Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:9619

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2022
Datum publicatie
22-09-2022
Zaaknummer
09/857062-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich meermalen en samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel en aan gewoontewitwassen. Dit alles gebeurde in het kader van een crimineel samenwerkingsverband. De verdachte en zijn mededader(s) zijn daarbij zeer geraffineerd te werk gegaan en hebben misbruik gemaakt van het vertrouwen van hun slachtoffers. Zij hebben met geld dat door oplichting en frauduleuze handelingen van de bankrekeningen van de slachtoffers is verkregen, goederen aangeschaft en opgehaald. Het handelen van de verdachte is enkel gericht geweest op geldelijk gewin, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen voor de slachtoffers. De handelwijze van de verdachte heeft geleid tot behoorlijke financiële schade en heeft het vertrouwen van de aangevers in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen ernstig ondermijnd. Daarnaast hebben veel aangevers nog lang last gehad van gevoelens van schaamte over het misbruik dat van hun vertrouwen is gemaakt. De rechtbank rekent de verdachte al deze feiten zwaar aan, zeker ook omdat hieraan slechts door ingrijpen van politie en justitie een einde is gekomen. De verdachte had een belangrijke rol in het crimineel samenwerkingsverband, waarbij hij anderen onder druk en dreiging mee liet werken aan de strafbare feiten binnen de organisatie. De verdachte was daarin een essentiële en onmisbare schakel. Oplichtingspraktijken in georganiseerd verband zoals in deze zaak bewezenverklaard schaden het vertrouwen van consumenten in internetbedrijven als Marktplaats en vergroten het risico op ontwrichting van het economisch verkeer. De deelname van de verdachte aan deze criminele organisatie weegt daarom in verzwarende zin mee bij het bepalen van de zwaarte van de op te leggen straf.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/857062-20

Datum uitspraak: 22 september 2022

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

BRP-adres: [adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 oktober 2020, 17 december 2020, 9 november 2021 (alle pro forma), 18 augustus 2022 (inhoudelijke behandeling) en 8 september 2022 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.J. Ros en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.P. Plasman naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 9 november 2021 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 9 november 2021. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Inleiding

De strafzaak tegen de verdachte (hierna ook: [verdachte]) is onderdeel van een meer verdachten omvattend strafrechtelijk onderzoek, genaamd Gamay.

Op dinsdag 21 januari 2020 werd [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) aangehouden in een filiaal van MediaMarkt in Zoetermeer, toen hij een mobiele telefoon kwam ophalen die eerder via de webshop van MediaMarkt was besteld en betaald. Bij MediaMarkt was gesignaleerd dat [medeverdachte 1] met regelmaat dure producten kwam afhalen die via internet waren besteld en waarvoor de betalingen werden gedaan met geld dat middels frauduleuze handelingen was verkregen. Daarbij werd door [medeverdachte 1] veelvuldig gebruik gemaakt van dezelfde adressen.

Naar aanleiding van de aanhouding van [medeverdachte 1] werd het onderzoek Gamay gestart.

Gedurende het onderzoek Gamay is het vermoeden ontstaan dat een groep personen zich telkens op dezelfde wijze schuldig maakte aan verschillende strafbare feiten. In het dossier is de werkwijze beschreven, die zich als volgt laat samenvatten.

Het slachtoffer, dat een advertentie heeft geplaatst om een goed te verkopen op Marktplaats, wordt benaderd door een geïnteresseerde koper, (vrijwel) telkens met de naam van een vrouw. De conversatie wordt vervolgens -op verzoek van de koper- voortgezet via WhatsApp. Nadat er een overeenkomst is gesloten, geeft de koper aan dat zij slechte ervaringen heeft met het betalen en verzenden van producten via Marktplaats. Zij vraagt de verkoper om mee te werken aan een betaalverificatie. Via WhatsApp wordt een link voor een betaalverificatie naar de verkoper gestuurd met het verzoek aan de verkoper om een bedrag van € 0,01 ter verificatie aan de koper over te maken. Via deze link komt de verkoper terecht op een vervalste website van de bank. De verkoper vult te goeder trouw zijn of haar bank- en betaalgegevens in, in de veronderstelling dat hij of zij dit doet op de digitale betaalomgeving van de bank. In werkelijkheid worden deze gegevens ingevuld in een zogeheten panel waar de ‘koper’ toegang toe heeft. Op deze manier komt de koper aan de inlog- en bankgegevens van de verkoper en doet diegene daarmee aankopen bij verschillende internetwinkels, waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van gefingeerde adressen.

In het onderzoek Gamay heeft de politie sterke aanwijzingen gevonden dat op die manier op -onder andere- de website van MediaMarkt een groot aantal bestellingen is gedaan. Daarbij werd in de meeste gevallen een iPhone 11 ter waarde van € 979,- besteld. Deze iPhones werden kort na het plaatsen van de bestelling in winkels van MediaMarkt in diverse plaatsen in Nederland opgehaald door verschillende personen. Bij het ophalen van deze bestellingen werd door MediaMarkt de identiteit van de persoon gecontroleerd. Degene wiens naam op de bestelbon stond, moest het goed ook ophalen. Daarbij werd meestal niet geverifieerd of het opgegeven adres klopte.

Naar aanleiding van het onderzoek zijn uit meerdere aangiften 36 zaaksdossiers gevormd die deel uitmaken van het Gamay-dossier. Zaaksdossier 32 heeft betrekking op de verdenking van deelname aan een criminele organisatie, waarbij de verdenking is dat [medeverdachte 2] en zijn broer [verdachte] daarvan de leiders zouden zijn. Zaaksdossier 30 heeft betrekking op de verdenking dat diverse verdachten de middels voornoemde werkwijze verkregen opbrengsten hebben witgewassen.

De overige zaaksdossiers betreffen – kort samengevat – de navolgende verdenkingen.

In de zaaksdossiers 1 tot en met 15 en 24 wordt de verdenking beschreven dat [medeverdachte 1] degene is geweest die de bestellingen bij MediaMarkt heeft afgehaald. Hij gebruikte daarbij verschillende adressen, waaronder de adressen [adres 1] in Leidschendam en [adres 2] en [adres 3] in Den Haag. Een medewerker van MediaMarkt heeft alle bestelbonnen aangeleverd waarop de naam van [medeverdachte 1] werd vermeld. Aan die bestelbonnen konden 15 aangiften worden gekoppeld. Dit betreffen de zaaksdossiers 1 tot en met 15. Later is daar nog zaaksdossier 24 aan toegevoegd omdat ook hier de naam van [medeverdachte 1] werd genoemd als de persoon die de bestelde goederen zou ophalen.

Na onderzoek van de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] heeft de politie vastgesteld dat [medeverdachte 1] bij de zaaksdossiers 7, 8, 9, 13 en 14 kort voorafgaand en/of kort na afloop van het ophalen van de bestellingen bij MediaMarkt contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 1], dat in gebruik was bij [medeverdachte 2]. Aan de hand van onderzoek naar de bewegingen van de telefoontoestellen is in een aantal zaken het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een ontmoeting hadden nadat [medeverdachte 1] de telefoons had opgehaald bij een winkel van MediaMarkt.

