Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2000:AA6957

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
31-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
11.005066.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 11.005066.00

datum uitspraak 31 augustus 2000

Strafvonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Almere Binnen te Almere, Caissonweg 2

heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2000 op de grondslag van de tenlastelegging.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de verdediging, naar voren gebracht door de verdachte en zijn raadsman mr. K.H. May, advocaat te Dordrecht.

2. De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de dagvaarding en in de vordering van de officier van justitie tot wijziging van de tenlastelegging. Van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn afschriften in dit vonnis gevoegd.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Namens verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat ten aanzien van het in de dagvaarding onder 6. tenlastegelegde feit de officier van justitie niet-ontvankelijk zou zijn, aangezien een juiste klacht zou ontbreken.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Artikel 247 derde lid van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat in de gevallen dat de in het eerste lid van dat artikel bedoelde persoon beneden de leeftijd van zestien jaren, twaalf jaren of ouder is, vervolging slechts plaats heeft op klacht. Voor vervolging ten aanzien van ontuchtige handelingen gepleegd met een persoon beneden de twaalf jaren geldt dit klachtvereiste niet. Nu het in de dagvaarding onder 6. tenlastegelegde feit betrekking heeft op een periode dat het desbetreffende slachtoffer nog niet de leeftijd van twaalf jaren had bereikt, vindt het verweer van de raadsman geen steun in het recht en dient derhalve te verworpen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat overigens uitdrukkelijk is gebleken van de wil van het desbetreffende slachtoffer dat tot vervolging van verdachte zal worden overgegaan en dat ook om die reden het betoog van de raadsman niet opgaat.

Nu ook overigens niet van feiten of omstandigheden is gebleken die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten leiden, is de officier van justitie dus ontvankelijk in de vervolging.

4. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op of omstreeks 26 januari 2000 te Sliedrecht en/of te Giessenburg, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of genoemde [slachtoffer] tot het plegen en/of dulden van (een) zodanig(e) handeling(en) heeft verleid, bestaande die ontuchtige handeling(en) hierin dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, het geslachtsdeel van die [slachtoffer] heeft betast en/of die [slachtoffer] het geslachtsdeel van hem, verdachte, heeft laten betasten.

2.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 1999 tot en met 01 februari 2000 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, en/of te Gorinchem, in elk geval in met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of genoemde [slachtoffer] tot het plegen en/of dulden van (een) zodanig(e) handeling(en) heeft verleid, bestaande die ontuchtige handeling(en) hierin dat hij, verdachte, die [slachtoffer] (telkens) aan diens geslachtsdeel heeft betast en/of die [slachtoffer] (telkens) het geslachtsdeel van verdachte heeft laten betasten en/of die [slachtoffer] een of meerdere malen heeft afgetrokken en/of zich door die [slachtoffer] een of meerdere malen heeft laten aftrekken.

3.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van zomer 1998 tot en met 14 oktober 1999 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of genoemde [slachtoffer] tot het plegen en/of dulden van (een) zodanig(e) handeling(en) heeft verleid,

bestaande die ontuchtige handeling(en) hierin dat hij, verdachte, (telkens) het geslachtsdeel van die [slachtoffer] heeft betast en/of die [slachtoffer] het geslachtsdeel van hem, verdachte, heeft laten betasten.

4.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 1995 tot en met 31 december 1999 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, en/of te Gorinchem, in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], immers heeft hij, verdachte (telkens), genoemde [slachtoffer] afgetrokken en/of zich laten aftrekken door genoemde [slachtoffer], althans het geslachtsdeel van die [slachtoffer] betast en/of zijn, verdachtes, geslachtsdeel laten betasten door die [slachtoffer].

5.

in of omstreeks de periode van 1 mei 1997 tot en met 31 augustus 1997 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of genoemde [slachtoffer] tot het plegen en/of dulden van (een) zodanig(e) handeling(en) heeft verleid, bestaande die ontuchtige handeling(en) hierin dat hij, verdachte, het (ontblote) geslachtsdeel van genoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of betast.

