Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2000:AA8220

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
11.015258-99 en 11.015101-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DORDRECHT

parketnummers: 11.015258-99 en 11.015101-99 (t.t.z. gevoegd)

volgnummers: 0021 en 0O22

PROCES-VERBAAL TER TERECHTZITTING

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Dordrecht op 30 oktober 2000,

Tegenwoordig als:

politierechter: mr. J.R.G. Jofriet,

officier van justitie: mr- M.A.W. Mol,

griffier: G. Crawfurd.

De politierechter doet de zaken tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte]

geboren te: [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

wonende te: [woonplaats][adres].

Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam.

De politierechter vangt het onderzoek van de zaken onder parketnummers 11015258-99 en 11015101-99 die ter terechtzitting van 18 januari 2000 werden geschorst, opnieuw aan daar thans een andere politierechter zitting heeft.

De rechter is van oordeel, gehoord de officier van justitie, verdachte en diens raadsvrouw, dat voeging van de onder voormelde parketnummers tegen deze terechtzitting afzonderlijk tegen dezelfde verdachte aangebrachte zaken behoort te geschieden en beveelt alsnog de voeging daarvan, aangezien zulks in het belang van het onderzoek is.

De politierechter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede, dat hij niet tot antwoorden vetplicht is.

Met toestemming van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsvrouw worden de zaken als zijnde hier ter terechtzitting door de officier van justitie voorgedragen beschouwd, en worden alle proceshandelingen welke in deze zaak werden verricht als op deze zitting herhaald beschouwd.

De politierechter deelt mede de korte inhoud van:

1. een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 2 september 2000, de verdachte betreffende;

- ten aanzien van parketnummer: 11.015101-99:

2. een ambtsedig proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid, district

Alblasserwaard, nummer PLI820/99-000319, met bijlagen, opgemaakt en ondertekend op 9 februari 1999 door J. Waterham, brigadier van politie Zuid-Holland Zuid, district Alblasserwaard;

-ten aanzien van parketnummer: 11/015258-99:

3. een ambtsedig proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid, district

Alblasserwaard, nummer PL1820/99-001467, met bijlagen, opgemaakt en ondertekend op 8 april 1999 door w. Portenge, brigadier van politie Zuid-Holland Zuid, district Ablasserwaard;

De verdachte, ter terechtzitting door de politierechter ondervraagd, verklaart -zakelijk weergegeven -:

-ten aanzien van parketnummer: 11.015101-.99:

Op 14 januari 1999 te Oud--Alblas heb ik de, mij bekende, [slachtoffer] ontmoet. Het was een geweldloze confrontatie. Ik heb [slachtoffer] noch verbaal bedreigd, noch heb ik hem, met de stok die ik in mijn handen vast had, bedreigd. Ik heb geen slaande bewegingen met de stok in de richting van [slachtoffer] gemaakt. Ik ben van de situatie weggelopen. Ik heb later van deze ontmoeting telefonisch melding gemaakt bij de politie.

-ten aanzien van parketnummer: 11.015258-99:

-feit 1:

Ik ontken op 26 januari 1999 te Alblasserdam een auto te hebben vernield. Ik ben die datum niet op de plaats van het delict aanwezig geweest. Ik denk, dat deze valse aangifte in opdracht van [slachtoffer] is gedaan. [Slachtoffer] maakt mij en het gezin het leven al langer moeilijk door mij te laten intimideren door zijn medewerkers. Soms is hij zelf betrokken bij de pesterijen.

-feiten 2 en 3:

De aan mij ten laste gelegde feiten ontken ik te hebben gepleegd. De aangiften zijn geënsceneerd: De aangever probeert mij op te laten draaien voor deze feiten. Ik zou, vergezeld van twee honden, te zien zijn op de videoband waarop het feit welke op 14 en/of 15 februari 1999 werd gepleegd, geregistreerd is. Ik heb echter maar één hond; de tweede hond is reeds een jaar geleden overleden.

