Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:1999:AA4801

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-12-1999
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
AWB 99/119
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88c
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 361 met annotatie van F.J.L. Pennings
JB 2000/82 met annotatie van AWH
USZ 2000/94 met annotatie van MD
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 99/119

Uitspraak in de zaak van

Van der Giessen & Van Bellen B.V., gevestigd te Oud-Beijerland, eiseres,

tegen

het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam (Uitvoeringsinstelling: Gak Nederland bv), verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Bij besluit van 12 mei 1998 heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van X, wonende te Y, ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100%, hetgeen met zich brengt dat de hoogte en uitbetaling van de hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen wijziging ondergaat.

Tegen dit besluit heeft eiseres op grond van het bepaalde in artikel 7:1, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij brief van 17 juni 1998 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 8 januari 1999, kenmerk B&B 265.019.19RBE, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 18 februari 1999, ingekomen op 19 februari 1999, beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de rechtbank).

De zaak is op 21 september 1999 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen bij gemachtigde mr. S.W. Geelkerken, advocaat te Den Haag.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. R. van de Berkt.

Voorts is ter zitting verschenen X, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T. Abbo, advocaat te Y.

2. Overwegingen.

De heer X (verder te noemen: X) is op 15 oktober 1996 uitgevallen van zijn werk van productiemedewerker wegens spanningsklachten.

Bij besluit van 15 september 1997 heeft verweerder X per einde wachttijd, zijnde 14 oktober 1997, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

Bij besluit van 12 mei 1998 heeft verweerder, in het kader van de zogenaamde eerstejaars herbeoordeling, de mate van arbeidsongeschiktheid van X ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100 %.

Dit besluit is tevens kenbaar gemaakt aan eiseres. X was namelijk tot 27 januari 1997 in dienst bij eiseres. Eerst per voormelde datum is de arbeidsovereenkomst tussen X en eiseres ontbonden.

Hierbij is eiseres gewezen op het bepaalde in de artikelen 88a tot en met 88d en 88f van de WAO.

Bij brief van 17 juni 1998 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen laatstgenoemd besluit.

Verweerder heeft vervolgens met inachtneming van het bepaalde in artikel 88a van de WAO aan X om toestemming verzocht om de gegevens omtrent zijn medische toestand aan eiseres

te verstrekken. X heeft deze toestemming geweigerd.

Eiseres heeft hierop te kennen gegeven als arts-gemachtigde aan te wijzen haar Arbo-arts

O. Kronig. Bij brief van 18 september 1998 heeft eiseres aan verweerder echter te kennen gegeven dat voormelde arts zich alsnog heeft teruggetrokken. Eiseres heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, doordat zij niet de mogelijkheid heeft een andere arts in te schakelen die voldoende bekend is met de specifieke situatie van het bedrijf, zij niet in staat is kennis te nemen van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van 12 mei 1998. Gelet hierop acht eiseres het haar toekomende beroepsrecht illusoir geworden. Zij acht de door verweerder gevolgde procedure dan ook in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder te noemen: het EVRM).

Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat, voor zover er al sprake is van arbeidsongeschiktheid van X, deze arbeidsongeschiktheid niet veroorzaakt is door het werk en de arbeidsomstandigheden.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder overwogen dat door eiseres geen medische verklaringen of stukken zijn overgelegd die twijfel zouden kunnen oproepen aan het standpunt van verweerder met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van X.

Voorts acht verweerder de gevolgde procedure niet in strijd met artikel 6 EVRM.

De rechtbank overweegt ter zake het volgende.

Op 1 januari 1998 is in werking getreden de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (verder te noemen: Wet Pemba).

Het doel van deze wet is onder andere het aanbrengen van financiële prikkels bij werkgevers om ziekte en arbeidsongeschiktheid zoveel mogelijk te voorkomen en reeds ingetreden arbeidsongeschiktheid terug te dringen. Hierbij is uitgangspunt dat de kosten van arbeidsongeschiktheid daar worden gelegd waar zij het beste beheerst en beïnvloed kunnen worden, te weten bij de werkgever. Hiertoe is een systeem van premiedifferentiatie ingevoerd, waarbij de door de werkgever te betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk is van de aan (voormalige) werknemers toegekende WAO-uitkeringen in een bepaald jaar.

