Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2001:AD7639

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
27-12-2001
Zaaknummer
11.006006.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 11.006006.00

datum uitspraak 20 december 2001

Strafvonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 6 december 2001 op de grondslag van de tenlastelegging.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van het verweer naar voren gebracht door de verdachte en haar raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te

Breda.

2. De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de dagvaarding waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging van verdachte. De tenlastegelegde handelingen zouden hebben plaatsgevonden in het kader van een zodanige relatie tussen verdachte en betrokkene [slachtoffer] dat artikel 338 juncto artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht van analoge toepassing zijn.

Met zijn betoog geeft de raadsman een wel zeer extensieve uitleg aan het begrip “echtgenoot” van artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht. Deze uitleg vindt echter geen enkele steun in het recht. Bovendien heeft de verdachte zelf betoogd dat tussen haar en genoemde [slachtoffer] geen andere relatie dan die tussen een prostituée en haar cliënt bestond.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

4. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 1998 tot en met 08 februari 2000 in Nederland,

meermalen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachoffer] heeft/hebben bewogen tot afgifte van geldbedragen,

hebbende verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht,

· gezegd tegen voornoemde [slachtoffer] dat zij geld nodig had vanwege schulden (bij haar ex), althans woorden van gelijke aard en/of strekking

en

· gezegd tegen voornoemde [slachtoffer] dat zij geld nodig had voor renovatie (van kozijnen) van een woning (Merwedestraat) in verband met het feit dat de kozijnen van voornoemde woning op waren en voor het aanschaffen van een nieuwe inventaris voor genoemde woning in verband met het feit dat door een verbouwing al haar meubels stuk waren gegaan,

en

· zich uitgegeven als eigenaar van een nagelstudio

en

· gezegd tegen voornoemde [slachtoffer]dat geld benodigd was voor de inkoop in en uitbreiding van de inventaris van een nagelstudio, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en vanwege een overstroming in de nagelstudio, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en voor de overname van een schoonheidssalon inclusief personeelsovername in verband met het feit dat het niet goed ging met die schoonheidsalon

en

· gezegd tegen voornoemde [slachtoffer] dat zij een geldbedrag (fl.25000,-) wilde hebben/nodig had voor de aanschaf en het onderhoud van een paard, althans woorden van gelijke aard en/of strekking

en

· gezegd tegen voornoemde [slachtoffer] dat zij overspannen was geraakt en in therapie ging en therapeutisch werd behandeld en daarvoor geld nodig had en dat zij dringend persoonlijke begeleiding nodig had waarbij een persoon genaamd [mededader] als persoonlijk begeleider werd gepresenteerd), althans woorden van gelijke aard en/of strekking

en

· gezegd tegen voornoemde [slachtoffer] dat zij een (gezamelijke) vakantie had geboekt naar het Caraibisch gebied en naderhand tegen voornoemde [slachtoffer] gezegd dat voornoemde vakantie niet doorging omdat ze in het ziekenhuis had gelegen vanwege een blinde darm-operatie, althans woorden van gelijke aard en/of strekking

en

· gezegd tegen voornoemde [slachtoffer] dat de auto van haar broer stuk was gegaan en dat hij (voornoemde broer) een nieuwe auto nodig had om haar te vervoeren naar de inrichting,

· waardoor die [slachtoffer] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 december 1999 tot en met 8 februari 2000 in Nederland, wapens van categorie III, in de vorm van een pistool of een revolver, te weten

· een pistool met de merkaanduiding/inscripties PHOENIX ARMS, model HP25, kaliber .25 en

· een revolver met de merkaanduiding ZASTAVA, model .357 Magnum, kaliber .357,

en munitie van categorie III, te weten

· 9 scherpe kogelpatronen (kaliber 6.35 mm) en

· 6 scherpe kogelpatronen (kaliber .38) en

· 33 scherpe kogelpatronen (kaliber 9 mm Luger) en

· 2 scherpe kogelpatronen (kaliber 9 mm) en

· 44 scherpe kogelpatronen (kaliber .38 Special) en

· 42 scherpe kogelpatronen (kaliber .357 Magnum)

voorhanden heeft gehad;

