Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2002:AE3832

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
11.006328/01
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9256
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 11.006328/01

datum uitspraak: 7 juni 2002.

Strafvonnis van de rechtbank te Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen

[verdachte B],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zoetermeer" te Zoetermeer,

heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 24 mei 2002 op de grondslag van de tenlastelegging.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de verdediging, naar voren gebracht door de verdachte en zijn raadsman mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam.

2. De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd, hetgeen vermeld staat in de dagvaarding, waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Namens verdachte heeft de raadsman betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

De raadsman heeft daartoe onder meer -zakelijk weergegeven- de volgende argumenten aangevoerd:

- de vrije keuze van de verdachte in zijn advocaat is hem ontnomen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 28 van het Wetboek van Strafvordering;

- de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering door niet zorgvuldig om te springen met de afgifte van de processen-verbaal;

- de officier van justitie heeft artikel 31 van het Wetboek van Strafvordering geschonden door de verdachte de kennisneming van processtukken te onthouden;

- de politie heeft een ongeoorloofde verhoormethode gebruikt, hetgeen in strijd is met artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering.

Voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie is slechts plaats indien er sprake is van een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort wordt gedaan.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is van zulk een situatie geenszins gebleken.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

Ook overigens is niet van feiten of omstandigheden gebleken die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten leiden. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging.

4.1. Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de in de dagvaarding onder 1., 2. en 3. genoemde slachtoffers van het leven zijn beroofd na het in kalm beraad en rustig overleg beramen en tenuitvoer brengen van het voornemen om deze slachtoffers te doden.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Uit het onderzoek is de rechtbank gebleken, dat zich in het dossier verklaringen bevinden waaruit -op basis van de in die verklaringen vermelde feiten en omstandigheden- zou kunnen worden afgeleid dat na kalm beraad en rustig overleg een plan is beraamd om genoemde slachtoffers van het leven te beroven.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze verklaringen niet zodanig consistent zijn en in onvoldoende mate worden ondersteund door de overige in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen dat deze ten grondslag kunnen liggen aan het oordeel dat genoemde slachtoffers met voorbedachten rade van het leven zijn beroofd.

De rechtbank is met betrekking tot het in de dagvaarding onder 1. primair, 2. primair en 3. primair tenlastegelegde van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de steller van de tenlastelegging telkens heeft bedoeld primair uitsluitend "moord", strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, ten laste te leggen. Aan dit oordeel heeft ten grondslag gelegen de aard van de subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten, alsmede het op die feiten gestelde strafmaximum.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen hem in de dagvaarding onder 1. primair, 2. primair en 3. primair ten laste is gelegd.

4.2. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. (subsidiair)

op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of een van zijn mededaders met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met een vuurwapen een kogel in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

dat hij, verdachte, op 23 november 2001 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer NLG 700,--) en een aantal gouden sieraden en een spelcomputer (Playstation II) en een NEO-4 chip en een zakje inhoudende NEO-2 chips en een aantal condensors en ongeveer 33 tape's (merk Sony) en een aantal briljantjes en diamantjes, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of aan [slachtoffer 1] en/of aan [slachtoffer 3],

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2. (subsidiair)

op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of een van zijn mededaders met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] met een vuurwapen een kogel in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

dat hij, verdachte, op 23 november 2001 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer NLG 700,--) en een aantal gouden sieraden en een spelcomputer (Playstation II) en een NEO-4 chip en een zakje inhoudende NEO-2 chips en een aantal condensors en ongeveer 33 tape's (merk Sony) en een aantal briljantjes en diamantjes, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of aan [slachtoffer 1] en/of aan [slachtoffer 3],

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

3. (subsidiair)

op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of een van zijn mededaders met dat opzet voornoemde [slachtoffer 3] met een vuurwapen een kogel in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

dat hij, verdachte, op 23 november 2001 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer NLG 700,--) en een aantal gouden sieraden en een spelcomputer (Playstation II) en een NEO-4 chip en een zakje inhoudende NEO-2 chips en een aantal condensors en ongeveer 33 tape's (merk Sony) en een aantal briljantjes en diamantjes, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of aan [slachtoffer 1] en/of aan [slachtoffer 3],