Ik ben getrouwd en ik heb een kind. Ik heb een eigen bedrijf en ik geniet een WAO-uitkering. Mijn verdiensten zijn ongeveer fl. 2500,00 netto per maand, mijn vrouw verdient ongeveer hetzelfde bedrag per maand, Het conflict dat ik heb met [betrokkene] heeft in de aanloop naar deze zitring weer een dieptepunt gekend. Ik word herhaaldelijk op irritante wijze benaderd en geïntimideerd in opdracht van [betrokkene].

De officier van justitie voert het woord ter zake van haar requisitoir en is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten 2, 3 onder parketnummer; 11.015258-99 bewezen zijn. De officier van justitie concludeert tot vrijspraak van feit 1 onder parketnummer: 11.01525899 en van het feit dat onder parketnummer: 11;015101-99 is ten laste gelegd en zij legt haar vordering aan de rechtbank over.

Verdachte en zijn raadsvrouw voeren het woord tot verdediging, De raadsvrouw voert ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 11.01501-99 een bewijsverweer. Met betrekking tot feit 1 (parketnummer: 11.015258-99)voert zij eveneens een bewijsverweer en legt een kopie van een pagina uit de agenda van cliënt aan de rechtbank over, waaruit moet blijken dat cliënt op de pleegdatum niet op de plaats van het delict aanwezig was. Een gewaarmerkt afschrift hiervan is aan dit proces-verbaal gehecht.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 (parketnummer: 11.015258-99) betoogt de raadsvrouw, dat in onderhavige zaak sprake is van observatie door middel van een bewakingscamera opgesteld door burgers in een voor het publiek vrijelijk toegankelijk gebied, te weten een bos welke het eigendom is van Staatsbosbeheer. Een dergelijke observatie maakt onrechtmatige inbreuk op de door artikel 8 EVRM beschermde persoonlijke levenssfeer van niet slechts de verdachte, maar ook van andere personen die zich in het bos ophouden. De raadsvrouw is van mening dat artikel 8 EVRM ook een rol speelt tussen burgers onderling en legt hiertoe een kopie van een pagina van de Parlementaire Geschiedenis over aan de rechtbank waarvan een gewaarmerkt afschrift aan dit proces-verbaal is gehecht. Nu het gebruik van deze videobeelden een ongeoorloofde inbreuk maakt op de privacy van verdachte, is er sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en mag dit derhalve niet als bewijsmiddel dienen in deze zaak. Dit heeft tot gevolg dat de verklaringen bij de politie en de getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris afgelegd door [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en eventueel [getuige 4] en [getuige 5] evenmin als bewijs gebezigd mogen worden. Dientengevolge ontbreekt wettig bewijs van hetgeen aan cliënt wordt verweten en zal hij daarvan derhalve dienen te worden vrijgesproken.

Subsidiair bepleit de raadsvrouw dat haar cliënt, indien de getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris afgelegd desondanks worden gebezigd als bewijs, uit deze beelden niet af te leiden is dat cliënt daadwerkelijk de dader is. Ten aanzien van feit 2 (parketnummer 11.015258-99) voert de raadsvrouw van verdachte een bewijsverweer en legt een kopie van bewijs crematie van een van de honden van haar cliënt aan de rechtbank over. Uit de kopie moet blijken dat cliënt niet twee, maar één hond bezat ten tijde van het plegen van het delict. Volgens de raadsvrouw is de verklaring van [betrokkene] in het proces-verbaal van politie, dossierparagraaf 2.1.5, waarin hij verklaart dat cliënt met twee honden liep, dan ook niet de juiste weergave van de werkelijkheid. Een gewaarmerkt afschrift is aan dit pr0ces-verbaal gehecht.

Meer subsidiair bepleit de raadsvrouw, dat indien het tot een veroordeling van cliënt komt, de politierechter overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Startrecht geen straf of maattegel zal opleggen in verband met de persoonlijkheid van cliënt, daar deze als gevolg van de onderhavige situatie onder behandeling is geweest van een psycholoog.

De officier van justitie voert andermaal het woord.

De raadsvrouw dupliceert.

Aan de verdachte wordt her recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Er moet een einde komen aan deze situatie. Ik wil met rust worden gelaten door de [betrokkene] en/of zijn medewerkers.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS

1. Inhoud van de tenlasteleggingen

Overeenkomstig de dagvaardingen.

