Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2001:AD9311

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
01-06-2001
Datum publicatie
26-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Visserijwet 1963 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 00/406

Uitspraak in de zaak van:

A te B, eiser,

tegen

de Kamer voor de Binnenvisserij, gevestigd te Den Haag, verweerster.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Bij brief van 18 november 1999 heeft eiser bij verweerster een verzoek om verlenging ingediend van de tussen hem als huurder en de Staat der Nederlanden als verhuurder gesloten huurovereenkomst ten aanzien van het aalvisrecht in de Noord.

Bij besluit van 28 januari 2000, verzonden 15 februari 2000, heeft verweerster het verzoek om verlenging ingewilligd in dier voege dat de huurovereenkomst is verlengd voor de duur van zes jaar, ingaande 1 juni 2000 en eindigende 31 mei 2006, onder opneming van de bijzondere voorwaarde dat eiser aan C te D vergunning verleent voor het vissen op aal in het gedeelte van het viswater ten noorden van de lijn van het rode licht (tegenover het Zandgat van Ridderkerk) naar de zuidelijke oever van dat zandgat.

Tegen dit besluit heeft eiser op grond van het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) bij brief van 20 maart 2000 een bezwaarschrift ingediend bij verweerster.

Bij besluit van 7 april 2000, verzonden 18 mei 2000, heeft verweerster haar primaire besluit gehandhaafd onder toevoeging van de bepaling dat de aan C te verlenen vergunning strekt tot verlening van een exclusief recht aan C.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 20 juni 2000, ontvangen 20 juni 2000, beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de rechtbank).

Bij uitspraak van 18 juli 2000 heeft de president van de rechtbank het ter zake ingediende verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb toegewezen en bepaald dat de in het bestreden besluit opgenomen voorwaarde gelezen moet worden als: de huurder is verplicht een privaatrechtelijke vergunning voor het vissen op aal af te geven aan C te D tegen een vergoeding die in redelijke verhouding staat tot de geboden visserijmogelijkheden en de huursom.

Het beroep is ter zitting van de meervoudige kamer van 13 maart 2001 behandeld.

Eiser is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht.

Verweerster is verschenen bij gemachtigden mr. O. van der Heide, voorzitter van de Kamer voor de Binnenvisserij, en J.S. Poelsma, ambtenaar bij de Kamer.

Derde-belanghebbende C is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.A. den Hollander, advocaat te Middelharnis.

De Staat der Nederlanden, verhuurder, is verschenen bij gemachtigden P.J. Kooijman en J.M.M. Couwenhoven.

2. Overwegingen.

Bij besluit van 26 juni 1998, reg. nr. H97-482, heeft verweerster de door de Staat der Nederlanden en eiser aangegane huurovereenkomst ter zake van het aalvisrecht in de rivier De Noord, inclusief De Rietbaan/Strooppot, ingaande 1 juni 1997 en eindigende 31 mei 2000, goedgekeurd. In deze huurovereenkomst was als bijzondere voorwaarde opgenomen dat eiser verplicht was een privaatrechtelijke vergunning voor het vissen op aal af te geven aan C te D tegen een vergoeding die in redelijke verhouding staat tot de geboden visserijmogelijkheden en de huursom.

Bij brief van 18 november 1999 heeft eiser bij verweerster een verzoek om verlenging van deze huurovereenkomst ingediend, zulks nadat partijen in onderling overleg niet tot overeenstemming waren gekomen. Eiser had met name bezwaar tegen de in de door de Staat aan hem aangeboden huurovereenkomst opgenomen voorwaarde, dat hij aan C een exclusieve vergunning diende te verlenen voor het vissen op aal in het gedeelte van het viswater ten noorden van de lijn van het rode licht (tegenover het Zandgat van Ridderkerk) naar de zuidelijke oever van dat Zandgat, groot circa 42 ha.

Bij haar primaire besluit heeft verweerster het verzoek om verlenging toegewezen, onder het stellen van de voorwaarde dat eiser aan C een vergunning verleent voor het vissen op aal in het gedeelte van het viswater ten noorden van de lijn van het rode licht (tegenover het Zandgat van Ridderkerk) naar de zuidelijke oever van dat zandgat. Bij de thans in geding zijnde beslissing op bezwaar heeft verweerster haar primaire besluit gehandhaafd in dier voege dat aan de eerder opgenomen voorwaarde is toegevoegd dat het om het exclusieve recht gaat om te vissen op aal.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft met name bezwaar tegen de door verweerster aan de verlenging verbonden voorwaarde.

