Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:1999:AA7088

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
03-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
11.006006/99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 11.006006/99

datum uitspraak : 3 augustus 1999.

Strafvonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht.

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel,

heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 15 en 16 april 1999 en - na heropening van het onderzoek - ter terechtzitting van 20 juli 1999 op de grondslag van de tenlastelegging.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de verdediging, naar voren gebracht door de verdachte en zijn raadsman mr. D.S. Urcun, advocaat te Capelle aan den IJssel.

2. De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd, hetgeen vermeld staat in de dagvaarding, waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.

3.1 Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in de dagvaarding onder 1. primair en subsidiair, 2. primair en subsidiair, 3. primair, subsidiair en meer subsidiair en onder 4. is ten laste gelegd. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

3.2. De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 10 januari 1999 te Gorinchem met anderen, op de openbare weg, de Kerksteeg aldaar, openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen een toegangsdeur van (muziek)café Bacchus, welk geweld bestond uit

- het slaan tegen voornoemde toegangsdeur en

- het schoppen tegen voornoemde toegangsdeur en

- het afvuren met een pistool van kogels op voornoemde toegangsdeur.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte dient hiervan derhalve te worden vrijgesproken.

4. De bewijsmiddelen.

De overtuiging van de rechtbank, dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De benoeming van het feit.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op:

OPENLIJK MET VERENIGDE KRACHTEN GEWELD PLEGEN TEGEN GOEDEREN,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken, dat strafuitsluitingsgronden van toepassing zijn, zodat verdachte strafbaar is voor het door hem gepleegde feit.

7. De straf.

7.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft - met bewezenverklaring van de in de dagvaarding onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 4. ten laste gelegde feiten - gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft hij zich uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij.

7.2 De verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

7.3 De door de rechtbank op te leggen straf.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Nadat verdachte, zijn zwager en diens broer na een onenigheid in muziekcafé "Bacchus" buiten de deur waren gezet, zijn zij korte tijd later teruggekeerd en hebben zij tegen een toegangsdeur van "Bacchus" staan schoppen en slaan. Eén van hen heeft met een pistool meerdere kogels afgevuurd op de deur.

De kogelregen had een verwoestende uitwerking. [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer], die zich kort achter de toegangsdeur in de garderobe bevonden, werden door de kogels getroffen. [slachtoffer] (18 jaar) overleed dezelfde dag in het ziekenhuis en [slachtoffer] (net 17 jaar geworden) bezweek een dag later aan haar verwondingen. [slachtoffer] overleefde de kogelregen en raakte gewond aan haar schouder.

Hoewel de rechtbank niet bewezen acht dat door toedoen van deze verdachte twee onschuldige meisjes het leven hebben verloren en een ander meisje gewond is geraakt, rekent de rechtbank de verdachte daarentegen wel zwaar aan dat hij, samen met zijn zwager en diens broer is teruggekeerd naar "Bacchus" ter beslechting van een caféruzie - waar de slachtoffers absoluut niets mee van doen hadden - waarna het fatale schietincident heeft plaatsgevonden. Een ernstiger vorm van "zinloos" geweld is welhaast ondenkbaar.

Vol afschuw en verbijstering, maar bovenal vol onbegrip heeft de samenleving gereageerd op de dramatische gebeurtenis bij "Bacchus". De massale deelname aan de stille tocht door de binnenstad van Gorinchem enkele dagen later heeft dat ondubbelzinnig duidelijk gemaakt.

Gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit en de hierboven geschetste omstandigheden kan niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur worden opgelegd.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf voorts rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die - door de zwijgzaamheid van verdachte - uiterst summier zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, een passende en gerechtvaardigde sanctie en zij zal de verdachte dan ook tot die straf veroordelen.

8. De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter vergoeding van de schade die zij heeft geleden met betrekking tot het in de dagvaarding onder 3. ten laste gelegde feit. Zij heeft gesteld een schade van ¦ 1.943,-- te hebben geleden.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot een derde van het gevorderde bedrag.

Namens verdachte is door de raadsman de aansprakelijkheid betwist.

De benadeelde partij wordt in de vordering niet ontvankelijk verklaard nu de gevorderde schade niet rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

9. De toegepaste wetsartikelen.

De opgelegde straf berust op het reeds aangehaalde wettelijk voorschrift.

10. DE BESLISSING.

De rechtbank beslist als volgt:

· Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de in de dagvaarding onder 1. primair en subsidiair, 2. primair en subsidiair, 3. primair, subsidiair en meer subsidiair en onder 4. ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het door de officier van justitie aan verdachte overigens ten laste gelegde bewezen zoals onder 3.2 omschreven.

Zij verklaart, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 5. vermelde strafbare feit.

· Zij verklaart verdachte strafbaar voor het door hem gepleegde feit en veroordeelt hem tot

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN NEGEN MAANDEN.

Zij bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

· Zij heft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

· Zij verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mrs. K.H.J. Puite voorzitter, M. Hillen en N.J.C. van Spronssen, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 augustus 1999.

Door afwezigheid zijn mr. Hillen voornoemd en de griffier buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.