In verband met deze nieuwe systematiek van premieheffing zijn een groot aantal wijzigingen in de WAO aangebracht.

Zo is ingevolge het bepaalde in hoofdstuk I, onderdeel B van de Wet Pemba artikel 2a van de WAO, houdende de bepaling dat bij een besluit ingevolge de WAO dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid belanghebbende is degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft, komen te vervallen.

Dit betekent dat het zogenaamde beperkt belanghebbendenbegrip is verdwenen en dat voor de vraag wie als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt bij zogenaamde WAO-beslissingen artikel 1:2 van de Awb bepalend is.

Ingevolge onderdeel FF van hoofdstuk 1 van de Wet Pemba is voorts hoofdstuk VII van de WAO vervangen door een nieuw hoofdstuk VII, luidende “Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht”. Dit hoofdstuk is onderverdeeld in twee paragrafen, waarbij, ter beoordeling van het hier aan de orde zijnde beroep, van belang is het bepaalde in paragraaf 2 (medische besluiten) en met name het bepaalde in de artikelen 88 en 88a tot en met 88d van de WAO.

Genoemde artikelen luiden als volgt:

“Art.88. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. medisch besluit: een besluit, waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag

ligt;

b. werknemer: degene, op wiens medische gegevens de beoordeling betrekking heeft;

c. werkgever: de belanghebbende bij een medisch besluit, die niet de werknemer is.

Art.88a. 1. De werkgever heeft slechts recht op inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat, indien de werknemer hiervoor toestemming heeft gegeven.

2. De toestemming wordt schriftelijk gegeven.

3. De toestemming kan te allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.

4.Tijdens het horen in bezwaar of ter zitting van de rechtbank kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken.

Art.88b. De artikelen 88c en 88d zijn, voor zover nodig in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, van toepassing, indien de in artikel 88a bedoelde toestemming niet is gegeven.

Art.88c. 1. Inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk, dat medische gegevens bevat, is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever, die arts is.

2. De gemachtigde die arts is, treedt in de plaats van de werkgever bij:

a. de voorbereiding van een medisch besluit;

b. het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift; en

c. de behandeling van een bezwaar of beroep; voor zover betrekking hebbend op medische gegevenss.

Art.88d. 1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen vermeldt de motivering van een medisch besluit, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, op een aparte bijlage.

2. De bijlage wordt niet aan de werkgever verstrekt.

3. Desgevraagd wordt de bijlage verstrekt aan de gemachtigde van de werkgever, die arts is.

4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van een arts of een psycholoog, waarnaar bij de motivering van een medisch besluit wordt verwezen. “.

Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of verweerder eiseres terecht als belanghebbende bij het besluit van 12 mei 1998 heeft aangemerkt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

In de Memorie van Toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel Pemba werd bij het hiervoor aangehaalde artikel 88 ten aanzien van het begrip werkgever opgemerkt dat het hierbij in het algemeen zal gaan om een werkgever die eigen risicodrager is. Of een niet eigen risicodrager - zoals eiseres - ook als belanghebbende bij een medisch besluit is aan te merken, zal afhangen van de aard van dit besluit. Hoewel ook voor deze werkgever aan bijvoorbeeld een WAO-toekenning gevolgen verbonden zijn, zullen deze gevolgen veeleer in de privaatrechtelijke dan in de publiekrechtelijke sfeer liggen. Het enkele feit - aldus de Memorie van Toelichting - dat de toekenning van de uitkering in de toekomst van invloed kan zijn op de door de werkgever te betalen premie is onvoldoende, gezien het generieke karakter van het voorgestelde premiedifferentiatiesysteem, om te spreken van een rechtstreeks belang.