2. Vrijspraak

De politierechter acht de ten laste gelegde feiten onder 1,2 en 3 (parketnummer:

11.015258-99) en het ten laste gelegde feit onder parketnummer 11.015101-99 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 (parketnummer; 11.015258-99) houden de zich in het onderhavige strafdossier bevindende proces-verbaal van politie, dossiernummer PI.1820/99-001467 en de getuigenverklaringen zoals afgelegd bij de rechter-commissaris in, dat de verdachte is herkend door onder meer aangever, [de betrokkene], als de persoon die een hangbrug vernielt en een paal met een reclamebord uit de grond trekt en dit bord vervolgens in het water gooit.

De getuigen verklaren verdachte te hebben herkend aan de hand van videobeelden die zijn verkregen, doordat de aangever -directeur van Kano- en recreatiecentrum [naam] -een toezichtcamera in het Alblasserbos Matena heeft geïnstalleerd. Het cameratoezicht was gericht op goederen die toebehoorden aan het kano- en recreatiecentrum en registreerden de aldaar aanwezige personen en hun handelen. Dit Alblasserbos Matena is een voor het publiek vrijelijk toegankelijke, openbare ruimte en is bovendien eigendom van Staatsbosbeheer en niet van het Kano- en recreatiecentrum de [naam] noch van enig ander particulier persoon. De getuigen, hebben middels de beschikbare videobanden belastende verklaringen afgelegd tegen verdachte.

De politierechter acht dergelijk door burgers ingesteld cameratoezicht in publieke ruimten een inbreuk op artikel 8 EVRM. De waarneming en observatie -hoewel -niet stelselmatig vormen een inbreuk op het beschermde recht op de eerbiediging van het privé-leven van de verdachte en dat van andere, in het Alblasserbos Matena, aanwezige personen. Het privé-leven bevindt zich ook daar waar verdachte zich niet fysiek op "eigen terrein” bevond en laat z1ch derhalve niet ruimtelijk begrenzen. Aldus zal met de intimiteit van de persoonlijkheid van anderen rekening moeten worden gehouden. Verdachte en andere aldaar aanwezige personen hebben bovendien geen kennis gedragen van de aanwezigheid van de toezichtcamera, noch van het feit dat zij gefilmd werden en dat hun beeltenis op videoband werd vastgelegd, doordat geen waarschuwingsuitingen of bordjes duidelijk zichtbaar en/ of aanwezig waren.

Inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het recht op respect voor het privé-leven is krachtens artikel 8 EVRM niet toegestaan dan voor zover bij de wet voorzien. Bovendien zijn de inbreuken die op dit recht worden gemaakt, onderhevig aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De politierechter is van mening dat zulks in dit: geval ook geldt voor de verhouding tussen burgers onderling. Dat wil zeggen dar burgers elkaars recht op eerbiediging Voor het privé-leven eveneens dienen te respecteren. De politierechter is van oordeel dat artikel 8 EVRM niet uitsluitend voorde overheid, maar tevens voor de burger een verplichting in het leven roept. Aan deze bepaling komt dan ook (directe) horizontale werking toe.

In onderhavig geval is de inbreuk op de bepaling van artikel 8 EVRM niet volgens de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu burgers andere burgers in een publiek terrein op videoband vastleggen en het hiermee voor mensen onmogelijk wordt om op een voor het publiek toegankelijke ruimte ongestoord te verblijven. Met dergelijk cameratoezicht door burgers geïnitieerd, worden fundamentele rechten van burgers geschonden, terwijl eenzodanige inbreuk in een democratische samenleving niet door het maatschappelijk belang en/of openbare orde wordt gevergd.

Her bewijs dat met behulp van de toezichtcamera, zonder dat daartoe een wettelijke basis aanwezig is, werd verkregen, mag dan ook niet langs deze weg, dat wil zeggen via burgers, toch worden gebruikt door het openbaar gezag. Mitsdien zijn de videobanden op onrechtmatige wijze verkregen en de daarop gebaseerde verklaringen die direct voortvloeien uit het gebruik van de videobeelden daarmee verworden tot een verboden vrucht en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Aangezien met inachtneming van voorgaande het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, dient de verdachte te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten 2 en 3 op de dagvaarding met parketnummer 11.015258-99.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.