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

4.

op 23 november 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen, in een woning gelegen aan de Giessenstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer NLG 700,--) en een aantal gouden sieraden en een spelcomputer (Playstation II) en een NEO-4 chip en een zakje inhoudende NEO-2 chips en een aantal condensors en ongeveer 33 tape's (merk Sony) en een aantal briljantjes en diamantjes, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of aan [slachtoffer 1] en/of aan [slachtoffer 3],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- een vuurwapen heeft gericht op het hoofd van die [slachtoffer 4] en

- tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij, [slachtoffer 4], niet moest gillen en dat hij, [slachtoffer 4], moest doen wat hem werd gezegd en

- die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij, [slachtoffer 4], op zijn buik op de grond moest gaan liggen en (daarbij) zijn handen op zijn rug moest houden en

- de polsen van die [slachtoffer 4] heeft vastgebonden en

- de mond van die [slachtoffer 4] heeft afgeplakt met tape.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5. De bewijsmiddelen.

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

6. Nadere bewijsoverweging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de hierboven bewezen verklaarde feiten tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan. De volgende uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden hebben tot dat oordeel geleid.

Verdachte en zijn mededaders hebben gezamenlijk het plan beraamd om [slachtoffer 4], de hoofdbewoner van de woning aan de Giessenstraat te Dordrecht, te beroven. Dit ging gepaard met de nodige agressieve uitlatingen en er werd onverholen gesproken over het om het leven brengen van [slachtoffer 4]. Vervolgens zijn de attributen voor de beroving aangeschaft, zoals tie-wraps, tape en handschoenen. De avond tevoren zijn verdachte en zijn mededaders naar Dordrecht gereden om de woning te verkennen. Verdachte bleef in de auto wachten op zijn mededaders die naar binnen gingen. Hierna werd met [slachtoffer 4] telefonisch de afspraak gemaakt om de volgende dag terug te keren om een Playstation spelcomputer om te bouwen.

Op vrijdag 23 november 2001 zijn verdachte en zijn mededaders wederom naar Dordrecht gereden, deze keer om de beroving uit te voeren. Verdachte en één van zijn mededaders hadden beiden een vuurwapen meegenomen, waarvan in ieder geval vaststaat dat één van die wapens geladen was. Kort nadat zij door [slachtoffer 4] in de woning waren binnengelaten hebben verdachte en zijn mededaders de beraamde beroving ten uitvoer gebracht. Ieder van hen heeft hierbij een actieve rol vervuld, niemand liet zich onbetuigd.

[Slachtoffer 4], zijn stiefdochter en haar vriend moesten onder bedreiging van een vuurwapen op de grond gaan liggen, hun handen werden op de rug gebonden met tie-wraps of tape en hun mond werd afgeplakt met tape, terwijl de vriendin van [slachtoffer 4] eveneens werd vastgebonden en evenzo werd haar mond afgeplakt. De daders hebben de woning ondertussen doorzocht en [slachtoffer 4] werd door één van hen van zijn geld en sieraden ontdaan.

Kort nadat [slachtoffer 4] hoorde dat door de daders, in ieder geval twee van hen, werd gesproken over het "afschieten" van de slachtoffers om herkenning te voorkomen, heeft één van verdachtes mededaders -met medeneming van de buit- de woning verlaten.

Vervolgens heeft verdachte en/of één van zijn mededaders de vriendin, de stiefdochter en haar vriend elk één kogel in het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan zij allen zijn overleden. [Slachtoffer 4] wist zich tussentijds ternauwernood in veiligheid te brengen.

Na het verlaten van de woning zijn verdachte en zijn mededaders met de auto weggereden en is in de auto en later nogmaals besproken dat drie slachtoffers waren gedood en één slachtoffer ([slachtoffer 4]) over het hoofd was gezien. Vervolgens hebben zij bij een vriendin van één hunner de buit verdeeld. Tenslotte hebben zij zich ontdaan van de door hen tijdens de beroving gedragen kleding. Noch verdachte, noch zijn mededaders, zoals uit getuigenverklaringen is gebleken, heeft c.q. hebben daarbij enige emotie getoond.