Op dinsdag 28 januari 2020 werd [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) aangehouden in een filiaal van MediaMarkt te Den Haag, toen zij een bestelling kwam afhalen waarbij het adres [adres 1] in Leidschendam was opgegeven. De politie heeft [medeverdachte 3] na onderzoek gekoppeld aan de zaaksdossiers 16 en 17. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij het pakketje voor haar ex-vriend [voornaam verdachte] moest ophalen. Ook is uit afgeluisterde telefoongesprekken de verdenking ontstaan dat zij de telefoons bij MediaMarkt heeft opgehaald in opdracht van [verdachte]. Voorts is uit de historische gegevens van de mobiele telefoon van [verdachte] mogelijke betrokkenheid van [verdachte] bij deze zaaksdossiers afgeleid en is daarnaast uit voormelde historische verkeersgegevens mogelijke betrokkenheid van [verdachte] bij de zaaksdossiers 10, 13, 14, 20, 21, 22, 26, 28 en 29 afgeleid.

Tijdens het onderzoek werden door MediaMarkt alle bestelbonnen aangeleverd met dezelfde adressen die door [medeverdachte 1] werden gebruikt. Op twee van de aangeleverde bonnen stond de naam [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]). Deze bestellingen zijn gelinkt aan de zaaksdossiers 18 en 19. De politie heeft op grond van afgeluisterde telefoongesprekken geconcludeerd dat [medeverdachte 4] in nauw contact stond met [verdachte] en [medeverdachte 3]. Na verder onderzoek heeft de politie vastgesteld dat het telefoontoestel, waarmee de verificatielink in zaaksdossier 18 aan de aangever is verzonden, ook in de zaaksdossiers 4, 7, 8 en 25 is gebruikt.

Op woensdag 5 februari 2020 werd [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) aangehouden in een winkel van MediaMarkt in Rotterdam, toen zij een bestelling kwam afhalen waarbij het adres [adres 1] in Leidschendam werd opgegeven. Deze bestelling kon worden gekoppeld aan zaaksdossier 20. De politie heeft vastgesteld dat het telefoonnummer in zaaksdossier 20 ook werd gebruikt in de zaaksdossiers 21 en 22 tijdens de WhatsApp-conversatie met de aangevers. In zaak 22 is ook een bestelling gedaan bij MediaMarkt op naam van [medeverdachte 5].

Na onderzoek trof de politie een volgend verband aan, namelijk dat het telefoontoestel, dat werd gebruikt om de verificatielink te versturen naar de aangevers in de zaken 20, 21 en 22, ook werd gebruikt in de zaken 10, 13, 14, 16, 17, 26, 28 en 29. Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken van [verdachte] is opgemaakt dat hij voorafgaand en tijdens de aanhouding van [medeverdachte 5] in nauw contact stond met [medeverdachte 5]. Ook is uit de afgeluisterde telefoongesprekken opgemaakt dat [medeverdachte 2] mogelijk deze telefoons heeft besteld en dat [verdachte] en [medeverdachte 5] in opdracht/op verzoek van [medeverdachte 2] deze telefoons hebben opgehaald. Voorts ontstond uit de afgeluisterde telefoongesprekken de verdenking dat de moeder van [verdachte] en [medeverdachte 2], genaamd [medeverdachte 7], wetenschap had van de strafbare feiten die door haar zoons zouden zijn gepleegd.

Op maandag 24 februari 2020 werd [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6]) aangehouden in een winkel van MediaMarkt in Den Haag, toen hij een bestelling kwam afhalen waarbij het adres [adres 2] in Den Haag werd gebruikt. Dat adres werd ook door [medeverdachte 1] gebruikt. Deze bestelling bleek gekoppeld te zijn aan zaaksdossier 23.

Op donderdag 9 april 2020 werd [verdachte] aangehouden in Naaldwijk. In het voertuig waarin hij reed, werd onder andere een iPhone 5S aangetroffen. Na onderzoek in deze mobiele telefoon is het vermoeden ontstaan dat [verdachte] en [medeverdachte 2] tijdens diverse oplichtingen gebruik hebben gemaakt van een bankpas op naam van een bedrijf met de naam [bedrijf 1]. Na nader onderzoek zijn de zaaksdossiers 25 tot en met 29 hieraan gekoppeld. Na onderzoek van de historische verkeersgegevens heeft de politie vastgesteld dat bij de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29 gebruik is gemaakt van telefoontoestellen die ook zijn gebruikt bij de zaaksdossiers 4, 7, 8, 18, 19, en bij de zaaksdossiers 10, 13, 14, 16, 17, 20, 21 en 22.

Op dinsdag 7 juli 2020 werden de verdachten [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] aangehouden. In de slaapkamer van [verdachte] en [medeverdachte 2] in de woning aan de [adres] in [woonplaats] werd tijdens een doorzoeking een iPhone aangetroffen. Deze bleek nog aan te staan. In deze iPhone stonden 163 verschillende WhatsApp-gesprekken, gevoerd in de periode van 27 mei 2020 tot en met 11 juni 2020. Alle 163 gesprekken waren met mensen die iets te koop aanboden op Marktplaats en in al deze gesprekken werd gepoogd om de verkoper op te lichten, al dan niet met succes. Het WhatsApp-gesprek met de aangeefster van zaaksdossier 31 werd ook op deze telefoon aangetroffen.

Voorts werd in de slaapkamer van [verdachte] en [medeverdachte 2] een grijze iPhone 6+ aangetroffen waar 12 verschillende emailaccounts aan waren gekoppeld. Ook dit toestel stond aan toen het werd aangetroffen. De politie heeft verschillende van de aangetroffen accounts na onderzoek gekoppeld aan aangiften van oplichting. Slechts twee van deze aangiften zijn, om de omvang van het onderzoek beperkt te houden, in het dossier gevoegd. Dit betreft de zaaksdossiers 33 en 34.

Tijdens diezelfde doorzoeking werd ten slotte in de gang van de woning een goudkleurige iPhone 7 aangetroffen; ook die telefoon stond nog aan. De telefoon is onderzocht en ook daarin werden gesprekken aangetroffen die betrekking hadden op oplichtingen via Marktplaats. Twee van deze gesprekken hebben geleid tot samenstelling van de zaaksdossiers 35 en 36. Het openbaar ministerie heeft er ook ditmaal voor gekozen om slechts twee aangiften tot zaaksdossiers te verwerken in verband met het beperkt houden van de omvang van het onderzoek.

De verdachte wordt er, samengevat, van beschuldigd dat hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 23 juni 2020 tezamen en in vereniging met een ander of anderen meerdere personen heeft opgelicht (feit 1), tezamen en in vereniging met een ander of anderen computervredebreuk en diefstal door middel van valse sleutels heeft gepleegd (respectievelijk de feiten 2 en 3), tezamen en in vereniging met een ander of anderen de opbrengsten daarvan heeft witgewassen (feit 4) en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 5).

