Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:9073

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2022
Datum publicatie
22-09-2022
Zaaknummer
C/09/596206 / HA ZA 20-689
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Vordering ex-werkneemster op (voormalig) bestuurder werkgever toegewezen. Werkgever verkeerde in financieel zwaar weer. Uitkeringen aan managementvennootschap bestuurder deels onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/596206 / HA ZA 20-689

Vonnis van 14 september 2022

in de zaak van

[eiseres] te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. M.G. Hofman te Haarlem,

tegen

[gedaagde] te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.R. Duijn te Zaandam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 juni 2020, met producties 1 tot en met 28;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 10 november 2021, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    de akte houdende overlegging van producties van [eiseres] van 13 januari 2022, met producties 29 tot en met 32;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 13 januari 2022;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] , met producties G3 tot en met G5;

  • -

    de antwoordakte van [eiseres] .

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele onjuistheden per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is de datum voor vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is tot 1 maart 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest bij [de B.V.] (hierna: [de B.V.] ). [de B.V.] is een trustkantoor.

2.2.

[gedaagde] was vanaf 15 september 2005 tot 28 mei 2019 (enig) bestuurder van [de B.V.] . Hij heeft deze werkzaamheden verricht op basis van een managementovereenkomst tussen [de B.V.] en zijn [BV II] (later [B.V. III] (hierna: [B.V. III] )). Enig aandeelhouder van [de B.V.] was (en is) [de Holding] , waarvan [gedaagde] de enige aandeelhouder en bestuurder is geweest.

2.3.

[eiseres] is per 9 juli 2018 door [de B.V.] op non-actief gesteld. Eind juli 2018 heeft [eiseres] samen met een oud-collega, mevrouw [A] (hierna: [A] ), een verzoekschrift tot faillietverklaring van [de B.V.] ingediend. De rechtbank Amsterdam heeft dit verzoek bij beschikking van 24 oktober 2018 afgewezen.

2.4.

Op 7 september 2018 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van [de B.V.] – bestaande uit enige aandeelhouder [de Holding] , die daarbij werd vertegenwoordigd door [gedaagde] – het besluit genomen tot liquidatie van de vennootschap. De tekst van het besluit luidt als volgt:

“The company [de B.V.] ceases to close its trust and economic activities per 15th of November 2018 by returning its trust license to the Dutch Central Bank. Its therefore that The Chairman moves to voluntarily dissolve the Company effective as soon all liabilities, among the dismissal of personnel on economic grounds and authorize the managing director to do all in his capacity to finish the dissolvement of the company as soon as possible; this motion is put to the vote and is carried unanimously.”

2.5.

Medio november 2018 heeft [de B.V.] haar trust-licentie bij De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) ingeleverd. [de B.V.] heeft daarna nog diverse schuldeisers voldaan. De vennootschap is uiteindelijk niet geliquideerd en bestaat nog steeds.

2.6.

Na verkregen toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), heeft [de B.V.] de arbeidsovereenkomst met [eiseres] opgezegd per 1 maart 2019. [eiseres] is daarop een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland gestart, waarna de kantonrechter bij beschikking van 22 augustus 2019 (hierna: de beschikking) [de B.V.] heeft veroordeeld om aan [eiseres] diverse bedragen te voldoen:

  • -

    een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ten bedrage van € 4.759,26 bruto;

  • -

    een vergoeding voor het inbrengen van klanten ten bedrage van € 22.666,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2019;

  • -

    de pensioenbijdragen vanaf 1 januari 2017 tot 1 maart 2019, waarvan de hoogte bepaald dient te worden aan de hand van de door [de B.V.] ten aanzien van collega [B] gehanteerde pensioenregeling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari jaarlijks ten aanzien van de respectieve pensioenbijdragen betrekking hebbende op het jaar daaraan voorafgaande tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    een vergoeding voor telefoonkosten vanaf juli 2018 tot 1 maart 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag volgende op de kalendermaand waarop de vergoeding betrekking heeft tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    een vergoeding voor 68,5 openstaande vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente vanaf 1 maart 2019 tot aan de dag der algehele vergoeding.