In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 24698, nr. 9, pag. 102) wordt echter gesteld dat aan het hiervoor vermelde standpunt, gelet op het gewijzigde systeem van premiedifferentiatie, niet onverkort kan worden vastgehouden. Zo zal, aldus de Nota, voor met name kleine werkgevers het arbeidsongeschikt verklaren van een werknemer tot gevolg hebben dat hun premie aanzienlijk wordt verhoogd, zij het met een vertraging van twee jaar. In een dergelijke situatie, waarbij er zo’n directe - en in zijn effecten aanzienlijke - relatie bestaat tussen de WAO-beslissing enerzijds en de premiebeslissing anderzijds ligt het meer voor de hand dat de betreffende niet eigen risicodragende werkgever ook als belanghebbende wordt aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat er geen rechtvaardigingsgrond is te bedenken op grond waarvan kleine werkgevers wel en grote werkgevers niet als belanghebbend kunnen worden aangemerkt bij medische besluiten. Het enkele feit dat bij grote werkgevers het effect op te de betalen premie van elk individueel geval veel kleiner is dan bij kleine werkgevers en wellicht zelfs te verwaarlozen maakt dit niet anders. Uit de systematiek van artikel 1:2 van de Awb vloeit immers voorts dat bepalend voor de vraag of een natuurlijk persoon of een rechtspersoon als belanghebbende kan worden aangemerkt is of er sprake is van een rechtstreeks belang en niet in welke mate een betrokkene in zijn of haar bestaande belangen wordt aangetast. Het maken van een onderscheid tussen werkgevers met grote financiële belangen en werkgevers met kleine financiële belangen kan dan ook niet in overeenstemming worden geacht met artikel 1:2.

Ook het feit dat de gevolgen voor de niet eigen risicodragende werkgever eerst op termijn voelbaar zullen zijn kan niet tot een andersluidend oordeel leiden.

De rechtbank heeft bij het vorenstaande nog in overweging genomen dat ingevolge het bepaalde in artikel 87 e van de WAO het beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het nu onthouden van rechtsbescherming zou derhalve kunnen betekenen dat op het moment dat een besluit wordt genomen met betrekking tot de verschuldigde premie de hierop volgende rechtsgang niet in overeenstemming wordt geacht met de eisen die artikel 6 EVRM terzake stelt (zie onder andere de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 november 1998, JB 1998, nr. 288).

Uit het vorenstaande vloeit voort dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van 12 mei 1998 terecht ontvankelijk heeft geacht.

Met betrekking tot de inhoudelijke aspecten overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit, kort samengevat, aangevoerd dat de eerste ziektedag van X niet juist is vastgesteld en dat deze op een latere datum is gelegen. Voorts heeft eiseres zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat zij onvoldoende inzicht heeft gehad in de wijze waarop de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts tot het oordeel zijn gekomen dat X volledig arbeidsongeschikt zou zijn. Zij heeft in dit kader aangevoerd dat in de bezwaarschriftenfase geen sprake is geweest van een “equality of arms” nu eiseres, mede ten gevolge van het feit dat de door haar gemachtigde arts zich alsnog uit de procedure heeft

teruggetrokken, in die procedure geen inzage heeft gehad in de medische gegevens.

Doch ook indien de arts-gemachtigde van eiseres zich niet zou hebben teruggetrokken, dan nog acht eiseres de procedure zoals opgenomen in de artikelen 88 en volgende van de WAO in strijd met artikel 6 EVRM, nu in de gehele procedure verweerder wel vrijelijk kan beschikken over alle gegevens, waaronder de medische en arbeidskundige, en eiseres niet.

De rechtbank is van oordeel dat de grief van eiseres met betrekking tot de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet kan slagen. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij het inmiddels rechtens onaantastbare besluit van 28 augustus 1997 definitief vastgesteld. Het feit dat eiseres op dat moment op grond van het toen nog geldende artikel 2a van de WAO geen rechtsmiddelen kon aanwenden tegen dat besluit maakt zulks niet anders.

Alvorens vervolgens in te kunnen gaan op de door eiseres opgeworpen grieven met betrekking tot de strijdigheid van de gevolgde procedure met artikel 6 EVRM dient de rechtbank te beoordelen of in een procedure als de onderhavige waarbij een werkgever - als derde-belanghebbende - rechtsmiddelen aanwendt tegen een zogenaamd medisch besluit, betrekking hebbende op en geadresseerd aan een (voormalig) werknemer dit artikel wel van toepassing kan worden geacht. Hierbij is in het onderhavige geval van belang of gesteld kan worden dat in geding is een civil obligation van eiseres in de zin van meergenoemd artikel.