In artikel 33 van de Visserijwet 1963 is het volgende bepaald:

1. Een overeenkomst van huur en verhuur van visrecht, voor zover aangegaan voor een

periode van zes jaren, wordt van rechtswege verlengd voor een gelijke periode, tenzij:

a. de verhuurder uiterlijk acht maanden voor het eind van de lopende overeenkomst aan de

huurder een nieuwe overeenkomst van huur en verhuur van visrecht heeft aangeboden of

aan hem schriftelijk te kennen heeft gegeven de overeenkomst van huur en verhuur van het

visrecht niet te willen voortzetten, of

b. de huurder, indien door de verhuurder geen toepassing is gegeven aan onderdeel a, voor

het einde van de lopende overeenkomst aan de verhuurder schriftelijk te kennen heeft

gegeven de overeenkomst van huur en verhuur van het visrecht niet te willen voortzetten.

2. Tenzij de overeenkomst van huur en verhuur van het visrecht is aangegaan voor een jaar

of een periode korter dan een jaar, kan de huurder de Kamer verzoeken de lopende

overeenkomst te verlengen:

a. indien de verhuurder hem een nieuwe overeenkomst heeft aangeboden waarmee hij zich

niet kan verenigen;

b. indien de verhuurder hem te kennen heeft gegeven de overeenkomst niet te willen

voortzetten, of

c. in het geval die overeenkomst is aangegaan voor een andere tijdsduur dan zes jaren.

Dit verzoek wordt ten minste een half jaar vóór het einde van de lopende overeenkomst

gedaan.

3. Een verzoek als bedoeld in het tweede lid kan worden beperkt tot een gedeelte van het

visrecht, waarop de overeenkomst betrekking heeft.

4. De Kamer beslist naar billijkheid, evenwel met inachtneming van het bepaalde in de

volgende leden.

5. De Kamer wijst het verzoek in ieder geval af indien de verhuurder de overeenkomst niet wil

voortzetten wegens de omstandigheid dat de huurder voor het einde van de lopende

overeenkomst de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt of zal bereiken.

6. Indien een doelmatige bevissing van het water, waarop de overeenkomst betrekking heeft

dan wel van het complex van wateren, waartoe dat water behoort, door de toewijzing van het

verzoek zou worden belemmerd, wijst de Kamer het verzoek af dan wel beperkt zij de

verlenging tot een gedeelte van het visrecht.

7. Indien en voor zover de Kamer het verzoek toewijst, stelt zij de duur vast voor welke de

verlenging zal gelden en welke ten hoogste zes jaren zal bedragen.

8. Ingeval de verlenging tot een gedeelte van het visrecht wordt beperkt, stelt de Kamer de

prestatie van de huurder vast.

9. Indien de Kamer een niet overeenkomstig het bepaalde in het derde lid beperkt verzoek tot

verlenging toewijst, kan zij, indien daartoe naar haar oordeel aanleiding bestaat, de prestatie

van de huurder herzien.

10. Indien de Kamer het verzoek geheel of onder beperkingen toewijst, kan zij de

overeenkomst wijzigen of aan haar besluit voorschriften verbinden ter verzekering van de

belangen van de verhuurder of van de bij de uitoefening van het visrecht betrokken

visserijbelangen van derden. Alsdan is artikel 30, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, van

overeenkomstige toepassing.

In het onderwerpelijke geval heeft verweerster een voorschrift opgenomen dat leidt tot een afbakening van het visserijgebied van enerzijds eiser en anderzijds C. Blijkens het bestreden besluit is het aan de orde zijnde voorschrift opgenomen vanwege de omstandigheid dat partijen elkaar niet kunnen verdragen. Uit een oogpunt van doelmatigheid is het, aldus verweerster, absoluut gewenst een splitsing in het gebied aan te brengen, zodat men niet over elkaars viswater behoeft te varen.

Naar het oordeel van de rechtbank betekent het opnemen van deze voorwaarde dat verweerster ingrijpt in een privaatrechtelijke kwestie. Tussen eiser enerzijds en de Staat en C anderzijds bestaat namelijk verschil van mening over de afspraken die onderling gemaakt zijn met betrekking tot de door eiser aan C te verlenen vergunning in het kader van de eerder op 26 juni 1998 goedgekeurde huurovereenkomst. Door het thans in geding zijnde voorschrift op te nemen volgt verweerster de visie van de Staat en C over de gemaakte afspraken.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerster hiermee is gebleven binnen de grenzen van de bevoegdheid welke haar in artikel 33, tiende lid, van de Visserijwet 1963 is toegekend.