3.

op tijdstippen in de periode van 17 april 1998 tot en met 6 april 1999 te ‘s-Gravenhage, meermalen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen,

te weten een aangifte omzetbelasting ten name van haar, verdachte ([verdachte]),

in elk geval

-- een aangifte omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak

1e kwartaal 1998

ten name van [verdachte],

gedateerd 15 april 1998

met als aangegeven "Totaal te betalen/terug te vragen" omzetbelasting "f 0,--"

gedaan op 17 april 1998 te ‘s-Gravenhage;

en

-- een aangifte omzetbelasting betreffende het

aangiftetijdvak 2e kwartaal 1998

ten name van [verdachte],

gedateerd 21 juli 1998

met als aangegeven "Totaal te betalen/terug te vragen" omzetbelasting "f 0,--"

gedaan op 27 juli 1998 te ‘s-Gravenhage;

en

-- een aangifte omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 1998

ten name van [verdachte],

gedateerd 28 oktober 1998

met als aangegeven "Totaal te betalen/terug te vragen" omzetbelasting geen aktiviteiten in 3e kwartaal

gedaan op 29 oktober 1998 te ‘s-Gravenhage;

en

-- een aangifte omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak 4e kwartaal 1998

ten name van [verdachte],

gedateerd 26 januari 1999

met als aangegeven "Totaal te betalen/terug te vragen" omzetbelasting "f 0,--"

gedaan op 1 februari 1999 te ‘s-Gravenhage;

en

-- een aangifte omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak 1e kwartaal 1999

ten name van [verdachte],

gedateerd 1 april 1999

met als aangegeven "Totaal te betalen/terug te vragen" omzetbelasting aktiviteiten in 1998 beëindigd

gedaan op of omstreeks 6 april 1999 te ‘s-Gravenhage;

telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk op die bij de Inspecteur der Belastingen te ‘s-Gravenhage ingeleverde aangiften omzetbelasting telkens geen bedrag aan totaal te betalen en/of terug te vragen omzetbelasting opgegeven en vermeld, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte dient hiervan derhalve te worden vrijgesproken.

5. De bewijsmiddelen.

5.1

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De inhoud van de geschriften wordt slechts als bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

5.2 Nadere bewijsoverweging.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde betoogd - kort samengevat - dat er geen sprake is van oplichting nu verdachte slechts conform de in de prostitutiebranche geldende gebruiken heeft gehandeld en dat het handelen van betrokkene [slachtoffer] niet door de norm van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht wordt beschermd.

I. Uitgangspunten bij de bepaling of er sprake is van oplichting zijn de in de maatschappij heersende en aanvaarde algemene waarden en normen. Als algehele ondergrens geldt daarbij te allen tijde het Wetboek van Strafrecht, ook in de branche van de prostitutie. Verdachte heeft door middel van het plegen van de bewezenverklaarde handelingen voornoemde algemene waarden en normen danig overschreden.

II. Door zich met de prostitutiebranche in te laten, heeft genoemde [slachtoffer] zich willens en wetens begeven in een branche waarin afwijkende gebruiken gelden. Daarmee heeft [slachtoffer] zich impliciet geconformeerd aan die gebruiken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat [slachtoffer] wanneer hij de verhalen van verdachte trachtte te verifiëren, telkens stuitte op haar mededaders die telkens verdachtes verhalen bevestigden. De rechtbank is tevens gebleken dat [slachtoffer] een persoon is, waarvan geconcludeerd kan worden dat hij gemakkelijker dan de doorsnee persoon kan worden beïnvloed en bewogen tot afgifte van geldbedragen. Bij [slachtoffer] lijkt een sociale antenne om bepaalde zaken, welke in de persoons- en relatiesfeer liggen, in de juiste verhoudingen te zien, te ontbreken. Verdachte heeft middels de bewezenverklaarde handelingen misbruik gemaakt van deze redelijkerwijs ook door verdachte vast te stellen persoonlijkheid van [slachtoffer].

