Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2002:AE3143

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
23-05-2002
Zaaknummer
42966 / KG ZA 02-31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[EISER],

wonende te Oud-Beijerland,

eiser,

advocaat mr. J.L. van den Heuvel te Bodegraven,

procureur mr. S. Visser,

tegen

het rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam

DE OUD GEREFORMEERDE GEMEENTE IN NEDERLAND TE OUD-BEIJERLAND,

woonplaats hebbende te Oud-Beijerland,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. den Boef te Amersfoort,

procureur mr. V.J. Groot.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser] en de kerk.

Het procesverloop

1. De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 14 maart 2002 kennis genomen van de volgende processtukken:

* dagvaarding van 28 februari 2002,

* pleitnotities van mr. Den Boef, voornoemd,

* de door beide partijen overgelegde producties.

De feiten

2. Op grond van de - in zoverre niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken - stellingen van partijen en in het geding gebrachte producties wordt in dit geding van het volgende uitgegaan:

3. [Eiser] is belijdend lid van de kerk. De kerkenraad van de Gemeente bestaat thans uit twee personen, namelijk [ouderling en voorzitter] en [diaken en scriba].

4. De interne rechtsgang in de kerk is gebaseerd op de Bijbel, belijdenisgeschriften van de kerk, de Dordtse Kerkorde (KO), kerkelijke jurisprudentie en kerkelijke doctrine. De kerkelijke tucht op basis van de KO bestaat - kort samengevat - uit het volgende. Allereerst zal worden gehandeld naar Mattheus 18, waarbij de zondaar onder vier ogen wordt vermaand, waarna gesprekken plaatsvinden met getuigen. Indien berouw uitblijft wordt het geschil onderzocht door de kerkenraad. Een eerste tuchtrechtelijke maatregel die kan worden opgelegd is de stille censuur, bestaande uit vermaningen, het afhouden van het Heilig Avondmaal en van de Heilige Doop en het onthouden van het actief en passief kiesrecht. Daarna kunnen volgen de eerste trap van censuur waarbij vanaf de kansel de zonde wordt genoemd, doch niet de naam van de zondaar en waarbij de gemeente wordt opgeroepen tot gebed, de tweede trap van censuur (na advies van de classis) waarbij de zonde en de naam van de zondaar wordt genoemd en waarbij de gemeente wordt opgeroepen voor de zondaar te bidden en hem in liefde aan te spreken en tenslotte de derde trap van censuur waarbij besloten wordt tot afsnijding van de zondaar als lid van de gemeente. Van elk besluit van de kerkenraad staat appél open bij de classis en vervolgens bij de Particuliere Synode.

5. Bij brief van 17 oktober 1998 heeft de kerkenraad - voor zover thans van belang - aan [eiser] meegedeeld: "De kerkenraad heeft besloten middels dit schrijven haar ernstige verontrusting en ongenoegen te uiten over uw gedrag tijdens de eredienst in de kerk. Een en andermaal is er, onder andere vanaf de kansel, verzocht, om eerbiedig en eenparig met het orgel mee te zingen. (...) Wij moeten helaas met droefheid constateren dat u dit alles negeert. Dit neemt zelfs zulke vormen aan dat u met extreme stemverheffing "meeschreeuwt" tot grote ergernis van andere kerkgangers. (...) Derhalve zien we ons geroepen u hierover ernstig te vermanen. Indien u blijft volharden in uw gedrag, ziet de kerkenraad zich genoodzaakt om verdere tuchtmaatregelen te nemen. We hopen echter dat de Heere u daarvoor wil bewaren en dat u zich onderwerpt aan deze kerkelijke vermaning.". [Eiser] heeft op deze brief op 19 oktober 1998 schriftelijk gereageerd en daarbij meegedeeld dat hij het met de geuite beschuldigingen oneens is. Op 15 november 1999 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren [eiser], de toenmalige kerkenraad, [consulent], [mede-lid] en [mede-lid]. Op deze datum heeft ook een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de kerkenraad in aanwezigheid van [consulent] en [ouderling te Geldermalsen].

6. Bij brief van 5 januari 2000 heeft de kerkenraad [eiser] onder de eerste trap van censuur geplaatst. Bovendien heeft [eiser] een verbod tot zingen opgelegd gekregen en is hij uit zijn functie van hulpkoster ontheven. [Eiser] heeft hierop op 6 januari 2000 schriftelijk gereageerd en daarbij de verwijten weersproken en bezwaar gemaakt tegen de tuchtrechtelijke maatregelen.