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met dien verstande dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van betrokkenheid bij de zaaksdossiers 35 en 36, aangezien hij op het moment van die feiten in detentie zat.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

3.4

Algemene overweging

Uit de verklaringen van de aangevers kan worden afgeleid dat zij in de hierna te bespreken zaaksdossiers op gelijksoortige wijze slachtoffer zijn geworden van diverse strafbare feiten. De modus operandi die door de aangevers wordt beschreven kenmerkt zich door opeenvolging van een aantal handelingen: na digitale toezending van een betaalverificatie werden hun inlog- en bankgegevens verkregen, waarna zij ontdekten dat er door handelingen van daartoe onbevoegden geld van hun bankrekeningen werd overgeboekt naar diverse bankrekeningen van derden. Uit de aangiften wordt verder afgeleid dat deze feiten rond dezelfde periode hebben plaatsgevonden.

Dat levert een aanwijzing op dat deze feiten mogelijk door dezelfde persoon of personen zijn gepleegd, maar de door de aangevers beschreven modus operandi is niet dermate specifiek en uniek dat alleen op grond daarvan geconcludeerd kan worden dat het niet anders kan dan dat deze feiten door dezelfde persoon of personen zijn gepleegd. Ambtshalve en uit de media zijn diverse zaken bij de rechtbank bekend met een soortgelijke werkwijze. Daarom dient per zaaksdossier te worden beoordeeld of voldoende concreet en direct bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het desbetreffende zaaksdossier aanwezig is, waarbij specifiek bewijs uit andere zaaksdossiers wel een rol van betekenis kan spelen bij de vraag of de dader dezelfde persoon is.

De rechtbank zal hieronder eerst per zaaksdossier beoordelen of bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten 1, 2, 3 en 4.

3.5

Vrijspraak ten aanzien van de zaaksdossiers 1 tot en met 15, 23, 24, 27, 31 en 33 tot en met 36

3.5.1

Ten aanzien van de zaaksdossiers 35 en 36

Net als de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde ten aanzien van de zaaksdossiers 35 en 36 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

3.5.2

Ten aanzien van de zaaksdossiers 1 tot en met 15, 23, 24, 27, 31, 33 tot en met 36

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde ten aanzien van de zaaksdossiers 1 tot en met 15, 23, 24, 27, 31, 33 tot en met 36 niet wettig en overtuigend bewezen. Concreet en direct bewijs dat de verdachte bij de in deze zaaksdossiers bedoelde feiten betrokken is geweest of enige uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, ontbreekt. Voorts is niet gebleken dat er bij deze zaaksdossiers een nauwe en bewuste samenwerking heeft plaatsgevonden tussen de verdachte, [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en/of anderen.

3.5.3

Conclusie

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde ten aanzien van de zaaksdossiers 1 tot en met 15, 23, 24, 27, 31 en 33 tot en met 36.

3.6

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.7

Bewijsoverwegingen

3.7.1

Ten aanzien van de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29

Op een bij [verdachte] aangetroffen mobiele telefoon werd een chatgesprek van 23 februari 2020 tussen [verdachte] (telefoonnummer [telefoonnummer 2]) en [medeverdachte 2] (telefoonnummer [telefoonnummer 3]) aangetroffen, waarbij [verdachte] aan [medeverdachte 2] een afbeelding van een ING bankpas stuurde die op naam stond van [bedrijf 1]. Hij vroeg daarbij aan [medeverdachte 2] of hij hiermee iets kon doen. Uit de chat leidt de rechtbank ook af dat [medeverdachte 2] vervolgens op 23 februari 2020 diverse geldbedragen op voornoemde bankrekening heeft gestort, waarna [verdachte] deze geldbedragen bij een pinautomaat heeft opgenomen. Deze geldbedragen waren afkomstig van de bankrekeningen van [slachtoffer 28] (hierna: [slachtoffer 28], zaaksdossier 28) en [slachtoffer 29] (hierna: [slachtoffer 29], zaaksdossier 29) en werden door middel van frauduleuze handelingen weggenomen van hun bankrekeningen. Van de bankrekening van [slachtoffer 28] is een geldbedrag van € 430,- weggenomen en van de bankrekening van [slachtoffer 29] een bedrag van € 260,-. Op 24 februari 2020 heeft [medeverdachte 2] wederom diverse geldbedragen op voornoemde bankrekening gestort, waarna [verdachte] deze geldbedragen bij een pinautomaat heeft opgenomen. Deze geldbedragen waren afkomstig van de bankrekeningen van [slachtoffer 25] (hierna: [slachtoffer 25], zaaksdossier 25) en [slachtoffer 26] (hierna: [slachtoffer 26], zaaksdossier 26) en werden ook door middel van frauduleuze handelingen weggenomen van hun bankrekeningen. Van de bankrekening van [slachtoffer 25] is een geldbedrag van € 785,06 weggenomen en van de bankrekening van [slachtoffer 26] een bedrag van € 292,-.

Gelet op het korte tijdsbestek tussen enerzijds de oplichting van [slachtoffer 28], [slachtoffer 29], [slachtoffer 25] en [slachtoffer 26] middels een valse verificatielink en een valse website van de bank en anderzijds het onbevoegd overboeken van de geldbedragen vanaf hun bankrekeningen op telkens de bankrekening van [bedrijf 1] door [medeverdachte 2] en het opnemen van het geld door [verdachte], kan het niet anders dan dat [medeverdachte 2] de persoon is geweest die [slachtoffer 28], [slachtoffer 29], [slachtoffer 25] en [slachtoffer 26] heeft opgelicht en computervredebreuk heeft gepleegd. Dat [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij de oplichting en de computervredebreuk vindt ook steun in het feit dat in de woning waarin [medeverdachte 2] verbleef, een laptop van het merk Asus is aangetroffen met daarop een panel met een nagebootste website van de Rabobank. De verklaring van [medeverdachte 2] dat deze laptop niet van hem is en dat hij deze laptop onder bedreiging voor iemand moest bewaren, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Op deze laptop werd immers ook een ontvangstbevestiging van het UWV van 17 april 2020 op naam van [verdachte] aangetroffen. Ook werd in de slaapkamer van [medeverdachte 2] en [verdachte] een mobiele telefoon aangetroffen. Op deze telefoon stonden diverse chatgesprekken. In een van de chatgesprekken werd stap voor stap uitgelegd hoe men een panel voor oplichtingsdoeleinden kon gebruiken. Ook werden in de verwijderde internetgeschiedenis van deze telefoon diverse verificatielinks aangetroffen. De rechtbank gaat er vanuit dat zowel de mobiele telefoon als de laptop door [medeverdachte 2] werden gebruikt, aangezien [verdachte] reeds gedurende enige tijd in detentie zat. Ten aanzien van de telefoon geldt bovendien dat deze aan stond toen deze werd aangetroffen. Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [medeverdachte 2] over de kennis, de kunde en de middelen beschikte om op de in de inleiding omschreven wijze oplichting, computervredebreuk en diefstal middels een valse sleutel te plegen.