Gelet op de hierboven omschreven gedragingen van verdachte en zijn mededaders, vóór, tijdens en (kort) na het plaatsvinden van de bewezen verklaarde feiten, een en ander in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en diens mededaders zo nauw met elkaar samenwerkten, dat niet van belang is wie welke rol bij of rond het plegen van de bewezen verklaarde feiten heeft vervuld, doch dient elk van hen als medepleger van die feiten en mitsdien als pleger te worden aangemerkt.

Hierbij heeft de rechtbank tevens gelet op de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte op enig moment of op enigerlei wijze heeft getracht zijn mededaders te weerhouden van enig strafwaardig handelen, dan wel zich daarvan heeft gedistantieerd.

7. De benoeming van de feiten.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op:

1. (subsidiair) + 2. (subsidiair) + 3. (subsidiair) telkens:

MEDEPLEGEN VAN DOODSLAG VOORAFGEGAAN VAN EEN STRAFBAAR FEIT EN GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS AAN DAT FEIT HETZIJ STRAFFELOOSHEID HETZIJ HET BEZIT VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGENE TE VERZEKEREN,

strafbaar gesteld bij artikel 288 junctis artikelen 287 en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

4.

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De strafbaarheid van verdachte.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, dat strafuitsluitingsgronden van toepassing zijn, zodat verdachte strafbaar is voor de door hem gepleegde feiten.

9. De straf.

9.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de in de dagvaarding onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 4. ten laste gelegde feiten bewezen en heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot levenslange gevangenisstraf.

Voorts heeft zij zich uitgelaten omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen.

9.2 De verdediging.

Naast het hiervoor besproken ontvankelijkheidsverweer heeft de raadsman bepleit verdachte vrij te spreken van de aan hem ten laste gelegde feiten.

9.3 De door de rechtbank op te leggen straf.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op de late avond van vrijdag 23 november 2001 hebben verdachte en zijn twee mededaders zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving in een woning aan de Giessenstraat te Dordrecht. Nadat de daders de buit hadden veiliggesteld en de woning hadden verlaten bleken drie slachtoffers de beroving met hun leven te hebben moeten bekopen. De 39-jarige hoofdbewoonster [slachtoffer 3], haar 16-jarige dochter [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de evenoude vriend van [slachtoffer 1], waren allen met een kogel in het hoofd geschoten.

De beroving was goed voorbereid. Van tevoren hadden verdachte en zijn mededaders de uitvoering gezamenlijk besproken en werden de benodigde attributen, zoals tie-wraps, tape en handschoenen aangeschaft. Om de woning binnen te komen was de avond tevoren de afspraak gemaakt dat de hoofdbewoner, [slachtoffer 4], een door de daders meegebrachte Playstation spelcomputer zou ombouwen.

Kort nadat de daders door [slachtoffer 4] in de woning waren binnengelaten werd hij met een vuurwapen gedwongen op de grond te gaan liggen, waarna zijn handen werden vastgebonden en zijn mond werd afgeplakt met tape. Hierna werd hij ontdaan van zijn geld en sieraden.

Toen de daders in de woning werden geconfronteerd met de latere slachtoffers ondergingen zij hetzelfde lot als [slachtoffer 4], onder bedreiging van een vuurwapen werden hun handen op de rug gebonden, werd hun mond afgeplakt en moesten ze gaan liggen, [slachtoffer 3] op haar bed en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de grond in de gang. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kregen ook nog een krant over hun hoofd gelegd.

Op een gegeven moment werd [slachtoffer 4], die nog steeds op zijn buik in de keuken lag, opgeschrikt door het geluid van een schot, kort erna gevolgd door nog een schot. In ware doodsangst wist hij de tie-wraps om zijn handen te breken en vluchtte hij de woning uit. Buiten hoorde hij opnieuw een schot. Op dat moment kon hij nog niet bevroeden dat zijn vriendin, haar dochter en de vriend van haar dochter in koelen bloede werden geliquideerd.