7. Op 18 april 2000 heeft de kerkenraad schriftelijk aan [eiser] bericht dat hem op 5 januari 2000 ten onrechte was meegedeeld dat hij onder de eerste trap van censuur was geplaatst en dat in feite onder stille censuur stond. Het verbod tot zingen is bij de brief van 18 april 2000 ingetrokken. Tevens is hierbij meegedeeld dat in de brief van 5 januari 2000 ten onrechte niet is vermeld dat [eiser] in appèl kan gaan bij de classis en wordt [eiser] alsnog op dit recht gewezen.

8. [Eiser] heeft op 20 mei 2000 een appèlschrift aan de scriba van de kerkenraad gezonden, met het verzoek dit door te zenden naar de scriba van de classis. Deze laatste heeft op 21 juni 2000 de ontvangst van het appèlschrift aan [eiser] bevestigd en daarbij meegedeeld dat een commissie van onderzoek zal worden ingesteld.

9. Op 8 augustus 2000 heeft een gesprek plaatsgehad tussen [eiser] een voornoemde commissie van onderzoek. Van dit gesprek is een verslag gemaakt, dat op 16 augustus 2000 aan [eiser] is toegezonden. [Eiser] heeft bij een vervolggesprek op 24 augustus 2000 zijn schriftelijke commentaar op het verslag aan de commissie van onderzoek overhandigd.

10. Op 3 oktober 2000 heeft de commissie van onderzoek aan de classis gerapporteerd, waarna op 3 november 2000 de classisvergadering ter behandeling van het appèl van [eiser] is gehouden. Bij brief van 9 november 2000 heeft de scriba van de classis aan [eiser] bericht dat de classis zich unaniem met de conclusies van het rapport van de commissie van onderzoek heeft verenigd en dat het appèl ongegrond is verklaard. Voorts wordt [eiser] gewezen op de mogelijkheid om tegen het besluit van de classis in appèl te gaan bij de Synode.

11. [Eiser] is op 23 november 2000 bij de Particuliere Synode in appèl gegaan tegen het classisbesluit.

12. Partijen hebben pogingen ondernomen om te komen tot pastorale gesprekken. [Eiser] heeft telkens te kennen gegeven graag bereid te zijn tot dergelijke gesprekken, doch slechts in aanwezigheid van een door hem aangezochte vertrouwenspersoon, met welke voorwaarde de kerkenraad niet accoord is gegaan.

13. Op 9 maart 2001 heeft de scriba van de Particuliere Synode aan [eiser] bevestigd dat zijn appèlschrift in behandeling was genomen en dat was besloten wederom een commissie van onderzoek in te stellen. Tevens werd [eiser] uitgenodigd voor een gesprek met deze commissie op 29 maart 2001. Bij brief van 14 maart 2001 heeft [eiser] aan de scriba van de Synode bericht dat hij op deze uitnodiging zal ingaan, waarbij hij aankondigde zich te doen vergezellen van zijn raadsman.

14. Ter gelegenheid van het gesprek d.d. 29 maart 2001 is [eiser] te kennen gegeven dat zijn raadsman niet bij het gesprek aanwezig mocht zijn. De Synode verwees daarbij naar een brief d.d. 19 maart 2001 aan [eiser], waarin dit standpunt reeds kenbaar was gemaakt. [Eiser] stelde deze brief niet te hebben gekregen en hem werd vervolgens alsnog een kopie daarvan ter hand gesteld. Bij brief van 6 april 2001 werd [eiser] wederom uitgenodigd voor een gesprek, thans op 19 april 2001. Ter gelegenheid van dit gesprek is [eiser], vergezeld van en bijgestaan door een lid van de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland te Puttershoek, gehoord. Een verslag van dit gesprek is op 24 april 2001 aan [eiser] gezonden, waarna [eiser] zijn schriftelijk commentaar op 28 april 2001 aan de commissie van onderzoek heeft doen toekomen.

15. Op 3 mei 2001 heeft [eiser] het rapport van de commissie van onderzoek d.d. april 2001 ontvangen en is hem meegedeeld dat de appèlbehandeling zal plaatsvinden op 6 juni 2001. Bij deze behandeling is [eiser] niet aanwezig geweest. Op 14 juni 2001 heeft de Synode het appèl van [eiser] ongegrond verklaard.

16. Bij brief van 1 oktober 2001 heeft de kerkenraad [eiser] meegedeeld dat zij van mening is dat [eiser] onvoldoende tekenen van verootmoediging vertoont en dat - indien hierin geen verbetering optreedt - tot aanscherping van de tuchtmaatregel van stille censuur zal worden overgegaan.

17. Op 15 november 2001 is [eiser] door de kerkenraad onder de eerste trap van censuur geplaatst en is hem meegedeeld dat de maatregel van de kansel zal worden afgelezen, zonder dat [eiser]'s naam wordt genoemd, hetgeen inmiddels is geschied.