[verdachte] is de persoon geweest die de bankgegevens van [bedrijf 1] ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte 2], zodat [medeverdachte 2] een tegenrekening had om het geld naar over te maken dat na de oplichting en computervredebreuk beschikbaar kwam. [verdachte] heeft vervolgens met de bijbehorende bankpas weer het weggenomen geld gepind van de bankrekening van [bedrijf 1]. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ook af dat [verdachte] en [medeverdachte 2] in nauw contact stonden in de korte tijdsspanne waarin dit alles plaatsvond en dat [verdachte] desgevraagd bankrekeningen, alsmede mensen die telefoons konden gaan ophalen, regelde voor [medeverdachte 2].

Hieruit kan een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] worden afgeleid bij de diefstal van het geld van de bankrekeningen van [slachtoffer 28], [slachtoffer 29], [slachtoffer 25] en [slachtoffer 26] en bij het witwassen van het - uit eigen misdrijf verkregen - geld. Het geld is immers van giraal geld omgezet naar contant geld.

Hoewel de rechtbank ervan uit gaat dat [verdachte] moet hebben geweten op welke manier de gelden die op de rekening van [bedrijf 1] terecht zijn gekomen, waren verkregen, is niet gebleken dat hij (dan wel een ander of anderen) enige materiële of intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de oplichting en computervredebreuk, gepleegd door [medeverdachte 2]. Concreet en direct bewijs daarvoor ontbreekt. De enkele wetenschap is onvoldoende om van mededaderschap van [verdachte] te kunnen spreken.

Conclusie ten aanzien van de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29

De rechtbank acht het onder 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

3.7.2

Ten aanzien van de zaaksdossiers 16 en 17

Van de bankrekening van aangever [slachtoffer 16] (hierna: [slachtoffer 16], zaakdossier 16) is onbevoegd een geldbedrag van € 2.081,- weggenomen. Van dat geld is € 979,- overgemaakt naar de bankrekening van MediaMarkt voor de aankoop van een iPhone 11. Van de bankrekening van aangeefster [slachtoffer 17] (hierna: [slachtoffer 17], zaakdossier 17) is onbevoegd een geldbedrag van € 1.047,42 weggenomen. Van dat geld is € 979,- overgemaakt naar de bankrekening van MediaMarkt voor de aankoop van een iPhone 11.


[slachtoffer 16] had op 26 januari 2020 via WhatsApp contact met een persoon die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 4]. Uit historische verkeersgegevens is gebleken dat voornoemd nummer op 26 januari 2020 in een mobiele telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] heeft gezeten. [slachtoffer 17] had op 27 januari 2020 contact met een persoon die gebruik maakte van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 5]. Ook dit nummer zat op 27 januari 2020 in een mobiele telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1]. In deze mobiele telefoon hebben ook de simkaarten gezeten die werden gebruikt bij (onder meer) de zaaksdossiers 28 en 29.

De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat [medeverdachte 2] degene is geweest die bij zaaksdossiers 28 en 29 de aangevers heeft opgelicht en bestolen. De oplichting en diefstal in de zaaksdossiers 16 en 17 hebben op soortgelijke wijze plaatsgevonden en de simkaarten waarmee contact is gelegd met deze aangevers hebben in een mobiele telefoon gezeten waar ook de simkaarten uit de zaken 28 en 29 in hebben gezeten. Deze omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – brengen de rechtbank tot het oordeel dat [medeverdachte 2] degene is geweest die [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] heeft opgelicht en met behulp van computervredebreuk wederrechtelijk geldbedragen van hun bankrekeningen heeft weggenomen en deze vervolgens heeft witgewassen. Het geld van de bankrekeningen van [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] is onder andere omgezet naar goederen, te weten mobiele telefoons die zijn aangeschaft bij MediaMarkt.

Deze telefoons zijn opgehaald door [medeverdachte 3]. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] en uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 3] in nauw contact stond met [verdachte] en dat zij in opdracht van [verdachte] voornoemde mobiele telefoons bij MediaMarkt heeft opgehaald. Zij werd aangestuurd door en kreeg aanwijzingen van [verdachte]. Ook werd zij door [verdachte] gebracht naar MediaMarkt. Zoals reeds overwogen bij de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29 regelde [verdachte] op verzoek/in opdracht van [medeverdachte 2] mensen die de telefoons moesten gaan ophalen bij MediaMarkt. Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er bij het witwassen een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3].

Niet is echter gebleken dat [verdachte], dan wel een ander of anderen, enige betrokkenheid had bij de oplichting, computervredebreuk en diefstal, gepleegd door [medeverdachte 2]. Op grond van de bewijsmiddelen kan enkel worden vastgesteld dat [verdachte] pas in beeld kwam, en slechts betrokkenheid had, bij het ophalen van de mobiele telefoons bij MediaMarkt. De oplichting, de computervredebreuk en de diefstal van het geld van de bankrekeningen van [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] hadden toen al plaatsgevonden.

Conclusie ten aanzien van de zaaksdossiers 16 en 17

De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

3.7.3

Ten aanzien van zaaksdossiers 18 en 19

Van de bankrekening van aangeefster [slachtoffer 18] (hierna: [slachtoffer 18], zaaksdossier 18) is onbevoegd een geldbedrag van € 979,- weggenomen en naar de bankrekening van MediaMarkt overgemaakt voor de aankoop van een iPhone 11. Van de bankrekening van aangeefster [slachtoffer 19] (hierna: [slachtoffer 19], zaaksdossier 19) is onbevoegd een geldbedrag van € 2.010,49 weggenomen. Van dat geld is € 1.958,- overgemaakt naar de bankrekening van MediaMarkt voor de aankoop van twee iPhones 11.

[slachtoffer 18] had op 13 januari 2020 via WhatsApp contact met een persoon die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 6]. Deze simkaart zat toen in een mobiele telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2]. In de periode van 9 januari 2020 tot en met 6 maart 2020 heeft deze simkaart in twee mobiele telefoons gezeten. Eén van deze mobiele telefoons werd op 7 juli 2020 tijdens een doorzoeking in de slaapkamer van [medeverdachte 2] en [verdachte] aangetroffen. In deze telefoon zat een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 1].

De rechtbank gaat er vanuit dat deze mobiele telefoon door [medeverdachte 2] werd gebruikt, aangezien [verdachte] reeds gedurende enige tijd in detentie zat ten tijde van de inbeslagname van deze telefoon en de telefoon aan stond toen deze werd aangetroffen. Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van hem is.

[slachtoffer 19] had op 22 januari 2020 contact met een persoon die gebruik maakte van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 7]. Ook dit nummer zat op 22 januari 2020 in een mobiele telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2]. Voorts heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 1], het telefoonnummer van [medeverdachte 2], enkele minuten in deze mobiele telefoon gezeten.