Bij de beantwoording van deze vraag neemt de rechtbank in overweging dat de uitkomst van deze procedure beslissend is voor de vraag of eiseres geconfronteerd zal worden met een opslag als bedoeld in artikel 78 van de WAO op de uiteindelijk door haar te betalen gedifferentieerde premie. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 oktober 1989, AB 1990/334, in welk arrest het Hof, voor zover hier relevant, tot het oordeel kwam dat voor de toepasselijkheid van artikel 6, eerste lid EVRM voldoende is dat de uitkomst van de procedure beslissend is voor “private rights and obligations”. Met inachtneming van dit arrest en gelet onder andere op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in de zogenaamde malus-zaak (RSV 1996/214), waarin de Raad tot het oordeel kwam dat zaken betrekking hebbende op premieheffing civil obligations betreffen als bedoeld in meergenoemd artikel 6 EVRM, beantwoordt de rechtbank de hiervoor opgeworpen vraag bevestigend. Vastgesteld kan immers worden dat de uitkomst van deze procedure rechtstreeks gevolgen heeft voor de door eiseres uiteindelijk te betalen gedifferentieerde premie.

Het vorenstaande betekent dat de rechtsgang welke eiseres kan volgen met betrekking tot het in geding zijnde besluit moet voldoen aan de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende elementaire eisen, waaronder de door eiseres genoemde eisen van equality of arms en fair trial.

De wetgever heeft - teneinde te voorkomen dat het recht op privacy van de werknemer het aan de werkgever toekomende beroepsrecht illusoir maakt - een van de Awb afwijkende beroepsregeling opgenomen in de WAO met betrekking tot medische besluiten. Uitgangspunt van deze regeling is dat de werkgever zelf alleen recht heeft op inzage in danwel kennisname of toezending van stukken die medische gegevens bevatten, indien de werknemer hiervoor schriftelijke toestemming heeft gegeven. Wordt deze toestemming niet gegeven, dan mogen de betreffende stukken slechts worden verstrekt aan een gemachtigde van de werkgever die arts is. Deze gemachtigde treedt in de plaats van de werknemer voor zover de behandeling van de zaak in bezwaar en beroep betrekking heeft op medische gegevens.

Het is de arts-gemachtigde, aldus de Memorie van Toelichting, wel toegestaan om aan de werkgever een samenvatting van zijn bevindingen te verstrekken. Deze informatie mag echter niet herleidbaar zijn tot medische gegevens. De absolute geheimhoudingsplicht van een arts-gemachtigde geldt ook jegens de werkgever. Bij het ontbreken van de hiervoor bedoelde toestemming is het ook uitsluitend de arts-gemachtigde voorbehouden om te reageren op de verstrekte medische gegevens en om op te treden tijdens de hoorzitting in de bezwarenfase en het onderzoek ter zitting voor zover hierbij medische gegevens aan de orde komen. De arts-gemachtigde treedt derhalve niet op namens de werkgever maar treedt in de plaats van de werkgever.

Uit het vorenstaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat ook in het geval dat een werkgever wel een arts-gemachtigde kan aanwijzen niet gezegd kan worden dat de werkgever adequaat en in overeenstemming met de eisen voortvloeiende uit artikel 6 EVRM in staat wordt gesteld zijn belangen bij een medisch besluit naar voren te brengen. De werkgever is immers niet in de gelegenheid zelf kennis te nemen van de medische stukken terwijl de arts-gemachtigde niet namens de werkgever optreedt maar in de plaats van de werkgever. Dit laatste betekent dat de door de werkgever ingeschakelde arts, gelet op zijn beroepsethiek, niet het standpunt van de werkgever naar voren zal brengen, maar in de plaats daarvan zijn visie zal geven op de beschikbare medische gegevens. Dit laatste behoeft niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met het standpunt dat de werkgever wil innemen in een procedure als hier aan de orde.

Het vorenstaande in acht nemende is de rechtbank van oordeel dat de artikelen 88c en 88d van de WAO in de bezwaarschriftenprocedure onvoldoende waarborgen voor de werkgever scheppen indien de werknemer geen toestemming geeft om de op hem betrekking hebbende medische gegevens ter inzage te geven aan de werkgever. Mitsdien voldoet het bepaalde in genoemde artikelen niet aan de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende eis van equality of arms, inhoudende dat partijen gelijke kansen moeten krijgen de zaak aan de rechter te presenteren, waarbij essentieel is dat partijen kennis moeten kunnen nemen van en adequaat moeten kunnen reageren op elkaars argumenten.

