Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2001:AD5061

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/92
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 01/92

Uitspraak in de zaak van

[eiser] te [X], eiser,

tegen

de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 september 1999 heeft verweerder eiser op grond van artikel 84, eerste lid, sub c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (verder te noemen: Barp) met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de dienst in afwachting van de afronding van het tegen eiser lopende disciplinair onderzoek en van een besluit tot straf van het daartoe bevoegde gezag.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 oktober 1999 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 5 april 2000, kenmerk D 002013, heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang de straf van disciplinair ontslag opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 mei 2000 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 9 januari 2001, kenmerk M 5410u.020, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder, onder wijziging van de motivering van het ontslagbesluit, eisers in beide bezwaarschriften vervatte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 januari 2001, ingekomen op 24 januari 2001, een beroepschrift ingediend bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de rechtbank).

De zaak is op 14 september 2001 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is verschenen en heeft zich doen bijstaan door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Nijkerk.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. B. van Hassel-van Roon, werkzaam bij de bestuursdienst, directie juridische zaken, van de gemeente Rotterdam, en H. de Jong, districtschef van het district “West” van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

2. Overwegingen

Artikel 76, eerste lid, van het Barp bepaalt dat een ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft.

Het tweede lid bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen omvat.

Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan ontslag als straf worden opgelegd.

Op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp kan de ambtenaar worden geschorst wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag het belang van de dienst dit vereist.

In het tweede lid is bepaald dat de ambtenaar in afwachting van de schorsing buiten functie kan worden gesteld door het bevoegd gezag.

Het thans bestreden besluit behelst de handhaving van het schorsingsbesluit alsmede het disciplinair ontslag van eiser, die sinds 1975 in dienst was bij de politie te Rotterdam, laatstelijk in de rang van brigadier van politie en sinds 1 september 1995 in de functie van hoofdmedewerker technische recherche in een district.

Ter zake van de schorsing heeft verweerder gesteld dat het dienstbelang diende te prevaleren boven eisers belang bij terugkeer op de werkplek, dat, gelet op de aan de schorsing voorafgaande buitenfunctiestelling, volgens verweerder, niet groot was.

Ter zake van het disciplinair ontslag heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat er sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit:

1. het langdurig onderhouden van een (intieme) verhouding met mevrouw S. (verder te noemen: S), althans het langdurig onvoldoende distantie betrachten ten aanzien van S, in het bijzonder nadat eiser de wetenschap had verkregen, dat zij een drugsverslaafde was en nadat eiser de wetenschap had gekregen dat zij diverse criminele contacten had, welk gebrek aan distantie onder meer blijkt uit:

a. het ter beschikking stellen van verdovende middelentesters, een electronische grammenweger en een plakbandapparaat, afkomstig van de politiedienst aan S;

b. het volgens de gebruikelijke politieprocedure laten testen van XTC-tabletten bij het gerechtelijke laboratorium (thans Nederlands Forensisch Instituut, verder te noemen: NFI) te Rijswijk ten behoeve van S;

c. betrokkenheid bij een misdrijf in strafrechtelijke zin, te weten het op 14 november 1998 doorleveren van 23 gram cocaïne aan een als drugsgebruiker/verdachte aangemerkt S.

2. het zonder enige noodzaak vervaardigen van beeldmateriaal met apparatuur van de politie dan wel in een werkruimte van de politie;

3. het zonder enige noodzaak in een dienstruimte van de politie fotograferen van een deels ontklede vrouwelijke collega (in verband met het “uitlijnen” van een studio).

Verweerder heeft eiser zeer zwaar aangerekend dat hij jarenlang een intieme relatie heeft onderhouden met de als drugsgebruikster/verdachte bekend staande S. Bij de strafoplegging heeft verweerder de nadruk gelegd op eisers onprofessionele houding in dezen. Verweerder heeft het feit dat eiser door zijn handelen en gedrag het aanzien van de politie en van het regiokorps Rotterdam-Rijnmond in het bijzonder heeft geschaad zodanig ernstig beoordeeld dat deze zware straf rechtvaardig wordt geacht. Ook bij een vermindering van eisers plichtsverzuim in verband met eisers vrijspaak in hoger beroep, acht verweerder het resterende plichtsverzuim zodanig ernstig dat een strafontslag als een evenredige bestraffing wordt gezien.

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit.

Met betrekking tot de schorsing heeft hij gesteld dat het diffamerende karakter van deze maatregel, die volgens hem geen meerwaarde had na de buitenfunctiestelling, de boventoon voert, zodat verweerder niet in redelijkheid tot schorsing heeft kunnen overgaan.

