Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:9135

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2022
Datum publicatie
13-09-2022
Zaaknummer
NL22.15191 en NL22.15192
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel: ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL22.15191 en NL22.15192


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de (derde) aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.15192, op 23 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F.C. Thiel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Ghanese nationaliteit. De

asielaanvraag is bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen nieuwe relevante feiten of omstandigheden zijn aangedragen door eiser. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Wat ging vooraf aan het bestreden besluit?

2. Eiser heeft op 9 januari 2019 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 18

februari 2019 is deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat een andere lidstaat (Tsjechië) verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag. Bij uitspraak van 5 april 2019 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.1

Vervolgens heeft eiser op 6 maart 2021 een tweede asielaanvraag ingediend, welke aanvraag bij besluit van 22 april 2022 buiten behandeling is gesteld. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Op 27 juni 2022 heeft eiser een derde asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 6 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de (derde) aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder de

aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De vaststelling door verweerder dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, is onjuist. De vorige asielaanvraag van 6 maart 2021 (tweede asielaanvraag) van eiser is ten onrechte buiten behandeling gesteld. Eiser is niet in staat om zijn asielrelaas eenduidig naar voren te brengen. Bij terugkeer naar Ghana vreest eiser voor de politie. Om deze reden is gedwongen terugkeer in strijd met artikel 3 van het EVRM.2 Op de zitting heeft eiser aangegeven, dat hij het beroep wil intrekken en terug wil naar Ghana.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Ontvankelijkheid van het beroep

4. De rechtbank stelt vast dat eiser herhaaldelijk wisselend heeft verklaard over het al

dan niet willen doorzetten van zijn asielprocedure. Daarom neemt de rechtbank zekerheidshalve aan dat eiser, ondanks zijn uitlatingen op de zitting, nog belang heeft bij het onderhavige beroep. Het beroep is dus ontvankelijk.

Verwijzing naar de zienswijze

5. Voor zover eiser verzoekt om zijn zienswijze in zijn gronden van beroep als

herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in zijn zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze leidt daarom niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

6. De rechtbank stelt verder voorop dat als er geen relevante wijziging van het recht is,

de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juni 2016.3 Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

7. In hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden voor

het oordeel, dat er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen bij deze derde asielaanvraag van eiser. Dat zijn tweede asielaanvraag destijds ten onrechte buiten behandeling zou zijn gesteld, is niet gebleken. Uit het dossier en de behandeling op zitting is niet gebleken, dat eiser destijds ten onrechte geen rechtsbijstand heeft gehad. Voor wat betreft de stelling van eiser, dat hij niet in staat is zijn asielrelaas eenduidig naar voren te brengen vanwege “psycho-sociale problemen”, heeft verweerder in het bestreden besluit terecht vastgesteld, dat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd.

8. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op

het standpunt heeft gesteld dat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht die af kunnen doen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop het besluit rust. Verder is niet gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw 2000.

Conclusie

9. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

Omdat hiermee op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep (NL22.15191) ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL22.15192) af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.Y. Majoor, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 NL19.3783.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 ECLI:NL:RVS:2016:1759.