De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat [medeverdachte 2] degene is geweest die bij zaaksdossiers 28 en 29 de aangevers heeft opgelicht en bestolen Gelet op het feit dat de zaaksdossiers 18 en 19 op soortgelijke wijze hebben plaatsgevonden en de simkaarten waarmee contact is gelegd met de aangevers in een mobiele telefoon heeft gezeten die in sterk verband staat met [medeverdachte 2], acht de rechtbank – in onderling verband en samenhang bezien en mede gelet op de modus operandi in de hiervoor besproken zaken – wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] degene is geweest die [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] heeft opgelicht en met behulp van computervredebreuk geld van hun rekeningen heeft weggenomen en vervolgens heeft witgewassen. Het geld van de bankrekeningen van [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] is namelijk onder andere omgezet naar goederen, te weten mobiele telefoons die zijn aangeschaft bij MediaMarkt.

Deze telefoons zijn opgehaald door [medeverdachte 4]. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat [medeverdachte 4] in nauw contact stond met [verdachte] en dat zij in samenspraak met [verdachte] mobiele telefoons bij MediaMarkt heeft opgehaald. Zoals reeds overwogen bij de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29 regelde [verdachte] op verzoek/in opdracht van [medeverdachte 2] mensen die de telefoons moesten gaan ophalen bij MediaMarkt. Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er bij het witwassen een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 4].

Niet is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 4], dan wel een ander of anderen, enige betrokkenheid hadden bij de oplichting, computervredebreuk en diefstal, gepleegd door [medeverdachte 2]. Op grond van de bewijsmiddelen kan enkel worden vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 4] pas in beeld kwamen, en slechts betrokkenheid hadden, bij het ophalen van de mobiele telefoons bij MediaMarkt. De oplichting, de computervredebreuk en de diefstal van het geld van de bankrekeningen van [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] hadden toen al plaatsgevonden.

Conclusie ten aanzien van de zaaksdossiers 18 en 19

De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

3.7.4

Ten aanzien van de zaaksdossiers 20, 21 en 22

Van de bankrekening van aangeefster [slachtoffer 20] (hierna: [slachtoffer 20], zaaksdossier 20) is onbevoegd een geldbedrag van € 2.964,- weggenomen. Van dat geld is € 979,- overgemaakt naar de bankrekening van MediaMarkt voor de aankoop van een iPhone 11.

Van de bankrekening van aangeefster [slachtoffer 21] (hierna: [slachtoffer 21], zaaksdossier 21) is onbevoegd een geldbedrag van € 180,95 weggenomen en overgemaakt naar de bankrekening van Gamecardsdirect.

Van de bankrekening van aangever [slachtoffer 22] (hierna: [slachtoffer 22], zaaksdossier 22) is onbevoegd een geldbedrag van € 979,- weggenomen en naar de bankrekening van MediaMarkt overgemaakt voor de aankoop van een iPhone 11.

[slachtoffer 20], [slachtoffer 21] en [slachtoffer 22] hadden op 1 en 3 februari 2020 via WhatsApp contact met een persoon die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 8]. Deze simkaart zat toen in een mobiele telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1]. In deze mobiele telefoon hebben ook de simkaarten gezeten die werden gebruikt bij de zaaksdossiers 16, 17, 28 en 29.

De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat [medeverdachte 2] degene is geweest die bij zaaksdossiers 16, 17, 28 en 29 de aangevers heeft opgelicht en bestolen. Gelet op het feit dat de zaaksdossiers 20, 21 en 22 op soortgelijke wijze hebben plaatsgevonden en de simkaarten waarmee contact is gelegd met de aangevers in een mobiele telefoon hebben gezeten die in sterk verband staan tot [medeverdachte 2], acht de rechtbank – in onderling verband en samenhang bezien en mede gelet op de modus operandi in de reeds besproken zaken – wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] degene is geweest die [slachtoffer 20], [slachtoffer 21] en [slachtoffer 22] heeft opgelicht en met behulp van computervredebreuk geld van hun rekeningen heeft weggenomen en vervolgens heeft witgewassen. Het geld van de bankrekeningen van [slachtoffer 20], [slachtoffer 21] en [slachtoffer 22] is immers onder andere omgezet naar goederen, te weten mobiele telefoons die zijn aangeschaft bij MediaMarkt en/of digitale waardebonnen.

Voornoemde telefoons zijn opgehaald door [medeverdachte 5]. Uit de verklaring van [medeverdachte 5] en uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 5] in nauw contact stond met [verdachte] voor, tijdens en na het ophalen van de mobiele telefoons en dat zij in opdracht van [verdachte] voornoemde mobiele telefoons bij MediaMarkt heeft opgehaald. Zij werd aangestuurd door en kreeg aanwijzingen van [verdachte]. Ook werd zij door [verdachte] opgehaald en gebracht naar MediaMarkt. Na haar aanhouding stond zij wederom in nauw contact met [verdachte]. Voort is uit de afgeluisterde telefoongesprekken gebleken dat [verdachte] deze mobiele telefoons moest ophalen in opdracht/op verzoek van [medeverdachte 2]. Zoals reeds overwogen bij de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29 regelde [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 2] mensen die de telefoons moesten gaan ophalen bij MediaMarkt. Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er bij het witwassen ten aanzien van de zaaksdossiers 20 en 22 een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 5].

Niet is echter gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 5], dan wel een ander of anderen, enige betrokkenheid hadden bij de oplichting, computervredebreuk en diefstal, gepleegd door [medeverdachte 2], dan wel het witwassen van de geldbedragen ten aanzien van zaaksdossier 21. Op grond van de bewijsmiddelen kan enkel worden vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 5] pas in beeld kwamen en slechts betrokkenheid hadden bij het ophalen van de mobiele telefoons bij MediaMarkt ten aanzien van de zaaksdossiers 20 en 22. De oplichting, de computervredebreuk en de diefstal van het geld van de bankrekeningen van [slachtoffer 20] en [slachtoffer 22] hadden toen al plaatsgevonden. Bewijs dat [verdachte] en [medeverdachte 5] betrokkenheid hadden bij het witwassen van het geld van de bankrekening van [slachtoffer 21] is ook niet voorhanden. [verdachte] zal dan ook van deze feiten worden vrijgesproken.

Conclusie ten aanzien van de zaaksdossiers 20, 21 en 22

De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

3.8

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5

3.8.1

Algemene overweging met betrekking tot deelname aan een criminele organisatie

Volgens bestendige jurisprudentie1 moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan “een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is”. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.

Er moet ook worden bewezen dat de organisatie tot oogmerk heeft misdrijven te plegen. Aangezien het oogmerk voldoende is, is een voltooid misdrijf, of strafbare poging of voorbereiding daartoe, dus niet vereist. Het oogmerk kan echter wel blijken uit de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven. Het oogmerk moet bovendien, gelet op de duurzaamheid van het samenwerkingsverband, gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven.