[Slachtoffer 4] is niet de enige die de beroving heeft overleefd. Onwetend van hetgeen zich op dat moment in de woning afspeelde lag de 11-jarige [dochter van slachtoffer 3] in haar slaapkamer te slapen. Toen zij op enig moment wakker werd en haar slaapkamerdeur opende werd zij geconfronteerd met een beeld dat naar alle waarschijnlijkheid voor altijd op haar netvlies gegrift staat. Een traumatischer ervaring in haar nog jonge leven is nauwelijks denkbaar. Ook deze omstandigheid wordt verdachte en zijn mededaders zeer zwaar aangerekend.

Het mag duidelijk zijn dat verdachte en zijn mededaders zich hebben schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Zij hebben drie mensen gedood en hebben daarmee niet alleen onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van die slachtoffers, maar evenzeer gevoelens van afschuw en verbijstering veroorzaakt in de samenleving in het algemeen. Zoals gesteld geldt verdachte als mededader en acht de rechtbank hem in die zin ten volle verantwoordelijk voor de bewezen verkaarde feiten

De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, onder meer uit een summier rapport van de psycholoog H.S.M. Weber, alsmede het voorlichtingsrapport van de reclassering. Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte eerder met justitie in aanraking gekomen. Van strafverminderende omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank is -ondanks dat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie- van oordeel dat in de hierboven geschetste omstandigheden slechts een levenslange gevangenisstraf kan leiden tot adequate vergelding van de door verdachte begane feiten, met name het leed dat hij de nabestaanden van de slachtoffers heeft aangedaan, en tot effening van de schade die verdachte door deze feiten de rechtsorde heeft toegebracht.

Verdachte zal dan ook -overeenkomstig de eis van de officier van justitie- worden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

10. De vorderingen van de benadeelde partijen.

[Benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter vergoeding van de schade die geleden is door de in de dagvaarding onder 1. en 3. ten laste gelegde feiten. De vordering heeft betrekking op vergoeding van schade ten bedrage van ƒ 2.400,--, omgerekend € 1.089,07.

De officier van justitie acht de vordering integraal toewijsbaar en zij heeft tevens oplegging gevorderd van de maatregel van schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte heeft de raadsman -gelet op de inhoud van zijn pleidooi- bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in diens vordering. De vordering is niet inhoudelijk betwist.

De benadeelde partij is in beginsel ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade. De rechtbank acht de vordering integraal toewijsbaar, nu deze niet onrechtmatig en ongegrond voorkomt.

[Benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich -middels haar wettelijk vertegenwoordiger- als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter vergoeding van de schade die geleden is door de in de dagvaarding onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten. De vordering heeft betrekking op een voorschotvergoeding voor shockschade ten bedrage van € 15.000,--.

De officier van justitie acht de vordering integraal toewijsbaar en zij heeft tevens oplegging gevorderd van de maatregel van schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte heeft de raadsman -gelet op de inhoud van zijn pleidooi- bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haarr vordering. De vordering is niet inhoudelijk betwist.

De benadeelde partij is in beginsel ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade. De rechtbank acht de vordering integraal toewijsbaar, nu deze niet ongegrond en onrechtmatig voorkomt.

[Benadeelde partij 3], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter vergoeding van de schade die geleden is door het in de dagvaarding onder 2. ten laste gelegde feit. De vordering heeft betrekking op een vergoeding van schade ten bedrage van ƒ 32.366,--, omgerekend € 14.687,05.

De officier van justitie acht de vordering integraal toewijsbaar en zij heeft tevens oplegging gevorderd van de maatregel van schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte heeft de raadsman -gelet op de inhoud van zijn pleidooi- bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. De vordering is niet inhoudelijk betwist.

De benadeelde partij is in beginsel ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade.