Een en ander betekent dat een besluit waarbij met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 88c en 88d van de WAO wordt beslist op een door de werkgever ingediend bezwaarschrift, gericht tegen een beslissing waarbij aan een werknemer een recht wordt toegekend op een uitkering ingevolge de WAO, in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb. De aan het besluit ten grondslag liggende motivering is immers niet, althans voor wat betreft het medische gedeelte, kenbaar voor de werkgever.

Met betrekking tot de vraag tenslotte of het in de fase van beroep alsnog verlenen van de in artikel 88a van de WAO bedoelde toestemming - zoals in het onderhavige geval is geschied - gevolgen dient te hebben voor de beoordeling van het voorliggende besluit overweegt de rechtbank het volgende.

Voorop gesteld dient te worden dat ten gevolge van het alsnog in de fase van beroep door de werknemer verstrekken van toestemming om de medische gegevens te verstrekken aan de werkgever niet het aan het bestreden besluit klevende motiveringsgebrek ongedaan wordt gemaakt. Derhalve kan alleen bezien worden of het hier aan de orde zijnde besluit wellicht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kan worden gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord dient te worden. De

rechtbank neemt hierbij in overweging dat in de fase van beroep bij de rechtbank, anders dan in de bezwarenfase, geen sprake is van een volledige heroverweging. De toetsing van een beslissing op bezwaar door de rechtbank kan niet verder strekken dan tot vragen van rechtmatigheid (zie onder ander de MvT en de MvA II op artikel 3:2 van de Awb).

Bij medische besluiten zal de rechtbank zich dan ook veelal dienen te beperken tot de vraag of de aan het betreffende besluit ten grondslag liggende medische en arbeidskundige rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en of deze rapportages als inhoudelijk concludent kunnen worden beschouwd.

Vanuit bewijsrechtelijk oogpunt betekent dit dat eiseres in een nadeliger positie komt te verkeren dan verweerder. In de bezwaarschriftenfase, waar een volledige heroverweging dient plaats te vinden, heeft eiseres immers niet ten volle haar standpunt naar voren kunnen brengen, terwijl in beroep de rechtbank zich in beginsel dient te beperken tot de hiervoor vermelde rechtmatigheidstoets.

Ter verduidelijking van het hiervoor vermelde wijst de rechtbank op de omstandigheid dat eiseres in de bezwaarschriftenprocedure, indien zij over alle relevante gegevens, waaronder de medische gegevens, had kunnen beschikken wellicht dusdanige grieven had kunnen formuleren, dat verweerder zich uit een oogpunt van zorgvuldigheid genoodzaakt zag tot het entameren van een nader medisch onderzoek van de betrokken werknemer. In de fase van beoordeling door de rechter kan in beginsel slechts indien er sprake is van voldoende gemotiveerde bezwaren, dusdanig dat deze twijfel veroorzaken omtrent de juistheid van de aan het medisch besluit ten grondslag liggende medische rapportages, een nader medisch onderzoek geëntameerd worden. Dergelijke grieven heeft eiseres, zoals hiervoor geconstateerd, niet kunnen aanvoeren.

De rechtbank laat hierbij overigens in het midden of het entameren van een dergelijk onderzoek in een geval als het onderhavige niet een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het bepaalde in artikel 8 EVRM.

Samenvattend is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bestreden besluit, nu de gevoerde bezwarenprocedure niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 EVRM voortvloeien tengevolge waarvan de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering niet kenbaar is voor eiseres, terwijl dit gebrek in beroep in onvoldoende mate hersteld kan worden, wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet tenslotte aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken.

De kosten die eiseres heeft moeten maken voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn begroot op fl. 2.130,-.

De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog andere kosten heeft moeten maken.

De rechtbank beslist mitsdien als volgt.

3. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- beveelt dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 450,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten welke eiseres in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op:

- fl. 2.130,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst voornoemd instituut aan als de rechtspersoon die voormelde kosten moet vergoeden;

Aldus gegeven door mr. J. Brand, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. M. Hillen, en mr. H.T.J.F. Verhappen, rechters, en door de voorzitter en J. van Mazijk, griffier, ondertekend.

De griffier, Bij ontstentenis van de voorzitter getekend door mr. M. Hillen,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.