18. Eind januari 2002 heeft de kerkenraad zich tot de classis-West gewend met het verzoek om goedkeuring te verlenen tot het overgaan van een hogere trap van censuur ten aanzien van [eiser]. Na beraadslagingen van de classis - gepland op 20 maart 2002 - zal [eiser] wederom worden uitgenodigd voor een gesprek en zal eventueel verdere besluitvorming plaatsvinden.

De vordering

19. [Eiser] vordert - kort samengevat - primair met onmiddellijke ingang alle tegen hem getroffen kerkelijke maatregelen van tucht, alsmede zijn ontheffing uit de functie van hulpkoster op te heffen; subsidiair alle tegen hem getroffen kerkelijke maatregelen van tucht op te heffen, danwel primair de kerk te veroordelen tot opheffing van deze maatregelen en [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden als hulpkoster te hervatten; subsidiair de kerk te veroordelen tot opheffing van de maatregelen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag en met veroordeling van de kerk in de kosten van het geding. Hij stelt daartoe het volgende.

20. De kerk heeft jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld en handelt nog steeds onrechtmatig door het (doen) bekrachtigen en handhaven van de tuchtmaatregelen met ontheffing uit de functie van hulpkoster, aangezien de genomen en bekrachtigde besluiten iedere feitelijke en redelijke grondslag missen, er onvoldoende feitenonderzoek is gedaan, er sprake is van willekeur omdat alleen jegens [eiser] maatregelen zijn genomen en er in het licht van de aan [eiser] verweten gedragingen zeer vergaande tuchtmaatregelen zijn opgelegd. Bovendien is een aantal fundamentele rechtsbeginselen geschonden, doordat de regels waarop de kerk zich beroept niet kenbaar, danwel onduidelijk zijn en doordat een deel van de Synode bestaat uit leden van de classis-West, zodat zij derhalve hun eigen beslissing waarvan appèl is ingesteld dienen te beoordelen. Voorts is de rol van de commissies van onderzoek onduidelijk en is rechtsbijstand door een raadsman onmogelijk gemaakt, danwel ernstig bemoeilijkt.

Het verweer

21. De kerk heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. De inhoud van haar verweer zal hierna voor zover nodig nader worden omschreven.

De beoordeling

22. Nu [eiser] zijn vorderingen baseert op een onrechtmatig handelen van de kerk jegens hem, is de burgerlijke rechter, in casu de voorzieningenrechter, bevoegd van het geschil tussen partijen kennis te nemen.

23. Het primaire verweer van de kerk strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen. Dit verweer treft doel. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] tegen het besluit van de kerk hem onder de eerste trap van censuur te plaatsen (zie r.o. 17.) niet in appèl is gegaan bij de classis, zulks terwijl hij thans wel mede opheffing van deze kerkelijke maatregel vraagt. [Eiser] is van mening dat appèl tegen dit besluit nog openstaat, doch dat van een inhoudelijke toetsing van de zaak geen sprake meer zal zijn, hetgeen evenwel door de kerk gemotiveerd wordt betwist. Naar voorlopig oordeel is dan ook voldoende gebleken dat [eiser] de interne kerkelijke rechtsgang ten aanzien van de maatregel van de eerste trap van censuur niet heeft uitgeput. Een eventueel in dit kort geding te houden onderzoek naar de op 5 januari 2000 / 18 april 2000 jegens [eiser] toegepaste maatregel (r.o. 6 en 7) is zonder zin aangezien de verdergaande maatregel van 15 november 2001 (eerste trap van censuur) bedoelde eerdere (stille censuur) omvat.

24. In aanmerking genomen de omstandigheid dat voor de burgerlijke rechter in geschillen als het onderhavige slechts een zeer terughoudende rol is weggelegd is - gelet op het voorgaande - voor ingrijpen door de voorzieningenrechter als door [eiser] gevorderd thans geen plaats en wordt [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

25. Ten overvloede wordt nog overwogen dat, indien de classis in de op 20 maart 2002 geplande vergadering besluit in te stemmen met verdergaande kerkelijke tuchtmaatregelen zoals bedoeld onder r.o. 18. en de kerkenraad daartoe vervolgens besluit, [eiser] ook tegen deze maatregelen appèl kan instellen bij de classis-West en vervolgens bij de Synode, zodat [eiser] in die omstandigheden opnieuw de mogelijkheid heeft de geschillen tussen partijen binnen de kerk te laten toetsen.

26. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

Veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de kerk bepaald op € 703,-- aan salaris van de procureur en € 193,-- aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L.J.M. Heijnen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2002.