Met betrekking tot het disciplinair ontslag heeft eiser aangegeven van mening te zijn dat hem geen verwijt treft ter zake van de relatie met S. Ook zou de dienst er volgens eiser van op de hoogte zijn geweest en de relatie hebben gebillijkt. Hij heeft voorts ontkend cocaïne aan S te hebben geleverd. Hij heeft in dit verband gewezen op het feit dat hij - na het bestreden besluit - in hoger beroep is vrijgesproken, na in eerste instantie te zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. Eiser heeft voorts ontkend de door verweerder genoemde voorwerpen aan S te hebben gegeven. Hij heeft betwist dat hij misbruik heeft gemaakt van de fotoapparatuur van de politie. Eiser heeft ten slotte betoogd dat verweerder zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen in het strafbesluit en dat het disciplinair ontslag in zijn ogen, gelet op zijn goede staat van dienst en op zijn vrijspraak in hoger beroep, een onevenredige bestraffing is.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.1 Het schorsingbesluit

Voorafgaand aan de schorsing is eiser aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, bestaande uit het leveren van 30 althans 23 gram cocaïne aan S. Eiser heeft vervolgens een maand in voorlopige hechtenis doorgebracht.

Bij besluit van 7 december 1998 is eiser, zodra hij uit zijn detentie zou worden ontslagen, in afwachting van een besluit tot schorsing, buiten functie gesteld en is hem de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen en -terreinen van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond.

Verweerder heeft het op 19 februari 1999 jegens eiser geuite voornemen om eiser te schorsen in eerste instantie niet uitgevoerd omdat eiser ziek was. Wel heeft verweerder naar aanleiding van de zienswijzen aangegeven tot schorsing over te gaan zodra eiser arbeidsgeschikt zou worden bevonden door de bedrijfsarts.

De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn betoog dat de diffamerende werking van de schorsing de boventoon zou voeren vanwege de eerdere buitenfunctiestelling. Eiser miskent met dit betoog dat de buitenfunctiestelling, overeenkomstig het Barp, is geschied in afwachting van de schorsing en dat de buitenfunctiestelling in dit geval bovendien vooraf is gegaan door een schorsing van rechtswege in verband met eisers detentie.

Ter ondersteuning van zijn betoog inzake de diffamerende werking van de schorsing heeft eiser - overigens voor het eerst ter zitting bij de behandeling van het beroep - nog betwist dat er ten tijde van het schorsingsbesluit sprake was van een hersteldverklaring door de bedrijfsarts. De rechtbank stelt vast dat deze stelling niet strookt met de stukken, waaruit blijkt dat eiser voorafgaand aan de schorsing volgens opgave van de politiearts niet langer ziek was.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot handhaving van het schorsingsbesluit.

2.2 Het disciplinair ontslag

Met betrekking tot het door verweerder aan eiser verweten plichtsverzuim stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Sub 1: het langdurig onderhouden van een (intieme) verhouding met S, althans het langdurig onvoldoende distantie betrachten ten aanzien van S:

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser S dertien jaar voor zijn ontslag heeft leren kennen. Zij hebben toen een relatie gekregen, die na enige tijd is verbroken. Na een paar jaar hebben zij opnieuw kort contact met elkaar gehad. Sinds acht jaar voor zijn ontslag wist eiser dat S cocaïne gebruikte. Nadat eiser S enige jaren niet had gezien, ontmoette hij haar in 1996 weer. S vertelde eiser toen over de criminele activiteiten van ene M en van ene H, met wie zij op dat moment trouwplannen had. Eiser heeft S in verband hiermee in contact gebracht met de CID. Naar eisers zeggen vormde de criminele contacten van S de voedingsbodem voor de hernieuwde relatie, die vervolgens is geïntensiveerd en ook seksueel van aard werd.

Sub 1a: het aan S ter beschikking stellen van een aantal van de politiedienst afkomstige goederen:

S beschikte over van de technische recherche afkomstige cocaïnetesters en een plakbandapparaat dat afkomstig was van de technische recherche. Zo eiser deze spullen niet aan S heeft gegeven, heeft hij haar in elk geval de gelegenheid geboden deze spullen weg te nemen, hetzij tijdens een bezoek aan zijn kantoor, hetzij uit zijn dienstkoffer, die hij bij zijn bezoeken aan haar bij zich had.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de bij S aangetroffen cocaïneweger afkomstig is van de technische recherche, aangezien uit verschillende verklaringen blijkt dat dergelijke wegers daar niet worden gebruikt.

