Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2001:AD6418

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
11.005113.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 11.005113.01

datum uitspraak 15 november 2001

Strafvonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen

[Verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 op [geboorteplaats]

wonende te [adres],

heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting met gesloten deuren van 1 november 2001 op de grondslag van de tenlastelegging.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van het verweer naar voren gebracht door verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Hardinxveld-Giessendam.

2. De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de dagvaarding waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.

3. De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, het primair ten laste gelegde bewezen achtend, gevorderd de verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie alsmede jeugddetentie voor de duur van 4 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de Jeugdreclassering.

4. De verdediging.

De raadsvrouw heeft algehele vrijspraak bepleit, alsmede een strafmaatverweer gevoerd.

De pleitnotities van de raadsvrouw zijn gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting.

5. Vrijspraak.

5.1. ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair is ten laste gelegd. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte het meisje heeft gedwongen tot het ondergaan de ten laste gelegde handelingen.

5.2 ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Weliswaar acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de seksuele handelingen als omschreven in de tenlastelegging heeft gepleegd, maar de rechtbank is van oordeel dat die handelingen in dezen niet als “ontuchtig” als bedoeld in artikel 245 Wetboek van Strafrecht aangemerkt dienen te worden. Immers, de handelingen vonden plaats tussen de destijds 14 jaar oude verdachte en een toen 15 jaar oud meisje -die met elkaar een liefdesrelatie hadden gehad- derhalve tussen jeugdigen met een zeer gering leeftijdsverschil.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de parlementaire behandeling van de wijziging van de zedenwetgeving, naar aanleiding van het rapport van de Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving (Commissie Melai). Blijkens die behandeling wordt met het bepaalde in artikel 245 Wetboek van Strafrecht onder meer beoogd bescherming te bieden aan kwetsbare personen, met name 12 tot 16 jarigen, ten opzichte van volwassen personen. Seksueel contact tussen enerzijds een volwassen persoon en anderzijds een 12 tot 16 jarige dient reeds wegens het leeftijdsverschil als “ontuchtig” te worden beschouwd.

Uit die parlementaire behandeling blijkt voorts dat seksuele handelingen tussen jeugdigen onderling, met een gering leeftijdsverschil niet zonder meer als “ontuchtig” dienen te worden beschouwd.

Bijkomende gedragingen van verdachte of bijkomende omstandigheden, die aan die seksuele handelingen een ontuchtig karakter zouden geven, zijn bij het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

De rechtbank zal de verdachte daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

6. De beslissing.

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. H.A.C. Smid, voorzitter,

M.E. Kramer en W.P. Sprenger, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 november 2001.