Voor de beantwoording van deze vraag heeft de rechtbank de parlementaire geschiedenis van de Visserijwet bezien.

Hieruit blijkt dat een belangrijke doelstelling van deze wet is de bevordering van een doelmatige bevissing van de viswateren. De aan verweerster opgedragen taak moet in dat kader worden geplaatst. Verweerster beslist over vergunningen, huurovereenkomsten of verzoeken om verlenging van overeenkomsten van huur en verhuur van visrecht. Zij heeft hiervoor als instrumenten het weigeren van toestemming c.q. van goedkeuring. Blijkens TK 1995-1996, 21 436, nr. 7, paragraaf 4, is de toetsing van verweerster echter van marginale aard: „Evenmin kan de Kamer afdwingen dat de uit een oogpunt van doelmatigheid optimale bevissing van een bepaald water wordt gerealiseerd. Het enkele feit dat de bevissing doelmatiger zou zijn indien voor een andere wijze van bevissing zou worden gekozen, is onvoldoende grond om toestemming c.q. goedkeuring te weigeren. Dat ook thans al van toepassing zijnde uitgangspunt geldt tevens in gevallen waarin door de splitsing van visrecht een meer optimale situatie in het leven zou kunnen worden geroepen. Ook ten aanzien van de versnippering van visrechten kan de Kamer niet zelfstandig opereren, in die zin, dat zij volledig toetst. De toetsing door de Kamer blijft van meer marginale aard: de toestemming c.q. goedkeuring wordt slechts onthouden indien door de vergunning of de huurovereenkomst de doelmatige bevissing van de wateren in kwestie zou worden belemmerd.“.

Met ingang van 1 september 1999 is aan artikel 33 het tiende lid toegevoegd, op grond waarvan verweerster thans bij verlengingsbeslisssingen de bevoegdheid heeft om voorschriften aan haar besluit te verbinden. In de Memorie van Toelichting (TK 1997-1998, 25795, nr. 3) wordt ter zake overwogen: „Het tiende lid van artikel 33 beoogt, ook voor partijen, een meer efficiënte afhandeling van zaken mogelijk te maken. Het geeft de Kamer de bevoegdheid tot het wijzigen van de overeenkomst of tot het geven van voorschriften.“.

De rechtbank is van oordeel dat uit het systeem van de wet en de wetsgeschiedenis blijkt dat verweerster met name een toetsende taak heeft. Verweerster dient deze taak met terughoudendheid uit te voeren en mag slechts ingrijpen indien een doelmatige bevissing in gevaar komt.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat de taak van verweerster niet zo ver dat ingegrepen kan worden in privaatrechtelijke verhoudingen om zo een gewenste verdeling van visrechten te verkrijgen. Indien de wetgever zulks met de invoering van het tiende lid van artikel 33 had beoogd, zou dit, gelet op de ingrijpende wijziging die dit zou betekenen ten opzichte van het tot dan toe bestaande uitgangspunt van terughoudende toetsing, uitgebreid in de parlementaire geschiedenis aan de orde moeten zijn gekomen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het stellen van de in geding zijnde voorwaarde de bevoegdheid van verweerster, zoals omschreven in artikel 33, tiende lid, van de Visserijwet 1963, te buiten gaat en mitsdien in strijd met de wet moet worden geacht. Het bestreden besluit kan om deze reden niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

Omdat door deze vernietiging het primaire besluit herleeft en in dit besluit eveneens de in geding zijnde voorwaarde is opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening getroffen voorziening doorloopt.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat zij in het vorenoverwogene aanleiding ziet om verweerster met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten welke eiser in dit proces redelijkerwijs heeft moeten maken.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn begroot op f. 1.420,--. Niet gebleken is dat eiser nog andere proceskosten heeft moeten maken.

Beslist wordt als volgt.

3. Uitspraak.

De arrondissementsrechtbank te Dordrecht,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de bij uitspraak van 18 juli 2000 door de president van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening doorloopt tot verweerster opnieuw op bezwaar heeft beslist dan wel, indien hoger beroep wordt ingesteld, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op dit beroep heeft beslist. Deze voorziening houdt in dat de aan het bestreden besluit verbonden voorwaarde gelezen moet worden als:

de huurder is verplicht een privaatrechtelijke vergunning voor het vissen op aal af te geven aan C te D tegen een vergoeding die in redelijke verhouding staat tot de geboden visserijmogelijkheden en de huursom;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op

f. 1.420,--, ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van f. 225,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.M. van Dun, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. J. Brand en mr. J.C. Gerritse, rechters, en door de voorzitter en mr. I. Dijkman, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 1 juni 2001

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.