Sub1b: het volgens de gebruikelijke politieprocedure laten testen van XTC-tabletten bij het NFI ten behoeve van S:

Eiser heeft twee - naar later bleek XTC - tabletten laten testen bij het NFI. Eiser had de tabletten van S gekregen, met de mededeling dat ze van H afkomstig waren. Eiser heeft de tabletten niet in beslag genomen, noch proces-verbaal opgemaakt van de wijze waarop hij ze heeft verkregen. Hij heeft wel een mutatie van het testen van de tabletten opgemaakt in het eigen computersysteem van de technische recherche. Anders dan te doen gebruikelijk heeft eiser de kopie van het testrapport niet gevoegd in de map met dergelijke rapporten bij de technische recherche, naar zijn zeggen omdat het een geheime CID-kwestie betrof en hij niet wilde dat zijn collega’s daarvan op de hoogte zouden geraken. Eisers stelling dat hij de testresultaten heeft doorgegeven aan een van twee door hem met name genoemde CID-rechercheurs is in tegenspraak met zich in het dossier bevindende verklaringen dienaangaande van deze CID-rechercheurs. Een door eiser bewerkte kopie van het testrapport is in de woning van S aangetroffen.

Sub 1c: betrokkenheid bij een misdrijf in strafrechtelijke zin, te weten het op 14 november 1998 doorleveren van 23 gram cocaïne aan S:

Eiser is ter zake van deze levering vervolgd en in eerste instantie veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. Na het bestreden besluit is hij in hoger beroep vrijgesproken.

Hoewel de rechtbank het op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting mogelijk acht dat eiser de cocaïne aan S heeft geleverd, zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat zulks voldoende aannemelijk is om aan een disciplinaire bestraffing ten grondslag te leggen, aangezien de voorhanden zijnde bewijsmiddelen de mogelijkheid openlaten dat een ander de cocaïne aan S heeft geleverd.

Sub 2 en 3: het zonder noodzaak maken van foto’s met gebruikmaking van apparatuur van de politie en in ruimten van de politie:

Eiser heeft in de periode van 1996 tot 1998 diverse malen met gebruikmaking van apparatuur van de politie en in ruimten van de politie foto’s gemaakt van een aantal vrouwelijke modellen, waaronder een paar collega’s, die in sommige gevallen met een deels ontkleed bovenlijf en/of met requisieten als eisers dienstpistool, een politiepet of een injectiespuit werden afgebeeld. Hij gebruikte fotorolletjes van de politie en liet de foto’s in het politielaboratorium ontwikkelen, zonder daarvoor te betalen.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank verweerder bij de feitenvaststelling niet volgt in de onder 1a genoemde levering van een cocaïneweger aan S en evenmin in het onder 1c genoemde verwijt, de levering van cocaïne aan S.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers resterende handelen terecht aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het wegvallen van het onder 1c genoemde handelen onverlet laat dat eisers handelen vorenbedoelde kwalificatie verdient.

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat van een politieambtenaar zonder meer mag worden verwacht dat hij zich onthoudt van gedragingen die zijn betrouwbaarheid en integriteit en - als gevolg daarvan - de betrouwbaarheid en integriteit van het korps kunnen ondermijnen. Voorts acht de rechtbank verweerders nadere invulling van het begrip plichtsverzuim, zoals dat in dezen aan de orde is, in artikel 3.3 van het door verweerder gehanteerde Integriteitsstatuut van de Nederlandse politie (verder te noemen: het Integriteitsstatuut) niet onjuist. Dit artikel bepaalt dat een politieambtenaar risicovolle contacten in de privésfeer vermijdt en professionele contacten inzichtelijk en bespreekbaar houdt. Met betrekking tot dat laatste heeft verweerder bij invoering van het Integriteitsstatuut binnen het korps algemeen bekendgemaakt dat politieambtenaren die worden geconfronteerd met dilemma’s met betrekking tot de integriteit zulks dienen te bespreken met hun chef, opdat de dienst op de hoogte is en opdat er zonodig afspraken kunnen worden gemaakt en/of maatregelen kunnen worden genomen.

