Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2001:AB2533

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
11.006006.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DORDRECHT

parketnummer 11.006006.00

datum beslissing 28 juni 2001

Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: verzoekster,

raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.

1. Het procesverloop.

Ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 28 juni 2001 heeft de raadsman van verdachte een mondeling verzoek gedaan tot wraking van de strafkamer bestaande uit mr. N.J.C. van Spronssen, voorzitter, en mrs. H.A.C. Smid en I.M. Koopmans, rechters. Voornoemde strafkamer heeft daarop het onderzoek ter terechtzitting geschorst.

De onderhavige meervoudige kamer is daarop bijeengekomen ter behandeling van het verzoek. De raadsman alsmede de officier van justitie zijn vervolgens ter terechtzitting gehoord en hebben hun standpunten toegelicht. De rechters van voornoemde strafkamer wiens wraking is verzocht hebben te kennen gegeven dat zij niet wensten te worden gehoord naar aanleiding van het verzoek.

2. Het standpunt van verzoekster.

Namens verzoekster is door haar raadsman een beroep gedaan op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Ten aanzien van de strafkamer wiens wraking is verzocht, zou niet kunnen worden gezegd dat zij onbevooroordeeld over de tenlastegelegde feiten zal oordelen. Bij verzoekster zou een objectief gerechtvaardigde vrees bestaan dat voornoemde strafkamer jegens haar een vooringenomenheid koestert nu diezelfde strafkamer in een drietal zaken tegen medeverdachten reeds uitspraak heeft gedaan waarbij zij feiten en omstandigheden heeft bewezenverklaard en daaraan de kwalificatie (medeplegen van) oplichting heeft verbonden. Op grond daarvan zou door voornoemde strafkamer de schijn van onpartijdigheid zijn geschonden nu ook aan verzoekster gelijksoortige oplichtingshandelingen ten laste zijn gelegd.

3. Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.

4. Beoordeling van het verzoek.

4.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de standpunten van verzoekster en de officier van justitie. Tevens heeft zij kennis genomen van hetgeen aan verzoekster is ten laste gelegd en van de strafvonnissen van voornoemde strafkamer van 24 augustus 2000 inzake [veroordeelde 1] (parketnummer 11.005147.00), [veroordeeld 2] (parketnummer 11.005146.00) en [veroordeelde 3] (parketnummer 11.005148.00).

4.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van

onpartijdigheid van een rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3 De rechtbank heeft vastgesteld dat aan verzoekster (onder meer) ten laste wordt gelegd - kort samengevat - het medeplegen van een aantal specifieke oplichtingshandelingen. Tevens heeft zij vastgesteld dat de betreffende strafkamer met name in haar vonnis van 24 augustus 2000 inzake [veroordeelde 1] voornoemd is gekomen tot bewezenverklaring en kwalificatie van (onder meer) het medeplegen door die verdachte van een aantal specifieke oplichtingshandelingen. In de twee andere hierboven genoemde vonnissen is geen medeplegen of medeplichtigheid van oplichting bewezenverklaard, zodat de rechtbank, gelet op de bewoordingen van het wrakingsverzoek, aanneemt dat het verzoek niet op die zaken doelt.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat in beginsel het feit dat voornoemde strafkamer heeft geoordeeld over een medeverdachte en daarbij is gekomen tot een bewezenverklaring waaraan volgens het Wetboek van Strafrecht de kwalificatie medeplegen - met verzoekster - van oplichting moet worden verbonden, nog niet de conclusie rechtvaardigt dat op grond daarvan bij verzoekster een objectief gerechtvaardigde vrees wordt opgewekt dat die strafkamer een vooringenomenheid zou koesteren ten opzichte van haar.

4.5 In dit specifieke geval echter is de betreffende strafkamer in haar strafmaatmotivering in voornoemd strafvonnis inzake [veroordeelde 1] tevens ingegaan op de strafwaardigheid en de rol van verzoekster in het geheel van feiten en omstandigheden. Voorts komt de naam van verzoekster veelvuldig voor in de bewezenverklaring van dit betreffende strafvonnis. Hierdoor kon bij verzoekster de indruk gewekt worden dat de betreffende strafkamer jegens haar een vooringenomenheid koesterde. Deze vrees voor vooringenomenheid is in dit geval gelet op het bovenstaande objectief gerechtvaardigd te noemen.

De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook toewijzen.

5. De beslissing.

De rechtbank:

Wijst het verzoek tot wraking van de strafkamer bestaande uit mrs. N.J.C. van Spronssen, H.A.C. Smid en I.M. Koopmans toe.

Bepaalt dat het strafproces in de hoofdzaak wordt voortgezet op de terechtzitting van 14 september 2001 te 09.00 uur in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Beveelt dat deze beslissing onverwijld wordt medegedeeld aan de strafkamer van deze rechtbank bestaande uit mrs. N.J.C. van Spronssen, H.A.C. Smid en I.M. Koopmans, en dat daarvan een afschrift wordt verstrekt aan de bij de uitspraak aanwezige verzoekster en de officier van justitie.

Zegt de verdachte en haar raadsman aan op voornoemd tijdstip zonder nadere oproeping wederom aanwezig te zijn.

Aldus gedaan door

mrs. C.G. ter Veer, voorzitter,

M.M. Moolenburgh-Pelser en F.W. van Lottum, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de recht-bank op 28 juni 2001.