Zij heeft door middel van de bewezenverklaarde handelingen zodanige omstandigheden gecreëerd dat het voor [slachtoffer], gelet op zijn specifieke persoonlijkheid, verklaarbaar is dat hij in deze bijzondere omstandigheden het bedrog voor waar heeft gehouden.

De rechtbank verwerpt dan ook de verweren.

6. De benoeming van de feiten.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op:

1. MEDEPLEGEN VAN: OPLICHTING, MEERMALEN GEPLEEGD,

strafbaar gesteld bij artikel 326 junctis de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

2. HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT MEER DAN ÉÉN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III,

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET

WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD,

strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie,

3. OPZETTTELIJK EEN BIJ DE BELASTINGWET VOORZIENE AANGIFTE ONJUIST EN ONVOLLEDIG DOEN, TERWIJL HET FEIT ERTOE STREKT DAT TE WEINIG BELASTING WORDT GEHEVEN, MEERMALEN GEPLEEGD,

strafbaar gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

7. De strafbaarheid van verdachte.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, dat strafuitsluitingsgronden van toepassing zijn, zodat verdachte strafbaar is voor de door haar gepleegde feiten.

8. De straf.

8.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

8.2 De verdediging.

De raadsman heeft - naast de eerder genoemde verweren - bewijsverweren gevoerd en op grond daarvan (partieel) vrijspraak bepleit voor hetgeen onder 1. en 2. is tenlastegelegd. Daarnaast heeft hij een strafmaatverweer gevoerd en oplegging van een werkstraf bepleit.

8.3 De door de rechtbank op te leggen straf.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met haar mededaders gedurende de aanzienlijke periode van twee jaar schuldig gemaakt aan oplichting. Zij hebben gedurende die tijd een hele schijnwereld opgebouwd en in stand gehouden voor het slachtoffer [slachtoffer] door als het ware één groot toneelstuk op te voeren. Dit alles slechts met het oogmerk om aanzienlijke geldbedragen te verkrijgen. Verdachte en haar mededaders hebben daarbij het ene leugenachtige verhaal op het andere gestapeld. Deze verhalen werden door [slachtoffer] voor waar aangenomen en konden ook door hem - gelet op zijn persoonlijkheid en de bevestiging welke betrokkene bij verificatie verkreeg van de mededaders - voor waar worden aangenomen. Verdachte speelde in dit samenweefsel van leugens een centrale rol. Zij was de initiatiefneemster en de spin in het web. Zij kwam telkens met nieuwe leugenachtige verhalen om zodoende [slachtoffer] wederom geld af te troggelen. Zij ging daarbij op koelbloedige en niets ontziende wijze te werk met maar één doel voor ogen: zoveel mogelijk geld aftroggelen van [slachtoffer]. Het aftroggelen van geld op een dergelijke wijze en op een schaal zoals hiervoor omschreven is buitengewoon laakbaar en laaghartig. De rechtbank heeft bij verdachte geen scrupules waargenomen, noch ten opzichte van het door haar vertoonde gedrag noch ten opzichte van [slachtoffer]. Dit alles maakt bovengenoemde feiten des te verwerpelijker.

Daarnaast heeft verdachte gehandeld in strijd met de Wet wapens en munitie door 2 vuurwapens en munitie voorhanden te hebben, hetgeen de algemene veiligheid van personen in gevaar kan brengen. Daartegen dient derhalve streng te worden opgetreden.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belastingfraude waardoor aan de Staat der Nederlanden een bedrag van bijna fl. 600.000,-- aan niet betaalde omzetbelasting is onttrokken. De belastingdienst moet - met name in het kader van de omzetbelasting - erop kunnen vertrouwen dat de aangiften omzetbelasting correct zijn. Het omzetbelastingstelsel kan nagenoeg uitsluitend functioneren op basis van voornoemd vertrouwen en ondermijning van dit vertrouwen ondergraaft in ernstige mate het ingevoerde stelsel.

Van het feit dat zij reeds eerder is veroordeeld ter zake vermogensdelicten waaronder oplichting en fraude heeft verdachte zich weinig aangetrokken, althans dat heeft kennelijk weinig indruk op haar gemaakt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat dient te worden gereageerd met een vrijheidsbenemende straf van langere duur.

Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank rekening met de volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte zoals door de deskundige drs. J.J. van der Weele (psycholoog) vastgesteld, welke conclusie de rechtbank overneemt en tot de hare maakt. Zij houdt tevens rekening met de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gebracht in de over haar door de Stichting Reclassering te ’s-Gravenhage, en de deskundigen J. Suithoff (forensisch psychiater) en drs. J.J. van der Weele, voornoemd, opgemaakte rapporten en zoals die ook overigens ter terechtzitting zijn gebleken.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf als door de officier van justitie is geëist; de rechtbank acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden.

De rechtbank heeft bij deze strafoplegging rekening gehouden met het eveneens onder parketnummer 11.006006.00 in de dagvaarding opgenomen ad informandum gevoegde feit, welk feit verdachte ter terechtzitting heeft bekend.

9. De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], thans wonende te [woonplaats], gemachtigde advocaat mr. R.J. Baumgardt, postbus 667, 3200 AP Spijkenisse, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter vergoeding van de schade die geleden is door de in de dagvaarding onder 1. tenlastegelegde feiten. De vordering heeft betrekking op vergoeding van schade ten bedrage van in totaal fl. 5.083.800,--. Ter terechtzitting heeft de advocaat namens de benadeelde partij de vordering gewijzigd in die zin dat thans wordt gevorderd een bedrag van fl. 5.500.000,--, subsidiair een bedrag van fl. 1.224.000,--, meer subsidiair het bedrag dat de rechtbank als het door oplichting verkregen bedrag zal vaststellen.

De officier van justitie en de raadsman achten de vordering niet eenvoudig van aard en de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk.

De rechtbank acht - op grond van het onderzoek ter terechtzitting - de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering, omdat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezenverklaarde strafbare feiten toegebrachte schade.

De rechtbank acht de vordering in ieder geval toewijsbaar tot een bedrag van fl. 1.224.000,--. Verdachte heeft daaromtrent zelf verklaard dat zij dit van betrokkene [benadeelde partij] heeft “losgepraat”. De rechtbank zal dan ook dit bedrag toewijzen bij wijze van voorschot. Ten aanzien van het resterende gedeelte van de vordering is de rechtbank van oordeel dat dit deel niet van zodanig eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal dan ook voor wat dit deel betreft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt.

Naast toewijzing van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de maatregel tot schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Eén en ander met dien verstande dat voldoening aan de maatregel de toegewezen vordering van de benadeelde partij voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door verdachte de opgelegde maatregel doet vervallen.

10. De toegepaste wetsartikelen.

De opgelegde straf en maatregel berusten - behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften - op de artikelen 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht alsmede artikel 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

11. De beslissing.

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in haar vervolging van verdachte.

Verklaart het door de officier van justitie aan verdachte ten laste gelegde bewezen zoals onder 4. omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 6. vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte strafbaar voor de door haar gepleegde feiten en veroordeelt haar tot:

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN DRIE JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de haar opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van fl. 1.224.000,-- (één miljoen tweehonderdvierentwintig duizend gulden) ten behoeve van [benadeelde partij], per adres mr. R.J. Baumgardt, postbus 667, 3200 AP Spijkenisse.

Bepaalt dat in geval noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag zal volgen - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 jaar.

Veroordeelt de verdachte om bij wijze van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], per adres mr. R.J. Baumgardt, postbus 667, 3200 AP Spijkenisse, de som van fl. 1.224.000,-- (één miljoen tweehonderdvieren-twintig duizend gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken - daaronder begrepen de eventuele incassokosten - tot op heden begroot op nihil met bepaling dat de verdachte bij betaling door een ander of anderen ten opzichte van [benadeelde partij] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Bepaalt dat voldoening aan de maatregel de toegewezen vordering van de benadeelde partij voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de geleden schade tot het toegewezen bedrag door verdachte de opgelegde maatregel doet vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij], voornoemd, voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

M.E. Kramer en W.P. Sprenger, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 20 december 2001.