Vanwege het drugsgebruik van S en in het bijzonder vanwege haar contact met personen uit het criminele milieu, is eisers contact met S in de periode van 1996 tot 1998 naar het oordeel van de rechtbank een te vermijden risicovol contact in vorenbedoelde zin. Dat dit contact ook concrete risico’s inhield voor eiser blijkt bij voorbeeld uit het feit dat eisers adres- en telefoongegevens in H’s agenda stonden, naar H’s zeggen “voor het geval hij ooit nog in de problemen zou komen met politie of justitie” alsmede uit de tegen eiser ingestelde vervolging en zijn veroordeling in eerste instantie. Dat laatste geldt in het bijzonder indien, zoals eiser heeft gesteld, zijn vervolging en veroordeling het gevolg zouden zijn geweest van een ‘opzetje’ van S en H, om de aandacht van de werkelijke leverancier af te leiden. Door zijn relatie met S heeft eiser zichzelf derhalve in algemene zin in een positie gebracht die hem - en ook het korps - schade zou kunnen berokkenen, omdat de relatie zou kunnen leiden tot vragen over eisers betrouwbaarheid en integriteit.

Naar het oordeel van de rechtbank roept eisers handelen in het kader van het contact met S, in het bijzonder de door verweerder onder 1a en 1b genoemde voorbeelden, ook concrete vragen op aangaande zijn betrouwbaarheid en integriteit.

Zo is in verband met de bij S aangetroffen, van de technische recherche afkomstige goederen gebleken dat eiser S, van wie hij wist dat ze drugs gebruikte en dat zij criminele contacten had, heeft meegenomen naar de niet voor publiek toegankelijke werkruimte van de technische recherche, waar niet voor haar ogen bestemde inbeslaggenomen goederen uit lopende onderzoeken en werkmaterialen van de technische recherche kennelijk voor het grijpen lagen.

Voor het onder 1b genoemde laten testen van XTC-tabletten geldt dat eiser niet juist heeft gehandeld en dat hij zijn handelen overigens ook niet inzichtelijk heeft kunnen maken.

Met verweerder is de rechtbank namelijk van oordeel dat eiser de verkrijging van de tabletten in ieder geval had dienen te melden bij zijn chef. Verweerder heeft aangegeven dat het verdere onderzoek ter zake van de tabletten zou zijn overgedragen aan een ander. Voor zover de technische recherche daar vervolgens bij zou zijn betrokken, zou eiser, vanwege zijn relatie met S, geen onderzoekshandelingen met betrekking tot de tabletten hebben mogen verrichten. Voorts geldt dat, indien eiser, zoals hij heeft gesteld, de tabletten in zijn hoedanigheid van opsporingsambtenaar heeft laten testen, hij, door de tabletten niet in beslag te nemen en door geen proces-verbaal op te maken van de verkrijging ervan, in strijd heeft gehandeld met de te dien aanzien geldende regels uit het Wetboek van Strafvordering. Eveneens onjuist is het feit dat eiser de tabletten op eigen houtje, zonder enig contact vooraf met de recherche, de CID of het openbaar ministerie heeft laten testen door het NFI. Eisers verklaring voor zijn handelen, te weten dat er sprake zou zijn geweest van een geheim CID-traject, strookt niet met de inhoud van de stukken en is ook overigens niet afdoende. Een en ander laat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde verbaliseringsplicht van opsporingshandelingen alsmede het ontbreken van eisers bevoegdheid buiten het kader van enig onderzoek eigenstandig deze test door het NFI te laten verrichten immers onverlet. Eisers verklaring roept bovendien nieuwe vragen op aangaande zijn betrouwbaarheid en integriteit. Zo valt het meenemen van een testrapport in zijn dienstkoffer, waar S het volgens eiser uit zou hebben gepakt, niet goed te rijmen met het geheime karakter van het rapport dat volgens eiser reden was om van de regels en (intern) gebruikelijke procedures af te wijken.

Eisers stelling dat hem geen verwijt treft ter zake van zijn contact met S stuit af op het voorgaande. Eisers stelling, dat de dienst op de hoogte was en zijn verhouding met S heeft gebillijkt, wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting. Anders dan eiser heeft gesteld, kan zulks niet worden afgeleid uit het feit dat eiser S in contact met de CID heeft gebracht en evenmin uit een gesprek van eiser met zijn chef, nadat hij S in 1996 opnieuw had ontmoet. Wat dat laatste betreft kan slechts worden vastgesteld dat eiser aan zijn chef heeft gemeld dat hij belangrijke informatie van S had gekregen, waarop is besproken dat S in contact met de CID moest worden gebracht. Ter zitting heeft eiser erkend dat de geoorloofdheid van de relatie in dat gesprek niet aan de orde is geweest.