De rechtbank acht de vordering in de vorm van een voorschot toewijsbaar voor een bedrag van € 6.000,--, nu deze voor dat gedeelte niet onrechtmatig en ongegrond voorkomt. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, aangezien dit gedeelte van de vordering niet voldoende onderbouwd en derhalve niet eenvoudig van aard is. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

[Benadeelde partij 4], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter vergoeding van de schade die geleden is door de in de dagvaarding onder 1., 3. en 4. ten laste gelegde feiten. De vordering heeft betrekking op een vergoeding van schade ten bedrage van € 20.634,02.

De officier van justitie acht de vordering integraal toewijsbaar en zij heeft tevens oplegging gevorderd van de maatregel van schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte heeft de raadsman -gelet op de inhoud van zijn pleidooi- bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in dier vordering. De vordering is niet inhoudelijk betwist.

De benadeelde partij is in beginsel ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade. De rechtbank acht de vordering integraal toewijsbaar, nu deze niet onrechtmatig en ongegrond voorkomt.

Voor alle hierboven genoemde vorderingen van de benadeelde partijen heeft het volgende te gelden.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Naast (partiële) toewijzing van de vorderingen zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoedingen tevens telkens de maatregel tot schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Eén en ander met dien verstande dat volledige voldoening aan de maatregel telkens de toegewezen vordering van de betreffende benadeelde partij voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door verdachte, zijn mededader(s) en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

De rechtbank heeft in de omstandigheid dat mededaders bij de onderhavige feiten betrokken waren aanleiding gezien de maatregel telkens te beperken tot 1/3 deel van het bedrag.

11. De toegepaste wetsartikelen.

De opgelegde straf en maatregelen berusten, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 24c, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

12. DE BESLISSING.

De rechtbank beslist als volgt:

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de in de dagvaarding onder 1. primair, 2. primair en 3. primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het door de officier van justitie aan verdachte in de dagvaarding onder 1. subsidiair, 2. subsidiair, 3. subsidiair en 4. ten laste gelegde bewezen zoals onder 4.2. omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 7. vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde feiten en veroordeelt hem tot LEVENSLANGE GEVANGENISSTRAF.

Zij veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], [adres], een bedrag van € 1.089,07 (éénduizendnegenentachtig euro en zeven cent), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, met bepaling dat de verdachte bij betaling door een ander of anderen ten opzichte van [benadeelde partij 1] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Zij legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 363,02 (driehonderddrieënzestig euro en twee cent) ten behoeve van [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats].

Zij bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen.

Zij veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], [adres], een bedrag van € 15.000,-- (vijftienduizend euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, met bepaling dat de verdachte bij betaling door een ander of anderen ten opzichte van [benadeelde partij 2] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Zij legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.000,-- (vijfduizend euro) ten behoeve van [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats].

Zij bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Zij veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [benadeelde partij 3], wonende te [woonplaats], [adres], een bedrag van € 6.000,-- (zesduizend euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, met bepaling dat de verdachte bij betaling door een ander of anderen ten opzichte van [benadeelde partij 3] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Zij verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk voor het resterende gedeelte van de vordering en bepaalt dat dat deel slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Zij legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.000,-- (tweeduizend euro) ten behoeve van [benadeelde partij 3], wonende te [woonplaats].

Zij bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen.

Zij veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [benadeelde partij 4], wonende te [woonplaats], een bedrag van € 20.634,02,-- (twintigduizendzeshonderdvierendertig euro en twee cent), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, met bepaling dat de verdachte bij betaling door een ander of anderen ten opzichte van [benadeelde partij 4] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Zij legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 6.878,-- (zesduizendachthonderdachtenzeventig euro) ten behoeve van [benadeelde partij 4], wonende te [woonplaats].

Zij bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Zij bepaalt dat volledige voldoening aan de maatregel telkens de toegewezen vordering van de betreffende benadeelde partij voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door verdachte, zijn mededader(s) en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. K.H.J. Puite, voorzitter, drs. T.F. van der Lugt en H.W. Bezemer, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 7 juni 2002.