Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2002:AD9284

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-02-2002
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
RK 01/324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Registratienummer: RK 01/324

Beschikking van de rechtbank te Dordrecht in de zaak van:

[klager],

geboren [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

hierna te noemen klager.

Klager heeft op 01 maart 2001 de burgemeester van Papendrecht verzocht een verklaring omtrent het gedrag af te geven ten behoeve van de aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een seksbedrijf. Tegelijkertijd heeft klager de betreffende vergunningaanvraag ingediend.

Bij brief van 26 maart 2001 heeft de burgemeester klager meegedeeld dat hij naar aanleiding van ontvangen informatie uit het Justitieel Documentatieregister, op grond van artikel 28 van de Wet op de Justitiële Documentatie en op de verklaringen omtrent het Gedrag -hier nader te noemen WJDG-, advies heeft gevraagd bij de bijzondere commissie van advies en mitsdien de beslissingstermijn, genoemd in artikel 29, 5e lid van de WJDG met vier weken wordt verlengd.

Nadat nog eenmaal genoemde beslissingstermijn met nogmaals vier weken was verlengd, heeft de burgemeester op 23 mei 2001 een op 16 maart 2001 gedateerde verklaring omtrent het gedrag aan klager afgegeven.

Bij brief van 06 november 2001 aan klager heeft de burgemeester de verklaring omtrent het gedrag, reeds aan klager verstrekt op 23 mei 2001, ingetrokken en aan klager meegedeeld dat is besloten voor het aangegeven doel een verklaring omtrent het gedrag te weigeren, onder meer aangevende dat klager binnen 14 dagen na ontvangst van die brief beroep kon instellen bij de rechtbank.

Op 20 november 2001 is ter griffie van de rechtbank een beroepschrift ingekomen, waarbij klager onder meer heeft verzocht voor recht te verklaren dat de weigering van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag geen effect sorteert.

Dit beroepschrift is ingediend bij de sector bestuursrecht en door deze sector, overeenkomstig de WJDG, doorgeleid naar de sector strafrecht, alwaar het beroepschrift is ingekomen op 22 november 2001.

De raadkamer heeft kennisgenomen van de stukken en heeft het klaagschrift op 18 januari 2002 in het openbaar behandeld, ter gelegenheid waarvan de klager, bijgestaan door zijn raadsman, en de officier van justitie zijn gehoord.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het klaagschrift.

Blijkens de nadere toelichting van de raadsman van klager is het de kennelijke bedoeling van klager geweest -kort samengevat- om een klaagschrift in te dienen tegen de weigering van de burgemeester om (alsnog) een verklaring omtrent het gedrag af te geven. De rechtbank zal het beroepschrift aldus verstaan en beoordelen.

De artikelen 449 e.v. van het Wetboek van Strafvordering regelen de wijze waarop gewone rechtsmiddelen moeten worden aangewend. Deze regeling is ook van toepassing op onderhavig klaagschrift.

Uit het klaagschrift blijkt dat de raadsman bepaaldelijk is gevolmachtigd om het klaagschrift te ondertekenen en in te dienen.

In strijd met artikel 449, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is het rechtsmiddel niet aangewend door een verklaring af te leggen op de griffie van deze rechtbank en is mitsdien geen akte opgesteld door de griffier die door deze en degene die de verklaring aflegt, is ondertekend.

Bij gebreke hiervan zal klager derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift.

Overwegingen ten overvloede.

De rechtbank is van oordeel dat onjuiste besluiten hersteld mogen worden, ook ten nadele van de betrokkene en met terugwerkende kracht, mits dat niet in strijd is met de rechtszekerheid. De beoordeling van dit laatste geschiedt aan de hand van de feiten en omstandigheden. Van belang is onder andere:

- in hoeverre de betrokkene er rekening mee moest houden dat het besluit herzien zou worden;

- de periode die is verstreken tussen het nemen van de beslissing en het herstel daarvan.

Klager heeft zich op 01 maart 2001 tot de gemeente Papendrecht gericht met een verzoek tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De gemeente verricht in de periode hierop onderzoek naar klager op basis van diens uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister en diens antecedenten. Ook richt zij een verzoek aan de bijzondere commissie van advies om te adviseren, waarvan op 26 maart 2001 bericht aan klager wordt verzonden en waarin wordt medegedeeld dat derhalve de beslissingstermijn wordt verlengd. Op 23 mei 2001 wordt -na een tweede verlenging van de beslissingstermijn- de verklaring omtrent het gedrag desalniettemin zonder enig voorbehoud aan klager verstrekt. Pas na een half jaar krijgt klager bericht dat het besluit tot afgifte van de verklaring omtrent het gedrag wordt ingetrokken.

De rechtbank merkt op dat de verklaring omtrent het gedrag zonder enig voorbehoud is afgegeven. Weliswaar had de burgemeester -zoals vermeld- op 26 maart 2001 aangegeven eerst nog advies bij de bijzondere commissie van advies in te winnen, doch door vervolgens -na tweemaal de beslissingstermijn met vier weken te hebben verlengd- zonder enig voorbehoud de verklaring omtrent het gedrag af te geven, heeft de burgemeester bij klager het vertrouwen gewekt dat deze verklaring onvoorwaardelijk werd verstrekt en verder geen beletsel zou opleveren bij de procedure rond de verzochte exploitatievergunning.

Indien klager ontvankelijk zou zijn geweest in zijn klaagschrift, zou de klacht dan ook gegrond zijn verklaard nu het rechtszekerheidsbeginsel door het intrekken van het besluit door de gemeente is geschonden.

Klager mocht, rekening houdend met de ruime termijn die de gemeente voor haar besluitvorming heeft genomen, erop vertrouwen dat bij deze beslissing alle in aanmerking komende belangen werden meegewogen en bij die besluitvorming een rol hebben gespeeld, zeker nu ook het advies van de bijzonder commissie van advies is ingewonnen. Klager mocht ervan uitgaan dat de bijzondere commissie ondertussen haar advies had afgegeven, waarop de gemeente is overgegaan tot het verstrekken van de verklaring omtrent het gedrag. Nu de verklaring zonder voorbehoud is afgegeven, hoefde klager -naar het oordeel van de rechtbank- er geen rekening mee te houden dat het genomen besluit eventueel zou worden herzien. Tevens is de periode die is verstreken tussen het afgeven van de verklaring omtrent het gedrag en het intrekken daarvan dermate lang dat klager ervan uit mocht gaan dat de verstrekte verklaring gerechtvaardigd in zijn bezit was.

De verwachtingen die bij klager zijn gewekt zijn van zodanige aard en duurzaamheid geweest dat hij daaraan een rechtens te honoreren aanspraak op diens afgegeven verklaring omtrent het gedrag heeft.

Beslissing:

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door

mr. K.H.J. Puite, voorzitter,

mrs. A.P. Hameete en H.W. Bezemer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.E. de Boom, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2002.