Het is niet vereist dat de verdachte precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht2. De verdachte dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Daarnaast is het niet van belang of de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid bij een misdrijf dat in het verband van de organisatie is begaan.3

Om van deelnemen aan de criminele organisatie te kunnen spreken, dient de verdachte te behoren tot de organisatie en moet hij een aandeel hebben in, dan wel ondersteuning bieden aan gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.4

De rechtbank zal aan de hand van het hiervoor geschetste juridisch kader beoordelen of, wellicht in wisselende verbanden, sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband, of de onderhavige organisatie als oogmerk had het plegen van computervredebreuk, diefstal met valse sleutel en/of witwassen, en of de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

3.8.2

Duurzame samenwerking

Hiervoor is reeds overwogen dat [medeverdachte 2] in het Gamay onderzoek zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan oplichting, computervredebreuk, diefstal met een valse sleutel en witwassen, en dat [medeverdachte 2] bij het witwassen bewust en nauw heeft samengewerkt met -onder meer- de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]. Daarnaast heeft de rechtbank hiervoor bewezenverklaard dat de verdachte zich in een aantal zaaksdossiers schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van diefstal met een valse sleutel. Daarmee heeft tot uitgangspunt te gelden dat er sprake is geweest van een samenwerking tussen [medeverdachte 2] en andere verdachten, onder wie de verdachte. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de samenwerking intensief was en dat de gehanteerde werkwijze een behoorlijke mate van samenwerking en coördinatie vereiste. Er zat maar een kort tijdsbestek tussen de oplichting, de computervredebreuk, de diefstal van het geld van de bankrekening van de aangevers en het vervolgens ophalen van de met dat gestolen geld bestelde goederen bij -onder andere- MediaMarkt. Dat is in algemene zin ook nodig omdat een slachtoffer in de regel relatief snel zal opmerken dat er geld van zijn of haar rekening is verdwenen en daarvan dan zo snel mogelijk melding zal maken bij de bank of de winkel waar goederen zijn besteld. Om te voorkomen dat de fraude mislukt zullen de personen die bij de diefstal betrokken zijn dus snel en gecoördineerd te werk moeten gaan. Uit de gehanteerde werkwijze blijkt ook van een zekere rolverdeling binnen de organisatie. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken en aangetroffen WhatsAppberichten leidt de rechtbank af dat [verdachte] zich er terdege van bewust was dat er de nodige tijdsdruk zat op het ophalen van de door [medeverdachte 2] bestelde spullen, hetgeen weer tot uiting kwam in de manier waarop hij de ‘ophalers’ bejegende. De ophalers volgden op hun beurt de ontvangen instructies nauwgezet op. Dit alles duidt naar het oordeel van de rechtbank op een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. De organisatie legde een duidelijke stelselmatigheid aan de dag, gelet op de organisatiegraad van het handelen en op het grote aantal slachtoffers.

Wanneer deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.

3.8.3

Crimineel oogmerk van de organisatie

Dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven leidt de rechtbank onder meer af uit de bewijsmiddelen die in de hierboven genoemde zaaksdossiers worden gehanteerd, op basis waarvan meerdere verdachten worden veroordeeld. De rechtbank verwijst daarbij naar de afgeluisterde telefoongesprekken tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en op het grote aantal aangetroffen WhatsApp-gesprekken met diverse (potentiële) slachtoffers in de mobiele telefoon van [medeverdachte 2]. Uit die gesprekken, tussen de verdachten onderling en tussen de verdachten en de (potentiële) slachtoffers, leidt de rechtbank - in onderling verband bezien met de misdrijven die worden bewezenverklaard - het oogmerk van de organisatie op het plegen van de in de tenlastelegging beschreven misdrijven af. Dat de verdachten op de hoogte waren van het criminele oogmerk van de organisatie is, mede gelet op de aard van de afgeluisterde telefoongesprekken en het aandeel van de verdachten in de bewezen verklaarde misdrijven, evident.

3.8.4

Deelnemers aan de organisatie en hun rol daarin

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat van de criminele organisatie in elk geval deel hebben uitgemaakt [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4].

Zij hebben – los van wat reeds volgt uit hetgeen ten laste van ieder van hen afzonderlijk is bewezenverklaard – in hoofdlijnen op de volgende wijze deelgenomen aan de organisatie.

[medeverdachte 2]

Uit de bewijsmiddelen van de bewezenverklaarde zaaksdossiers leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] de leider was van de organisatie. In aard en toon van de gesprekken die hij met andere verdachten voerde, leest de rechtbank een leidende, coördinerende en initiërende rol bij alle bewezenverklaarde zaaksdossiers. Hij is degene die de aangevers heeft opgelicht, waarna via computervredebreuk en diefstal door middel van een valse sleutel wederrechtelijk geldbedragen van hun bankrekeningen zijn overgemaakt. Met deze geldbedragen werden diverse goederen aangeschaft. Deze goederen werden op zijn initiatief opgehaald door andere mensen, onder wie [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]. [medeverdachte 2] had een bepalende rol in alle bewezenverklaarde zaaksdossiers.

[verdachte]

Uit de bewijsmiddelen van de bewezenverklaarde zaaksdossiers leidt de rechtbank af dat [verdachte] in opdracht van/op verzoek van [medeverdachte 2] mensen regelde om de goederen, die middels de frauduleuze handelingen waren betaald, op te halen. Hierbij stond hij in nauw contact met [medeverdachte 2]. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken wordt afgeleid dat hij veelvuldig contact had met de ‘ophalers’ en hen aanstuurde. Ook schroomde hij niet om te dreigen en intimideren indien een ophaler niet op de door hem gewenste manier wenste mee te werken. Voorts heeft hij een bankrekening aan [medeverdachte 2] ter beschikking gesteld om daarop met frauduleuze handelingen weggenomen geld te storten. Deze geldbedragen heeft hij in samenspraak met [medeverdachte 2] weer gepind van die bankrekening. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte], qua hiërarchie in de criminele organisatie, een belangrijke en essentiële rol vervulde, maar niet die van een leider.

[medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] heeft zestien maal goederen opgehaald bij filialen van MediaMarkt die op de hiervoor gemelde wijze waren verkregen. Met het ophalen van de spullen heeft hij -in elk geval- zestien keer de laatste en noodzakelijke handeling van witwassen verricht. Daarvoor stond hij in nauw contact met [medeverdachte 2]. Hij was hiermee een belangrijke en essentiële schakel binnen de criminele organisatie.

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 4] heeft tweemaal een mobiele telefoon bij een filiaal van MediaMarkt opgehaald. Haar rol is beperkter dan die van [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1], maar naar het oordeel van de rechtbank kan zij zonder meer als deelnemer aan de criminele organisatie worden aangemerkt. De afgeluisterde telefoongesprekken geven een beeld van nauw contact met [verdachte] en een andere ophaler, te weten [medeverdachte 3]. De afgeluisterde gesprekken geven verder inzicht in contact tussen [medeverdachte 4] en [verdachte], dat erop gericht was [medeverdachte 3] onder druk te zetten om mobiele telefoons op te halen en geld over te maken aan [verdachte]. [medeverdachte 4] heeft na de aanhouding en invrijheidstelling van [medeverdachte 3] nauw contact met haar onderhouden en geregeld dat zij in contact zou komen met [verdachte]. Hiermee heeft [medeverdachte 4] naar het oordeel van de rechtbank een essentiële en significante bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van het crimineel oogmerk van de organisatie.

