28 december 2000, heeft verweerder geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor vergoeding c.q. verstrekking ten laste van de ziekenfondsverzekering van een plastisch-chirurgische behandeling (buikwandcorrectie).

Bij brief van 27 februari 2001 heeft verweerder het besluit van 28 december 2000 ingetrokken en eiseres alsnog in aanmerking gebracht voor vergoeding c.q. verstrekking ten laste van de ziekenfondsverzekering van de buikwandcorrectie.

De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee is tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres.

Eiseres heeft vervolgens bij brief van 16 maart 2001 aangegeven dat zij schade heeft geleden, welke schade zij desgevraagd heeft gespecificeerd.

Tot 1 april 2002 leverde een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb (rest-)belang op bij de beoordeling van een ingetrokken besluit, waarbij aan het beroep was tegemoetgekomen.

Sinds 1 april 2002 geldt artikel 8:73a van de Awb, waarin in het eerste lid is bepaald dat een bestuursorgaan, ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

Nu verweerder thans bij afzonderlijke uitspraak op grond van artikel 8:73a van de Awb kan worden veroordeeld in de schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van het ingetrokken besluit, heeft eiseres geen (rest-)belang meer bij de beoordeling van het bestreden besluit. Haar beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Aan de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding van eiseres, dat gelet op artikel 8:73 van de Awb eerst bij gegrondverklaring van het beroep aan de orde kan zijn, komt de rechtbank dan ook niet toe.

Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat er geen afzonderlijke uitspraak op grond van artikel 8:73a van de Awb zal volgen, nu - bij gebreke aan intrekking van het beroep - niet wordt voldaan aan de daarvoor geldende vereisten.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Gezien het voorstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing.

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. L. de Loor-Alwin, rechter, en door deze en mr. A.M. Westerhof, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.