6.

in of omstreeks de periode van 1 november 1995 tot en met 1 maart 1996 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of genoemde [slachtoffer] tot het plegen en/of dulden van (een) zodanig(e) handeling(en) heeft verleid, bestaande die ontuchtige handeling(en) hierin dat verdachte, een bovenbeen van die [slachtoffer] heeft betast en/of het geslachtsdeel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of betast.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte dient hiervan derhalve te worden vrijgesproken.

5. De bewijsmiddelen.

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstan-digheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

6. De benoeming van de feiten.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op:

feiten 1, 2 en 3, telkens:

het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht

feit 4:

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht

feiten 5 en 6, telkens:

het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht

7. De strafbaarheid van verdachte.

Namens verdachte is door de raadsman betoogd dat verdachte niet-toerekeningsvatbaar zou zijn voor de door hem gepleegde feiten en dat verdachte derhalve niet strafbaar zou zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Omtrent verdachte is door zowel de psycholoog als de psychiater gerapporteerd. Zowel de psycholoog drs. J.M.A. Smeele in haar rapport d.d. 11 mei 2000 als de psychiater Th. J.G. Bakkum in zijn rapport d.d. 11 juli 2000 komen tot de conclusie dat verdachte voor de hem ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt, gelet op het onderzoek ter terechtzitting, die conclusie over en maakt die tot de hare. Daaruit volgt dat verdachte, zij het in verminderde mate, toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor de door hem gepleegde feiten

Bij het onderzoek ter terechtzitting is ook overigens niet gebleken dat strafuitsluitingsgronden van toepassing zijn, zodat verdachte strafbaar is voor de door hem gepleegde feiten.

8. De straf.

8.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, vrijspraak vorderend van het in de dagvaarding onder 4. tenlastegelegde feit, gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden (met aftrek van voorarrest) alsmede de onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling van verdachte.

8.2 De verdediging.

De raadsman van verdachte heeft, naast de hiervoor onder 3 en 7 weergegeven verweren, vrijspraak bepleit van de in de dagvaarding onder 3. en 4. tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft hij een strafmaatverweer gevoerd.

8.3 De door de rechtbank op te leggen straf en maatregel.

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke om-stan-digheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en de omtrent verdachte uitgebrachte rapportages.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking geno-men.

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zeer jonge jongens. Daarbij heeft verdachte het geslachtsdeel van deze jongetjes betast en zijn eigen geslachtsdeel door deze jongetjes laten betasten, en heeft hij in sommige gevallen zich ook door deze jongetjes laten aftrekken en hen afgetrokken. Aldus heeft verdachte, door misbruik te maken van het overwicht dat hij op grond van zijn leeftijd op de slachtoffers had, op actieve wijze de slachtoffers op te jonge leeftijd geconfronteerd met seksueel gedrag waarvan zij gevrijwaard hadden dienen te blijven. Verdachte heeft evenwel klaarblijkelijk alleen oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging en zich niet bekommerd om de fysieke integriteit en gevoelens van de slachtoffers en om het risico op psychische en ontwikkelingsgerelateerde problemen op korte en langere termijn voor hen. Bovendien veroorzaken dergelijke delicten niet alleen psychische schade bij de slachtoffers maar ook gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving in het algemeen. De rechtbank rekent verdachte een en ander zeer ernstig aan. Op dergelijke feiten dient in beginsel gereageerd te worden met een gevangenisstraf van langere duur.

Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank in aanmerking de omtrent verdachte uitgebrachte rapportages, waaronder het rapport van de psychiater Th.J.G. Bakkum d.d. 11 juli 2000. In dat rapport heeft de psychiater onder meer - zakelijk weergegeven - het navolgende overwogen:

Betrokkene blijkt een emotioneel onvolgroeide man, die nauwelijks sociaal inzicht lijkt te hebben. Rond de pedofilie bestaan bij betrokkene cognitieve dystorsies. Hij heeft geen helder besef van zijn problematiek en neigt sterk tot irreële ideeën over genezing. Er is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, theatrale en borderline trekken. Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een gemengde persoonlijkheidsstoornis die vooral gekenmerkt wordt door emotionele onvolgroeidheid. Deze persoonlijkheidsstoornis is de resultante van een aanlegfactor in betrokkene en omgevingsinvloeden. De pedofilie is een belangrijk onderdeel van betrokkenes persoon geworden. Voor de hem ten laste gelegde feiten is betrokkene op grond van zijn persoonlijkheidsstoornis en de daarbij verstoorde psychoseksuele ontwikkeling verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Betrokkene behoeft therapie. De kans op recidive is groot. Een hernieuwde poging tot ambulante behandeling, maar dan intensiever en onder strikte voorwaarden, is het overwegen waard. De maatregel van TBS met voorwaarden lijkt gepast.

De rechtbank neemt gelet op het onderzoek ter terechtzitting deze conclusies over en maakt die tot de hare. Zij acht, gelet op het aanwezige gevaar voor recidive en het gevaar voor de algemene veiligheid van personen, het noodzakelijk dat verdachte zal worden behandeld.

De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen de rapportage van de psycholoog drs. J.M.A. Smeele d.d. 11 mei 2000. Ook de psycholoog concludeert dat de feiten verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend, dat het recidive-risico groot is en een behandeling van verdachte noodzakelijk is. Anders dan de psycholoog, is de rechtbank evenwel van oordeel dat (vooralsnog) niet gebleken is dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dwangverpleging van verdachte eist.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het adviesrapport van de reclassering d.d. 21 juli 2000 en de daarin opgenomen afspraken met verdachte omtrent eventueel te stellen voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat verdachte zich zal laten behandelen in een centrum voor ambulante forensische psychiatrie. Deze behandeling zou, in de vorm van een dagbehandeling, kunnen geschieden in “Het Dok” te Rotterdam. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven bereid te zijn zich te laten behandelen en de voorwaarden na te leven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld onder de voorwaarden zoals vermeld in vorengenoemd adviesrapport van de reclassering, welke voorwaarden door de rechtbank zullen worden overgenomen.

9. De vorderingen van de benadeelde partijen.

Ter vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de aan verdachte ten laste gelegde feiten hebben zich middels het voegingsformulier zoals bedoeld in artikel 51b eerste lid van het Wetboek van Strafrecht als benadeelde partij gevoegd de navolgende personen:

ten aanzien van feit 1:

[benadeelde partij], met een vordering ten bedrage van

f 5.275,12, bestaande uit f 4.000,-- immateriële schadevergoeding en een vergoeding voor schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen, reiskosten en administratiekosten;

ten aanzien van feit 2:

[benadeelde partij] met een vordering ten bedrage van f 16.959,--, bestaande uit f 8.000,-- immateriële schadevergoeding en een vergoeding voor schade als gevolg van dokterskosten, reiskosten, huur- en verblijfkosten vakantiewoning, omzetverlies en opnemen vakantiedagen van de ouders en kosten voor rechtsbijstand;

ten aanzien van feit 3:

[benadeelde partij] met een vordering ten bedrage van f 8.000,-- (immateriële schadevergoeding).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen voor zover het immateriële schadevergoeding en vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand betreft. Namens verdachte heeft de raadsman de vorderingen op onderdelen betwist.

De rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen als direct gevolg van de bewezenverklaarde feiten immateriële schade hebben geleden, nu het als een feit van algemene bekendheid moet worden beschouwd dat jeugdige slachtoffers van ontucht daarvan in enigerlei vorm psychische schade ondervinden. De vorderingen zijn in zoverre dus gegrond. De rechtbank merkt daarbij evenwel op dat de omvang van deze schade vooralsnog onvoldoende inzichtelijk is. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zonder vooralsnog onderscheid te maken tussen de verschillende benadeelde partijen - aan ieder van de benadeelde partijen bij wijze van voorschot een bedrag van f 4.000,-- toe te wijzen. Ook zal de rechtbank verdachte verwijzen in de door [benadeelde partij] gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De vorderingen zullen voor het resterende gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard aangezien de vorderingen voor het overige niet eenvoudig van aard zijn. Dat resterende gedeelte van de vordering zullen de benadeelde partijen kunnen aanbrengen bij de burgerlijke rechter waarbij zij alsnog de mogelijkheid zullen hebben om eventuele meerdere door hen geleden (materiële en immateriële) schade aan te tonen.

Naast toewijzing van de civiele vorderingen, zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Een en ander met dien verstande dat volledige voldoening aan de maatregel de respectieve toegewezen civiele vordering doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de gehele schade tot het toegewezen bedrag door verdachte en/of derden de respectieve opgelegde maatregel doet vervallen.

10. De toegepaste wetsartikelen.

De opgelegde straf en maatregelen berusten, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 24c, 36f, 37a, 38, 38a en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing.

De rechtbank beslist als volgt:

Zij verklaart het door de officier van justitie aan verdachte ten laste gelegde bewezen zoals onder 4. omschreven.

Zij verklaart dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 6. vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde feiten en veroordeelt hem tot

een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Zij bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde straf in mindering wordt gebracht.

Zij gelast de terbeschikkingstelling van verdachte.

Zij stelt als voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde dat hij:

zich zal laten behandelen in het centrum voor ambulante forensische psychiatrie “Het Dok” te Rotterdam;

zich zal onthouden van het plegen van strafbare feiten;

zich zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen;

de door de behandelend arts voorgeschreven geneesmiddelen zal innemen dan wel zal gedogen dat deze door de behandelend arts aan hem worden toegediend;

zich niet aan het toezicht van “Het Dok” zal onttrekken;

zich niet aan de therapie hem gegeven door “Het Dok” zal onttrekken;

de afspraken gemaakt met de Stichting Reclassering Nederland zal nakomen;

de aanwijzingen hem door of namens “Het Dok” gegeven zal naleven.

Zij verstrekt aan de Stichting Reclassering Nederland opdracht om aan de ter beschikking gestelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

- Zij veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van f 4.000,-- (vierduizend gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op f 822,50 (achthonderdtweeëntwintig gulden en vijftig cent).

Zij verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk voor het resterende gedeelte van zijn vordering en bepaalt dat dit gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Zij legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van f 4.000,-- (vierduizend gulden) ten behoeve van [benadeelde partij].

Zij bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen.

Zij bepaalt dat voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering tot dat bedrag doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van geleden schade tot het toegewezen bedrag door de veroordeelde en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

Zij veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van

f 4.000,-- (vierduizend gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil.

Zij verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk voor het resterende gedeelte van zijn vordering en bepaalt dat dit gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Zij legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van f 4.000,-- (vierduizend gulden) ten behoeve van [benadeelde partij].

Zij bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen.

Zij bepaalt dat voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering tot dat bedrag doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van geleden schade tot het toegewezen bedrag door de veroordeelde en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

Zij veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van

f 4.000,-- (vierduizend gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil.

Zij verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk voor het resterende gedeelte van zijn vordering en bepaalt dat dit gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Zij legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van f 4.000,-- (vierduizend gulden) ten behoeve van [benadeelde partij].

Zij bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen.

Zij bepaalt dat voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering tot dat bedrag doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van geleden schade tot het toegewezen bedrag door de veroordeelde en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. H.M. Behrens, voorzitter,

H.A.C. Smid en C.M. van Esch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. F.J.P. Lock, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 31 augustus 2000

Mrs. Smid en Van Esch zijn wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.