3.8.5

Vrijspraak ten aanzien van [medeverdachte 7]

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 7] als deelneemster van de criminele organisatie kan worden aangemerkt. Ook acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 7] het opzet had om aan deze organisatie deel te nemen. Haar adviserende en ondersteunende rol ter verwezenlijking van het crimineel oogmerk van de organisatie, zoals door de politie en de officier van justitie gesteld, blijkt onvoldoende uit de bewijsmiddelen.

3.8.6

Conclusie

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het onder 5 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.9

Eindconclusie

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde ten aanzien van de zaaksdossiers 1 tot en met 15, 23, 24, 27, 31 en 33 tot en met 36 niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal worden vrijgesproken ten aanzien van deze feiten en zaaksdossiers.

Voorts acht de rechtbank het onder 1 en 2 tenlastegelegde ten aanzien van de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29 niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het onder 3 en 4 tenlastegelegde ten aanzien van de zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29 wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat daarbij een totaalbedrag van € 1.767,06 is weggenomen.

Tevens acht de rechtbank het onder 4 tenlastegelegde ten aanzien van de zaaksdossiers 16 tot en met 22 wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de langere periode en de regelmaat waarmee de verdachte handelde, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van gewoontewitwassen. Het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde ten aanzien van deze zaaksdossiers acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

Het onder 5 tenlastegelegde acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen.

3.10

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

3.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen meerdere geldbedragen ter waarde van in totaal EUR 1.767,06 toebehorende aan meerdere personen waarbij de verdachte en zijn mededader het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met behulp van de inloggegevens van de bankaccount van voornoemde personen, waartoe hij, verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren, in te loggen op de bankrekening van die personen en vervolgens geldbedragen over te maken naar onder andere de bankrekening van MediaMarkt;

Zaaksdossiers 25, 26, 28 en 29

4.

hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte

en zijn mededaders uit hoofde van die gewoonte in voornoemde periode meerdere geldbedragen overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij telkens wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Zaaksdossier 16 tot en met 22, 25, 26, 28 en 29

5.

hij in de periode van 01 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten:

[medeverdachte 2] en

[medeverdachte 1] en

[medeverdachte 4],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten

- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en

- computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht) en

- diefstal met valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en

- ( gewoonte) witwassen (artikel 420bis en/of 420ter Wetboek van Strafrecht);

Zaaksdossier 32

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een lagere straf dan door de officier van justitie geëist op te leggen. Voorts heeft de raadsman de voortzetting van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak verzocht.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich meermalen en samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel en aan gewoontewitwassen. Dit alles gebeurde in het kader van een crimineel samenwerkingsverband. De verdachte en zijn mededader(s) zijn daarbij zeer geraffineerd te werk gegaan en hebben misbruik gemaakt van het vertrouwen van hun slachtoffers. Zij hebben met geld dat door oplichting en frauduleuze handelingen van de bankrekeningen van de slachtoffers is verkregen, goederen aangeschaft en opgehaald. Het handelen van de verdachte is enkel gericht geweest op geldelijk gewin, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen voor de slachtoffers. De handelwijze van de verdachte heeft geleid tot behoorlijke financiële schade en heeft het vertrouwen van de aangevers in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen ernstig ondermijnd. Daarnaast hebben veel aangevers nog lang last gehad van gevoelens van schaamte over het misbruik dat van hun vertrouwen is gemaakt. De rechtbank rekent de verdachte al deze feiten zwaar aan, zeker ook omdat hieraan slechts door ingrijpen van politie en justitie een einde is gekomen. De verdachte had een belangrijke rol in het crimineel samenwerkingsverband, waarbij hij anderen onder druk en dreiging mee liet werken aan de strafbare feiten binnen de organisatie. De verdachte was daarin een essentiële en onmisbare schakel. Oplichtingspraktijken in georganiseerd verband zoals in deze zaak bewezenverklaard schaden het vertrouwen van consumenten in internetbedrijven als Marktplaats en vergroten het risico op ontwrichting van het economisch verkeer. De deelname van de verdachte aan deze criminele organisatie weegt daarom in verzwarende zin mee bij het bepalen van de zwaarte van de op te leggen straf.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

Het strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 juli 2022.

Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen maar niet voor soortgelijke delicten. De rechtbank heeft rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 8 december 2020. De rapporteur adviseert bij een veroordeling een straf op te leggen zonder daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. Gelet op de proceshouding van de verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.

De op te leggen straf

De weging van de hiervoor besproken omstandigheden, mede bezien in het licht van de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, leidt er toe dat de rechtbank na te melden onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden acht. Deze straf is, nu de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie gevorderd, lager dan de eis van de officier van justitie.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan, is twee jaren. De verdachte is op 7 juli 2020 in verzekering gesteld. In deze zaak is de redelijke termijn daarom overschreden. De rechtbank volstaat met de enkele constatering van deze – overigens minimale – overschrijding in deze omvangrijke en ingewikkelde strafzaak.

Ten aanzien van de geschorste voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is ter terechtzitting van 17 december 2020 geschorst tot het moment dat de rechtbank uitspraak zou doen in deze zaak. De reden hiervoor was dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het in vrijheid afwachten van zijn proces op dat moment prevaleerden boven het maatschappelijke belang van gevangenhouding van de verdachte. Dit was met name ingegeven door de omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak nog relatief lang op zich zou laten wachten. Echter, de grondslag voor voorlopige hechtenis was toen nog onverkort aanwezig. Uit de bewezenverklaring en de veroordeling tot een gevangenisstraf van 12 maanden volgt dat die grondslag ook nu nog aanwezig is. De reden om de verdachte destijds te schorsen is daarom thans niet meer aanwezig.

Een hernieuwde afweging van belangen leidt tot de conclusie dat de belangen van de maatschappij bij de detentie van de verdachte nu zwaarder moeten wegen dan de belangen van de verdachte. Het verzoek om de schorsing van de voorlopige hechtenis voort te zetten wordt dan ook afgewezen.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Op het voegingsformulier heeft de benadeelde partij echter geen schadebedrag ingevuld.

[slachtoffer 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 250,- aan materiële en € 1.250,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 8] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[slachtoffer 9] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[slachtoffer 10] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 125,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 13] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 16,57, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 15] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 203,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3,95 aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 19] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[slachtoffer 20] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 455,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[slachtoffer 26] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Op het voegingsformulier heeft de benadeelde partij geen schadebedrag ingevuld.

[slachtoffer 36] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[bank 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 37.751,81, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot:

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 4];

- hoofdelijke en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] tot een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] ten aanzien van een bedrag van € 704,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 19] tot een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 20], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 26];

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 36], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [bank 1], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, nu hij vrijspraak van de tenlastegelegde feiten heeft bepleit.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht:

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] af te wijzen, nu de schade reeds door de Rabobank is vergoed;

- de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk te verklaren, nu de gevorderde materiële schade geen rechtstreekse schade betreft en de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd;

- de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk te verklaren, nu de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd;

- de vordering benadeelde partij [slachtoffer 9] af te wijzen ten aanzien van een bedrag van € 704,-, aangezien deze schade reeds is vergoed, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, dan wel afwijzing van de vordering voor het overige, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd en geen rechtstreekse schade betreft;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] ten aanzien van de gevorderde materiële schade af te wijzen, nu deze schade reeds door de Rabobank is vergoed, en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde telefoonkosten en reiskosten, nu deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 19] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 20] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde proceskosten, nu deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank;

- de benadeelde partij [slachtoffer 26] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, nu de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd;

- zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 36];

- de benadeelde partij [bank 1] niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien er tussen de bewezenverklaarde feiten en de vordering onvoldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft immers de bedragen uit coulance uitgekeerd aan de rekeninghouders en niet omdat de benadeelde partij daartoe rechtens verplicht was. De vrijwillige uitkering kan daarom ook niet worden beschouwd als rechtstreekse schade.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen [slachtoffer 4], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 13], [slachtoffer 15], [slachtoffer 19], [slachtoffer 20], [slachtoffer 26] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken, dan wel aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten.

De benadeelde partij [slachtoffer 36] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering nu het feit ten gevolge waarvan deze partij stelt schade te hebben geleden -zaaksdossier 36- aan deze verdachte niet ten laste is gelegd.

Dit brengt mee dat deze benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [bank 1]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post “Onderzoekskosten”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post “Schadeloosstelling klanten”, is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en onvoldoende betwist namens de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vaststaan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de benadeelde partij niet rechtens verplicht was om de schade van de rekeninghouders te vergoeden. De rechtbank verwijst daarbij naar artikelen 7:528 en 7:529 van het Burgerlijk Wetboek. Banken zijn bij transacties waar de klant van de bank zelf niet mee heeft ingestemd wettelijk verplicht om tot vergoeding van de schade over te gaan, tenzij -kort gezegd- sprake is van grove nalatigheid, opzet of fraude van de klant. In de onderhavige zaken heeft de verdachte klanten van de benadeelde partij opgelicht. Hij heeft op geraffineerde wijze de beschikking gekregen over hun inlog- en bankgegevens door gebruik te maken van een website die tot in detail is nagebootst, waardoor voor de slachtoffers een vertrouwde en veilige bankomgeving werd gecreëerd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van grove nalatigheid van de slachtoffers en is niet aannemelijk dat de bank slechts heeft gehandeld vanuit coulanceoverwegingen bij het vergoeden van de schade van haar klanten. Tussen de bewezenverklaarde feiten en de vordering van de benadeelde partij bestaat om die reden voldoende verband om te concluderen dat er sprake is van rechtstreekse schade door het handelen van de verdachte.

De rechtbank zal derhalve de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van

€ 1.355,77 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 12 juli 2022 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding wordt toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover (een van) de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank overweegt daartoe dat de schadevergoedingsmaatregel een zelfstandige strafrechtelijk maatregel is die beoogt een door een strafbaar feit benadeelde te versterken in zijn positie tot herstel van de rechtmatige toestand. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag de benadeelde de inspanningen om dat herstel te bereiken zoveel mogelijk uit handen te nemen. Die inspanningen worden door het opleggen van de maatregel in handen gelegd van het openbaar ministerie (de Nederlandse Staat).

Naar het oordeel van de rechtbank is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in dit geval niet passend. De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten van inning via de schadevergoedingsmaatregel af te wentelen op de Staat. De benadeelde partij is een grote professionele organisatie die goed in staat is om zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen. Met de toewijzing van de vordering is de aansprakelijkheid van de verdachte immers een gegeven. Eventueel staat haar daarbij de mogelijkheid van lijfsdwang via 585 e.v. van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten dienste.

Voorts kleven voor de verdachte, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, grote nadelen aan het opleggen van deze maatregel in verband met het risico dat hij wegens betalingsonmacht gegijzeld kan worden. Anderzijds zijn de voordelen voor de benadeelde partij bij deze maatregel in het onderhavige geval relatief gering. Alle belangen afwegend zal de rechtbank niet tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel overgaan.

8 De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat het onder 6 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen, dan wel met behulp van deze voorwerpen de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33a, 47, 57, 63, 140, 311, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.10 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de feit 3

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 4

medeplegen van gewoontewitwassen

ten aanzien van feit 5

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 4], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 13], [slachtoffer 15], [slachtoffer 19], [slachtoffer 20], [slachtoffer 26] en [slachtoffer 36] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt voornoemde benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [bank 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.355,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. van der Schenk, voorzitter,

mr. M.H. Rochat, rechter,

mr. P.G. Salvadori, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2022.

Bijlage I: Tekst tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen (telkens) hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een of meer personen heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten gegevens waarmee kon worden ingelogd in de account van de/een/hun bank, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid,

op marktplaats zich voorgedaan als (een) bonafide koper(s) en/of (vervolgens) een betaalverzoek van EUR 0,01 verzonden (via een whatsappbericht) naar (een) verkoper(s) waarbij die persoon/personen (verkoper/verkopers) vervolgens naar een phishing website werden geleid, waar hij/zij werd(en) bewogen tot de afgifte van bovenomschreven gegevens;

Zaaksdossiers 1 tot en met 29, zaak 31 en zaak 33 en 34

2.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van een bank, althans een deel daarvan, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de geautomatiseerde werken heeft/hebben verworven:

-met behulp van (een) valse sleutel(s), te weten de (inlog)gegevens voor het internetbankieren (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord) van/bij

die bank en/of

-door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde een of meer geautoriseerde klant(en) van die bank;

Zaaksdossiers 1 tot en met 29, zaak 31 en zaak 33 en 34

3.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere geldbedragen (ter waarde van in totaal EUR 45.744,85)

toebehorende aan een of meer personen waarbij de verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met behulp van de inloggegevens van de bankaccount van voornoemde personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, in te loggen op de bankrekening van die personen en (vervolgens) geldbedragen over te maken naar onder andere de bankrekening van de mediamarkt;

Zaaksdossiers 1 tot en met 29, zaak 31 en zaak 33 en 34

4.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in Nederland, (telkens)tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte

en/of zijn mededader(s) (uit hoofde van die gewoonte) (telkens)in voornoemde periode één of meer geldbedragen (in elk geval van een bedrag van totaal EUR 45.744,85) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig -eigen- misdrijf;

Zaaksdossier 1 tot en met 31 en zaak 33 en 34

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2019 tot en met 23 juni 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten:

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 7] en/of

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

- een of meerdere andere onbekend gebleven persoon/personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten

- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

- computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht) en/of

- diefstal met valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- ( gewoonte) witwassen (artikel 420bis en/of 420ter Wetboek van Strafrecht);

Zaaksdossier 32

1 ECLI:NL:HR:2008:BB7134. HR 26 oktober 1993, LJN AD1974, NJ 1994, 161, HR 9 november 2004, LJN AQ8470 en HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50.

2 HR 5 september 2006, NJ 2007/336.

3 HR 15 mei 2007, NJ 2007/559.

4 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132.