Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:9857

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2022
Datum publicatie
10-10-2022
Zaaknummer
C/09/633360 / HA ZA 22-674
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAMCA zaak. Rolbeslissing naar aanleiding van een verzoek tot verlenging van de drie maanden termijn als bedoeld in artikel 1018d Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolbeslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/633360 / HA ZA 22-674

Rolbeslissing van 28 september 2022

in de zaak van

1. de vereniging

ASOCIACIÓN REGIONAL UNIÓN DE PESCADORES ARTESANALES Y CONEXOS DEL CALLAO, te Callao, Peru,

2. de vereniging

ASOCIACIÓN DE PESCADORES Y ACUICULTORES DE PUERTO CHICO, te Callao, Peru,

3. de vereniging

ASOCIACIÓN NACIONAL BAHÍA BLANCA DE DEFENSE Y DESARALLO INTEGRAL DE LOS PESCADORES ARTESANALES DEL PERU, te Callao, Peru,

eiseressen,

advocaat mr. S.J.W.M. Vonken te Heerlen,

tegen

REPSOL PERÚ B.V., te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.K. van Hezewijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ARUPACC c.s. en Repsol Perú genoemd worden.

1 Inleiding

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is in werking getreden de Wet van 20 maart 2019, Stb. 130, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie, hierna: de WAMCA).

1.2.

ARUPACC c.s. nemen in hun dagvaarding tot uitgangspunt dat de WAMCA op deze zaak van toepassing is.

1.3.

ARUPACC c.s. hebben Repsol Perú op 3 augustus 2022 gedagvaard tegen 17 augustus 2022. De dagvaarding is op 3 augustus 2022 aangetekend in het in artikel 3:305a lid 7 Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde centraal register voor collectieve vorderingen en ter griffie ingekomen. Er is daarmee voldaan aan artikel 1018c lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2 Het verzoek van SMGS en APS

2.1.

Bij brief van 2 augustus 2022 van mrs. J.D. Edixhoven en Q.L.C.M. Bongaerts, hebben de verenigingen Sindicato de Pescadores Artesanales y Consumo Humano Directo Miguel Grau Seminario (SMGS) en Asociación de Pescadores Artesanales y Consumo Humano Directo y Actividades Anexas de Puerto Supe (APS) (hierna gezamenlijk: de verzoekers) de rechtbank op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv verzocht de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn met drie maanden te verlengen. (hierna: het verzoek).

2.2.

De rechtbank heeft ARUPACC c.s. en Repsol Perú in de gelegenheid gesteld zich uit te laten op het verzoek. Uitsluitend Repsol Perú heeft hiervan gebruik gemaakt, bij brief van 20 september 2022. Hierin heeft Repsol Perú zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met de aantekening dat zij zich voorbehoudt verweer te voeren met betrekking tot de vraag of SMGS en APS rechtspersonen zijn als bedoeld in artikel 3:305a BW en voldoen aan de in lid 1 van deze bepaling gestelde eisen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit artikel 1018d lid 1 Rv volgt in dit geval dat binnen drie maanden na 3 augustus 2022 een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW bij deze rechtbank een collectieve vordering kan instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering van ARUPACC c.s. betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen.

3.2.

Artikel 1018d lid 2 Rv bepaalt dat de rechter de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn van drie maanden met maximaal drie maanden kan verlengen indien binnen een maand na de aantekening van de dagvaarding in het centraal register voor collectieve vorderingen een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW onder vermelding van de bedoelde aantekening ter griffie heeft laten aantekenen dat zij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de in artikel 1018c lid 1 Rv bedoelde collectieve vordering betrekking heeft, maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat.

3.3.

Het verzoek voldoet aan deze voorwaarden, aangezien:

- verzoekers naar voorlopig oordeel rechtspersonen zijn als bedoeld in artikel 3:305a BW;

- hun verzoek binnen een maand na 3 augustus 2022 ter griffie is ingekomen;

- verzoekers melding hebben gemaakt van de hiervoor onder 1.3 vermelde

aantekening in het centraal register voor collectieve vorderingen;

- verzoekers stellen een collectieve vordering te willen instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de door ARUPACC c.s. ingestelde collectieve vordering betrekking heeft;

- verzoekers stellen dat de in artikel 1018d lid 1 Rv gestelde termijn van drie maanden niet volstaat.

3.4.

De WAMCA zelf bevat geen maatstaf waaraan het verzoek dient te worden getoetst. Artikel 1018d lid 2 Rv bepaalt slechts dat de rechter de termijn (met maximaal drie maanden) kan verlengen.

3.5.

De parlementaire geschiedenis over deze bepaling is beknopt. Alleen de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016-2017, 34 608, nr. 3, pp. 41-42) gaat er kort op in:

De termijn van drie maanden in lid 1 is gekozen om geïnteresseerde andere belangenorganisaties in staat te stellen om hun eigen collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis voor te bereiden en in te dienen. Het kan voorkomen dat vanwege de aard van de collectieve vordering of vanwege het samenwerkingsverband dat organisaties willen aangaan om een gezamenlijke collectieve vordering in te dienen ingevolge dit artikel, meer dan drie maanden nodig is om de collectieve vordering voldoende voor te bereiden en in te dienen. Voor die gevallen maakt lid 2 het mogelijk om de termijn te verlengen. Om te voorkomen dat de behandeling van de collectieve vordering onnodig veel vertraging oploopt, is een verlenging beperkt tot maximaal drie maanden. (…). Heeft zich binnen een maand na aantekening (…) een belangenorganisatie gemeld met de mededeling dat de termijn van drie maanden niet volstaat, dan is na uiterlijk zes maanden na de aantekening duidelijk welke andere belangenorganisaties voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingesteld.

3.6.

Verzoekers hebben aan het verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat zij meer tijd nodig hebben om de dagvaarding voor te bereiden, aangezien deze internationale zaak naar zijn aard complex is en aangezien verzoekers meer tijd nodig hebben om met ARUPACC c.s. samenwerkingsafspraken te maken over de procesaanpak. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank verlenging van de termijn met de door de verzoekers gewenste drie maanden.

3.7.

De rechtbank zal de griffier opdragen van deze rolbeslissing aantekening te maken in het centraal register voor collectieve vorderingen. Voor beslissingen op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv schrijft de WAMCA aantekening weliswaar niet voor, maar gelet op de aard en het doel van het centraal register acht de rechtbank aantekening geboden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verlengt ten behoeve van SMGS en APS de termijn als bedoeld in artikel 1018d lid 1 Rv met drie maanden, dus tot 3 februari 2023;

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2022.1

1 type: 1554