Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2001:AD4074

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-10-2001
Datum publicatie
08-10-2001
Zaaknummer
11.015239/00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 11.015239/00

datum uitspraak : 4 oktober 2001.

Strafvonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen

[naam verdachte],

[geboorteplaats en -datum],

[woonplaats],

heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 20 september 2001 op de grondslag van de tenlastelegging.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de verdediging, naar voren gebracht door de verdachte.

2. De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd, hetgeen vermeld staat in de dagvaarding, waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Gelet op de strekking van het bepaalde in artikel 240b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en het belang dat met deze bepaling wordt beschermd leest de rechtbank de tenlastelegging aldus, dat aan verdachte wordt verweten -kort samengevat- dat hij in de ten laste gelegde periode meermalen een afbeelding -of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding- van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in voorraad heeft gehad.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting heeft verdachte begrepen hetgeen aan hem wordt verweten.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke vereisten en is derhalve geldig.

4. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 09 juni 2000 te Dordrecht en/of te Sliedrecht, in elk geval in Nederland, meermalen (96 maal), althans eenmaal, een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke hierna bedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in voorraad heeft gehad, te weten, in elk geval

-zakelijk weergegeven-

- een foto van een (liggend) naakt meisje van rond de 10 jaar oud, waarop door de lichaamshouding de nadruk op de vagina ligt en/of

- een foto van een (zittend) naakt meisje van 11 jaar oud, met een vibrator, althans een op een vibrator gelijkend voorwerp, in de vagina en/of

- een foto van een naakte vrouw zittend op een bed op het geslachtsdeel van een naakte jongen van onder de 10 jaar oud en/of

- een foto van een meisje van rond de 8 en 9 jaar oud met naakt onderlichaam, zittend met de vagina op de mond van een andere persoon en/of

- een of meer foto('s) van naakte meisjes van onder de 10 jaar oud welke vaginaal worden gepenetreerd door de penis van een (telkens) volwassen man en/of

- een foto van een naakte jongen en een naakt meisje van rond de 10 jaar oud, die gemeenschap met elkaar hebben en/of

- een foto van een naakt meisje van rond de 8 en 9 jaar oud, zittend op de buik van een naakte man en/of zittend met de vagina op het gezicht van een vrouw en/of

- een meisje van rond de 11 en 12 jaar oud (leunend tegen een muur) die een wortel in haar vagina duwt en/of

- een foto van een naakt meisje van rond de 11 en 12 jaar oud, dat zit op het onderlichaam van een volwassen man en hem masturbeert en/of

- meerdere foto's van (gedeeltelijk) naakte meisjes van rond de 6 en 13 jaar oud, geposeerd met de nadruk op de geslachtsdelen,

zijnde alle kinderpornografische afbeeldingen.

2.

hij op of omstreeks 09 juni 2000 te Dordrecht zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Overkamppark, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5. De bewijsmiddelen.

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

6. De benoeming van de feiten.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op:

1.

EEN GEGEVENSDRAGER, BEVATTENDE EEN AFBEELDING VAN EEN SEKSUELE GEDRAGING, WAARBIJ IEMAND DIE KENNELIJK DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR NOG NIET HEEFT BEREIKT, IS BETROKKEN, IN VOORRAAD HEBBEN, MEERMALEN GEPLEEGD,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 240b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht;

2.

SCHENNIS VAN DE EERBAARHEID OP OF AAN EEN PLAATS, VOOR HET OPENBAAR VERKEER BESTEMD,

strafbaar gesteld bij artikel 239 aanhef sub 1o van het Wetboek van Strafrecht.

7. De strafbaarheid van verdachte.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, dat strafuitsluitingsgronden van toepassing zijn, zodat verdachte strafbaar is voor de door hem gepleegde feiten.

8. De straf.

8.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten bewezen en heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan deze straf dient als bijzondere voorwaarde gekoppeld te worden dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt dat verdachte een therapie zal moeten ondergaan.

Voorts heeft de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de onder verdachte inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

8.2 De door de rechtbank op te leggen straffen.

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van kinderpornografische afbeeldingen, die hij downloadde van internet en vervolgens opsloeg op de harde schijf van zijn personal computer. Daarmee heeft verdachte de norm dat seksueel misbruik van jeugdigen moet worden tegengegaan ernstig geschonden. Door het op grote schaal verzamelen van kinderporno -de in de bewezenverklaring genoemde gegevensdrager bevatte bijna honderd afbeeldingen- is het verdachte, zij het indirect, mede toe te rekenen dat uiterst laakbare mensonterende handelingen, die plaatsvinden met kinderen van veelal een zeer jonge leeftijd, in stand worden gehouden en bevorderd.

Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat kinderen door betrokkenheid bij seksuele handelingen zoals afgebeeld onder meer grote psychische schade kunnen oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door zich met ontbloot geslachtsdeel in een park te bevinden. Een dergelijke handeling is kwetsend voor het normaal schaamtegevoel en verdient dan ook afkeuring.

Gelet op het vorenstaande, met name de hoeveelheid afbeeldingen die verdachte in voorraad had, acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden. Ten aanzien van de schennis van de eerbaarheid acht zij de oplegging van een geldboete op zijn plaats.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat voorts rekening met de overige omstandigheden betreffende de persoon van verdachte zoals die zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, onder meer uit de voorlichtingsrapportage van de reclassering, alsmede uit het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister. Verdachte is nooit eerder met justitie in aanraking gekomen ter zake van soortgelijke delicten.

Verdachte heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien en hij heeft aangegeven bereid te zijn een behandeling te ondergaan om herhaling in de toekomst te voorkomen. Verdachte heeft daartoe kort na zijn aanhouding zelf contact gezocht met de professionele hulpverlening.

In het vorenstaande vindt de rechtbank aanleiding om de overwogen gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, zulks ook om verdachte te steunen in zijn voornemen niet opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde koppelen dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een nader aan te geven behandeling voor zover en voor zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Rekening houdend met de draagkracht van verdachte acht de rechtbank ten aanzien van de door verdachte begane schennis van de eerbaarheid een geldboete van ƒ 1.000,-- passend en gerechtvaardigd.

De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen. Blijkens de stukken heeft verdachte verklaard dat deze voorwerpen hem in eigendom toebehoren en heeft hij er schriftelijk afstand van gedaan. Vervolgens heeft de officier van justitie een last gegeven als bedoeld in artikel 116, tweede lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen impliceert dat het beslag op de betreffende voorwerpen, ingevolge het bepaalde in artikel 134, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is beëindigd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een beslissing over de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen.

9. De toegepaste wetsartikelen.

De opgelegde straffen berusten, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

10. DE BESLISSING.

De rechtbank beslist als volgt:

Zij verklaart het door de officier van justitie aan verdachte ten laste gelegde bewezen zoals onder 4. omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 6. vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde feiten en veroordeelt hem tot EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN VIER MAANDEN.

Zij beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Zij stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Dordrecht, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van een nader aan te geven behandeling voor zover en voor zolang de reclassering dit (binnen de grenzen van de proeftijd) noodzakelijk acht.

Zij verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Zij bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Zij veroordeelt verdachte tevens tot betaling van een geldboete ten bedrage van

ƒ 1.000,-- (éénduizend gulden), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.A.C. Smid, voorzitter, A.P. Hameete en A.G.H. Gorissen, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 4 oktober 2001.

Door afwezigheid is mr. A.G.H. Gorissen voornoemd buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.