In dit verband overweegt de rechtbank nog dat uit de stukken blijkt dat enige naaste collega’s van eiser, die wisten van eisers relatie met S, hebben verklaard dat zij eiser te kennen hebben gegeven niets met S te maken te willen hebben en dat zij hem hebben gewaarschuwd met betrekking tot deze relatie.

Verweerder heeft het sub 2 en 3 genoemde handelen met betrekking tot - kort gezegd - de foto’s eveneens terecht als plichtsverzuim aangemerkt. Dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het - anders dan verweerder heeft gesteld - algemeen gebruikelijk is bij de technische recherche, in ieder geval bij het regiokorps Rotterdam-Rijnmond, om zonder daarvoor te betalen privérolletjes te laten ontwikkelen in het politielaboratorium, doet daar niet aan af. Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt dat eisers handelen veel verder ging dan dat. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn verklaring voor deze activiteiten, namelijk dat zij noodzakelijk zouden zijn geweest voor het uitlichten van de in 1996 bij de technische recherche in eisers district ingerichte fotostudio en ter vergroting van zijn fotografievaardigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn fotografieactiviteiten de grens van hetgeen in het kader van de dienstuitoefening als nuttig en/of noodzakelijk kan worden geacht overschreden.

Met verweerder is de rechtbank overigens van oordeel dat dit verwijt, hoewel het op zichzelf als een vorm van plichtsverzuim kan worden aangemerkt, slechts een bijkomend element vormt in het aan eiser gemaakte verwijt.

Uit het voorgaande blijkt dat eisers handelen vragen oproept omtrent zijn betrouwbaarheid en integriteit en dat zijn handelen daardoor ook de betrouwbaarheid en integriteit van het korps zou kunnen ondermijnen. Eiser heeft in het bijzonder in strijd gehandeld met artikel 3.3 van het Integriteitsstatuut, waaraan juist in de periode voorafgaand aan de thans aan de orde zijnde feiten binnen het regiokorps bijzondere en uitgebreide aandacht was besteed. Eiser kende het Integriteitsstatuut en kende de hierboven weergegeven, door verweerder voorgestane handelwijze in geval van dilemma’s, bij voorbeeld in privé-contacten, die de dienst raken.

Gesteld noch gebleken is dat eiser geen of een verminderd inzicht in zijn handelen had.

Verweerder heeft eiser, gelet op de hierboven weergegeven feiten, terecht een ernstig verwijt gemaakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze feiten eiser, juist als ervaren politieambtenaar, die een leidinggevende was en derhalve een voorbeeldfunctie vervulde, zwaar moeten worden aangerekend.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder eisers belangen onvoldoende heeft meegewogen in het strafbesluit.

Het voorgaande in aanmerking nemende, acht de rechtbank de straf van disciplinair ontslag niet onevenredig aan het plichtsverzuim waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt. Eisers hiervoor genoemde, aan de bestraffing ten grondslag gelegde handelen rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank deze zware straf, ook na het wegvallen van het mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onder 1c genoemde verwijt, de levering van cocaïne aan S. De rechtbank acht het resterende handelen zodanig laakbaar, dat het de zwaarst mogelijke straf van disciplinair ontslag rechtvaardigt. Eisers handelen roept teveel vragen op over zijn betrouwbaarheid en integriteit om hem nog in zijn functie als politieambtenaar te kunnen handhaven. Zulks geldt zowel binnen het korps, waar eiser als leidinggevende een voorbeeldfunctie had, als naar buiten toe. Het handhaven van eiser als politieman, in weerwil van het door hem gepleegde plichtsverzuim, kan immers de betrouwbaarheid en integriteit van het korps ondermijnen en het voor een juiste uitoefening van de politietaak noodzakelijke gezag van de politie in de maatschappij aantasten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de eerder aangeduide voorbeelden van concrete risico’s aan de relatie met S, die ook deels zijn ingetreden, en naar de concrete vragen die eisers handelen in het kader van de relatie met S oproepen aangaande zijn betrouwbaarheid en integriteit. Aan het voorgaande kunnen eisers goede staat van dienst en zijn onbetwist zwaarwegende belangen bij handhaving van zijn aanstelling niet afdoen.

Het voorgaande leidt tot ongegrondverklaring van het beroep.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank beslist als volgt.

3. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht,

· verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L. de Loor-Alwin, rechter, en door deze en mr. I. Dijkman, griffier, ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op: