Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:9475

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2022
Datum publicatie
21-09-2022
Zaaknummer
20/7994
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw; schending inlichtingenplicht; bijschrijvingen derden op bankrekening en contante storting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/7994

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. de Weger),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Boere).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode 1 juni 2019 tot 1 juni 2020 herzien. Over de periode van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020 heeft verweerder een brutobedrag van € 2.170,44 aan te veel verstrekte bijstand van eiseres teruggevorderd. Over de periode van 1 februari 2020 tot 1 juni 2020 heeft verweerder een bedrag € 1.160,35 verrekend met de bijstandsuitkering van eiseres.

Bij besluit verzonden op 19 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres ontving bijstand van verweerder op grond van de Pw. Naar aanleiding van een signaal van het inlichtingenbureau dat sinds 17 mei 2019 een auto op naam van eiseres geregistreerd stond, is verweerder een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van eiseres. In het kader van dat onderzoek heeft verweerder geconstateerd dat in de periode van 1 juni 2019 tot 1 juni 2020 (de periode in geding) diverse bijschrijvingen van derden en een storting op de bankrekening van eiseres hebben plaatsgevonden. Eiseres heeft de ontvangst van deze bedragen niet onverwijld en uit eigen beweging bij verweerder gemeld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een wijzigingsrapport Participatiewet van 24 juli 2020. Verweerder heeft een deel van de bedragen die eiseres blijkens het wijzigingsrapport heeft ontvangen, aangemerkt als middelen die van invloed zijn op haar recht op bijstand. Het gaat om één storting op 25 juli 2019 van € 200,- en onderstaande bijschrijvingen van derden op de bankrekening van eiseres:

  • -

    2 juni 2019: € 175,-

  • -

    28 juli 2019: € 200,- (lening)

  • -

    17 september 2019: € 250,- (lening)

  • -

    20 oktober 2019: € 100,-

  • -

    10 november 2019: € 150,- (lening)

  • -

    12 november 2019: € 100,-

  • -

    7 december 2019: € 200,-

  • -

    10 februari 2020: € 150,-

  • -

    23 maart 2020: € 150,-

  • -

    15 april 2020: € 360,39

  • -

    11 mei 2020: € 227,98

  • -

    25 mei 2020: € 271,98

2.1

De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om het primaire besluit te nemen.

2.2

Het daartegen gemaakte bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de beschrijvingen van derden en de contante storting op haar bankrekening niet bij verweerder te melden. Verweerder heeft over de periode van 1 juni 2019 tot 1 juni 2020 twaalf bijschrijvingen en één storting aangemerkt als periodieke giften en leningen die als middelen op de ontvangen bijstand in mindering moeten worden gebracht.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij genoegzaam heeft aangetoond dat de ontvangen bedragen geen middelen zijn. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake was van leningen en van eenmalige giften. Met betrekking tot de giften wijst eiseres op het beleid van verweerder om eenmalige giften van natuurlijke personen tot een bedrag van € 1.000,- per jaar vrij te laten Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat zij zich, mede als gevolg van haar privésituatie na haar komst naar Nederland, niet bewust was van haar verplichting om de ontvangen bedragen bij verweerder te melden.

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1

De hier te beoordelen periode loopt van 1 juni 2019 tot 1 juni 2020.

4.2

Niet in geschil is dat eiseres in de periode in geding meerdere bedragen op haar rekening heeft ontvangen, waaronder de bedragen die verweerder in mindering heeft gebracht op haar bijstandsuitkering. Verder staat vast dat eiseres de ontvangst van deze bedragen niet bij verweerder heeft gemeld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door verweerder in aanmerking genomen bedragen als middelen moeten worden aangemerkt, die eiseres aan verweerder had moeten melden. Voor zover die vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag of verweerder op grond daarvan heeft kunnen overgaan tot herziening en terugvordering van de aan eiseres verleende bijstand.

4.3

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) worden stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. 1

4.4

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw is bepaald dat giften niet tot de middelen worden gerekend voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Het college beschikt bij de toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw over beoordelingsvrijheid.2 Verweerder heeft aan deze beoordelingsvrijheid invulling gegeven met de ‘Beleidsregels vermogensvaststelling Participatiewet’ (de beleidsregels)

4.5

In artikel 8, eerste lid, van de beleidsregels wordt beschreven hoe giften door verweerder in ogenschouw worden genomen. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

- onder c: eenmalige giften van natuurlijke personen worden tot een bedrag van € 1.000,- per kalenderjaar vrijgelaten;

- onder d: periodieke giften zonder specifieke bestemming worden niet vrijgelaten en voor 100% als inkomsten met de algemene bijstand verrekend;

- onder e: periodieke giften met een specifieke bestemming voor kosten die in de algemene bijstand zijn inbegrepen worden niet vrijgelaten en voor 100% als inkomsten met de algemene bijstand verrekend;

- onder f: periodieke giften met een specifieke bestemming voor kosten die niet in de algemene bijstand zijn inbegrepen worden tot een bedrag van € 1.000,- per kalenderjaar vrijgelaten.

4.6

De rechtbank stelt vast dat eiseres in de periode in geding iedere maand, met uitzondering van de maanden augustus 2019 en januari 2020, één of meer bedragen heeft ontvangen van haar broer, ouders en ex-partner, variërend van € 100,- tot € 360,39. Gelet op de omvang van de bijschrijvingen en de regelmaat van de ontvangen bedragen is hier sprake van betalingen met een terugkerend of periodiek karakter. Om die reden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het beleid over eenmalige giften niet van toepassing is. Voorts zien de bijschrijvingen en de storting op een periode waarover een beroep op bijstand werd gedaan en konden zij door eiseres worden aangewend voor haar algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Daarom worden deze in beginsel als middelen aangemerkt, die bij het bepalen van het recht op bijstand in aanmerking moet worden genomen. Het ligt dan op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat verweerder deze bijschrijvingen en storting desondanks niet bij het bepalen van het recht op bijstand in aanmerking had moeten nemen, omdat zij vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

4.7

De rechtbank zal per bijschrijving en voor de storting bezien of verweerder deze terecht tot de in aanmerking te nemen middelen heeft gerekend.

4.7.1

De beroepsgrond dat de bijschrijvingen van de ouders van eiseres van 28 juli 2019 (€ 200,-), 17 september 2019 (€ 250,-) en 10 november 2019 (€ 150,-) leningen betreffen die niet als inkomsten in aanmerkingen genomen moeten worden, slaagt niet. Niet van belang is namelijk of bijschrijvingen van derden moeten worden aangemerkt als leningen. Evenmin is relevant of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden, noch of de lening daadwerkelijk is terugbetaald. Een geldlening is volgens artikel 31, tweede lid, van de Pw niet uitgezonderd van de middelen waarover de bijstandsgerechtigde kan beschikken.3

4.7.2

Over de bijschrijving op 2 juni 2019 van de broer van eisers van € 175,- heeft eiseres verklaard dat zij dit geld heeft ontvangen voor het opknappen van de kinderkamer na een verhuizing. Voor deze verklaring geldt dat deze niet is onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken waaruit blijkt dat het bedrag is besteed aan de kinderkamer. Dat betekent dat eiseres deze verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet hierop heeft verweerder deze bijschrijving op de rekening van eiseres terecht gerekend tot de in aanmerking te nemen middelen van eiseres.

4.7.3

Dit geldt ook voor de bijschrijving op 20 oktober 2019 van de broer van eiseres van € 100,- met de omschrijving “voor het eten.” Eiseres stelt dat zij op verzoek van haar broer boodschappen heeft gedaan en eten en maaltijden heeft bezorgd, omdat hij wegens een blessure de deur niet uit kon. De rechtbank overweegt dat er echter geen objectieve en verifieerbare stukken zijn overgelegd, waaruit blijkt dat het ontvangen bedrag daadwerkelijk is besteed ten behoeve van de broer van eiseres. De enkele omstandigheid dat uit de bankafschriften van eiseres in deze periode diverse transacties in supermarkten blijken, is daarvoor niet voldoende, omdat uit die transacties niet blijkt voor wie de inkopen zijn gedaan. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van een voldoende rechtstreeks verband tussen deze transacties en het ontvangen geldbedrag.

4.7.4

Ditzelfde geldt voor de bijschrijvingen op 12 november 2019 van € 100,- en op 7 december 2019 van € 200,- . Eiseres stelt dat deze bedragen naar haar zijn overgemaakt om sinterklaascadeaus en kerstcadeaus voor haar kinderen te kopen, maar de algemene omschrijving van de bijschrijvingen (“cadeau” en “van mama”) ondersteunen deze stelling onvoldoende. Eiseres heeft bovendien geen objectieve en verifieerbare stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de gelden zijn besteed voor de cadeaus, terwijl eiseres wel vrijelijk over deze bedragen heeft kunnen beschikken.

4.7.5

Eiseres stelt verder dat zij op 10 februari 2020 € 150,- van haar broer heeft ontvangen voor de zwemles van haar kind. Eiseres heeft daartoe een verklaring van haar broer en twee bonnen overgelegd van 11 februari 2020 (€ 76,10) en 23 juni 2020 (€ 42,55) (totaal € 118,65). Eiseres stelt dat zij het resterende bedrag aan een etentje heeft besteed. Naar het oordeel van de rechtbank is ook in dit geval niet gebleken van een rechtstreeks verband tussen de bijschrijving en de door eiseres gestelde besteding hiervan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de omschrijving van de bijschrijving op het rekeningafschrift (“Kado”) niet blijkt dat deze bedoeld was voor de zwemlessen van haar zoon en dat de bijschrijving een aanzienlijk hoger bedrag betreft dan de kosten die eiseres voor de zwemlessen heeft gemaakt. Aan de verklaring van de broer van eiseres komt niet het door haar gewenste gewicht toe, nu deze dateert van na het primaire besluit.

4.7.6

Op 23 maart 2020 heeft de broer van eiseres € 150,- overgemaakt. Eiseres stelt dat haar broer jarig was en dat hij de kinderen nergens mee naar toe kon nemen in verband met het Coronavirus. Haar broer heeft het geld overgemaakt, zodat eiseres toch nog iets met de kinderen kon doen. Eiseres heeft aldus vrijelijk over het bedrag kunnen beschikken en dit kunnen besteden aan onder andere kosten voor eten/boodschappen, etentjes en uitjes. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit algemeen noodzakelijke bestaanskosten zijn die eiseres geacht wordt uit haar bijstandsuitkering te voldoen. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de drie bijschrijvingen van de ex-partner van eiseres op 15 april 2020 van € 360,39 (met de omschrijving “funds for food, supplies and kids”), 11 mei 2020 van € 227,98 (“for food, supplies and the kids”) en 25 mei 2020 van

€ 271,98 (“for food, supplies and the kids”).

4.7.7

De beroepsgrond dat de eenmalige kasstorting van € 200,- op 25 juli 2019 niet als middel moet worden aangemerkt, slaagt. Bij kasstortingen is sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de inkomensbron in beginsel onduidelijk is. Indien het bedrag van de kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het bedrag daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen.4 Eiseres stelt dat zij dit bedrag contant van haar ex-partner heeft ontvangen en heeft gestort op haar rekening om een verjaardagcadeau voor hun zoon te kopen die jarig was op 31 juli 2019. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling een bon gevoegd van Decathlon waaruit – zo is niet in geschil – blijkt dat op 28 juli 2019 een kinderfiets is gekocht voor € 212,96. Daarnaast heeft zij een verklaring van haar ex-partner overgelegd waarin hij bevestigt dat hij op 25 juli 2019 € 200,- aan eiseres heeft gegeven voor de aanschaf van een fiets voor hun zoon. Gelet op het geringe verschil tussen het bedrag van de storting en de aanschafprijs van de fiets, de korte periode tussen de storting en de aankoop van de fiets, de verklaring van de ex-partner en de omstandigheid dat zowel de storting als de aankoop van de fiets plaatsvonden enkele dagen vóór de verjaardag van de zoon, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de storting van € 200,- plaatsvond om een verjaardagscadeau voor haar zoon te kopen. Verweerder heeft dit bedrag, gelet op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m van de Pw gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f van de beleidsregels, daarom ten onrechte gerekend tot de in aanmerking te nemen middelen van eiseres.

4.8

Gelet op het voorgaande had eiseres de bijschrijvingen van derden op haar rekening bij verweerder moeten melden. Door dat niet te doen, heeft eiseres de inlichtingenverplichting uit artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden. Dat eiseres niet op de hoogte was van (de reikwijdte van) deze verplichting, doet hieraan niet af: de inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Verweerder was daarom gehouden de bijstand over de hier in geding zijnde periode te herzien door alsnog met de ontvangen inkomsten rekening te houden. Dit volgt uit artikel 54, derde lid, van de Pw. Verweerder was daarnaast, op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw gehouden de daardoor teveel betaalde bijstand van eiseres terug te vorderen.

4.9

Wat onder 4.7.7 is overwogen brengt mee dat verweerder de bijstand van eiseres over de maand juli 2019 met een te hoog bedrag heeft herzien, namelijk met een bedrag van € 631,40 bruto (€ 400,- netto), waar slechts herzien mocht worden met een bedrag van € 315,70 bruto (€ 200,- netto).

5. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, door het primaire besluit te herroepen voor zover het de hoogte van het terugvorderingsbedrag betreft. De rechtbank zal het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020 vaststellen op € 1.854,74 (€ 2.170,44 - € 315,70).

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

7. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.600,- (voor het bezwaar- en beroepschrift elk 1 punt en voor het verschijnen ter hoorzitting en zitting elk 1 punt, bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 541,- (bezwaar), respectievelijk € 759,- (beroep)).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit voor zover het de hoogte van het terugvorderingsbedrag betreft;

- stelt het terug te vorderen bedrag over de periode van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020 vast op € 1.854,74;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.600,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van

mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2022.

griffier

rechter

de griffier is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie de uitspraak van de CRvB van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055.

2 Zie de uitspraak van de CRvB van 26 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2616.

3 Zie de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:62.

4 Zie de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:62.