2.7.

Tegen voornoemde beschikking is door [de B.V.] geen hoger beroep ingesteld. [de B.V.] heeft niet voldaan aan de veroordelingen uit de beschikking. [eiseres] heeft executoriaal beslag onder [de B.V.] gelegd. Dit heeft niet tot voldoening van de vordering van [eiseres] geleid.

2.8.

[B.V. III] heeft in de periode januari 2018 tot en met maart 2019 de volgende (management fee) facturen aan [de B.V.] gestuurd, die door [de B.V.] ook zijn voldaan:

Datum factuur totaalbedrag specificaties

22 januari 2018

€ 8.414,36 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-

19 februari 2018

€ 8.414,36 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-

19 maart 2018

€ 8.414,36 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-

19 april 2018

€ 15.452,93 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,- en fee vacation allowance van € 5.817,-

19 mei 2018

€ 9.118,22 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,- en fee vacation allowance van € 581,70

11 juni 2018

€ 9.118,22 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,- en fee vacation allowance van € 581,70

11 juli 2018

€ 9.118,22 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,- en fee vacation allowance van € 581,70

7 augustus 2018

€ 9.118,22 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,- en fee vacation allowance van € 581,70

10 augustus 2018

€ 816,75 incl. btw

extra kosten vakantievlucht i.v.m. faillissementsaanvraag

1 september 2018

€ 3.043,15 incl. btw

Extra kosten i.v.m. tijd faillissementsaanvraag en andere zaken tijdens vakantieperiode

5 september 2018

€ 8.529,80 incl. btw

verrekening opslag werkgeversaandeel sociale lasten periode maart-december 2017

5 september 2018

€ 9.719,22 incl. btw

verrekening opslag werkgeversaandeel sociale lasten periode januari-september 2018

6 september 2018

€ 9.118,22 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,- en fee vacation allowance van € 581,70

14 november 2018

€ 10.198,13 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-, fee vacation allowance van € 581,70 en opslag werkgeversaandeel sociale lasten F311 van € 892,49

7 december 2018

€ 18.668,13 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-, fee vacation allowance van € 581,70, opslag werkgeversaandeel sociale lasten F311 van € 892,49 en bonus toeslag van € 7.000,-

18 januari 2019

€ 13.223,13 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-, fee vacation allowance van € 581,70, opslag werkgeversaandeel sociale lasten F311 van € 892,49 en bonus toeslag van € 2.500,-

18 februari 2019

€ 10.198,13 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-, fee vacation allowance van € 581,70 en opslag werkgeversaandeel sociale lasten F311 van € 892,49

3 maart 2019

€ 10.198,13 incl. btw

o.a. management fee van € 6.610,-, fee vacation allowance van € 581,70 en opslag werkgeversaandeel sociale lasten F311 van € 892,49

2.9.

Vanaf 28 mei 2019 is [gedaagde] niet langer bestuurder van [de B.V.] .

2.10.

In oktober 2019 heeft [eiseres] bij de Accountskamer een klacht tegen [gedaagde] ingediend, waarbij zij zich onder meer op het standpunt heeft gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de haar toekomende vergoeding niet te betalen, terwijl andere crediteuren wel zijn betaald, en dat [gedaagde] activa uit [de B.V.] heeft laten verdwijnen. De Accountantskamer heeft deze klachtonderdelen afgewezen.

2.11.

Op 7 juli 2020 heeft De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) aan [gedaagde] een bestuurlijke boete opgelegd van € 239.000,- omdat hij vanaf 15 november 2018 tot in ieder geval 24 juni 2019 trustdiensten heeft verricht zonder een daartoe vereiste vergunning. De boete is uiteindelijk gematigd tot een bedrag van € 2.500,-.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

I. primair:

a. een schadevergoeding van € 78.540,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele vergoeding, alsmede,

b. een schadevergoeding gelijk aan de door [de B.V.] aan [eiseres] verschuldigde pensioenbijdragen over de periode van 1 januari 2017 tot 1 maart 2019, waarvan de hoogte bepaald dient te worden aan de hand van de door [de B.V.] ten aanzien van collega [B] gehanteerde pensioenregeling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari jaarlijks ten aanzien van de respectieve pensioenbijdragen betrekking hebbende op het jaar daaraan voorafgaande tot aan de dag der algehele voldoening, conform de beschikking van de kantonrechter d.d. 22 augustus 2019;

II. subsidiair: een schadevergoeding door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

III. in alle gevallen:

a. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.775,00 te vermeerderen met 21% BTW;

b. de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat daaronder begrepen, vermeerderd met de nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente indien [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft voldaan.

3.2.

[eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

[gedaagde] heeft als bestuurder van [de B.V.] onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door met verhaalsfrustratie en/of selectieve wanbetaling te bewerkstelligen dat de vorderingen van [eiseres] op [de B.V.] niet meer voldaan konden worden, terwijl [de B.V.] er al lange tijd van op de hoogte was dat [eiseres] aanzienlijke vorderingen op [de B.V.] had. Hiervan kan [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. [eiseres] heeft al gevolg van deze onrechtmatige daad schade geleden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kern van het geschil

4.1.

In de kern gaat het in deze procedure om de vraag of [gedaagde] als bestuurder van [de B.V.] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door een situatie te creëren waarin haar vorderingen op [de B.V.] niet meer voldaan konden worden en [de B.V.] daarvoor ook geen verhaal bood.

Juridisch kader

4.2.

Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor de schade die het gevolg is van tekortschieten door de vennootschap geldt een hoge drempel. Hiervoor is vereist dat aan die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Een bestuurder van een vennootschap is niet persoonlijk aansprakelijk jegens een vennootschapsschuldeiser die is benadeeld wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering, op de enkele grond dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers heeft betaald met voorrang boven die vennootschapsschuldeiser (vergelijk Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73). Van een ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

4.3.

In deze zaak maakt [eiseres] [gedaagde] de volgende verwijten:

  • -

    [de B.V.] heeft onder leiding van [gedaagde] in de loop der jaren haar liquide middelen, overige activa en diensten tot nihil heeft afgebouwd;

  • -

    [de B.V.] heeft uit de vennootschap activa laten verdwijnen, waaronder een tweetal bedrijfsauto’s;

  • -

    [de B.V.] heeft in de loop der jaren substantiële managementvergoedingen betaald aan [B.V. III] (€ 0,- over 2014, € 5.000,- over 2015, € 16.595,- over 2016, € 49.806,- over 2017 en meer dan € 100.000,- over 2018);

  • -

    In december 2017 heeft [de B.V.] op basis van een claim van derden een schikking getroffen en deze derden financieel tegemoet gekomen.

4.4.

Nu [eiseres] zich in dit verband beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten en rechten, draagt zij daarvan op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bewijslast. [eiseres] heeft onvoldoende feiten aangevoerd die een uitzondering op deze hoofdregel rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] als bestuurder en enig aandeelhouder de volledige zeggenschap had over [de B.V.] , is in ieder geval onvoldoende om van deze hoofdregel af te wijken.


Ontstaan vordering [eiseres] op [de B.V.]

4.5.

Voordat de rechtbank overgaat tot de beoordeling van voornoemde verwijten, stelt zij het volgende voorop. Onderdeel van het geschil tussen partijen betreft de vraag wanneer de vorderingen van [eiseres] op [de B.V.] – zoals deze volgen uit de beschikking – zijn ontstaan. [eiseres] heeft in dit verband aangevoerd dat [de B.V.] er al lange tijd van op de hoogte was dat zij diverse vorderingsrechten op [de B.V.] had, zodat [gedaagde] als bestuurder van [de B.V.] daarmee bij zijn financiële beleidsbeslissingen rekening had moeten houden.

4.6.

[gedaagde] heeft er in dit verband op gewezen dat de vorderingsrechten van [eiseres] pas met de beschikking, dus op 22 augustus 2019, zijn ontstaan. [gedaagde] was toen geen bestuurder meer van [de B.V.] . In de tijd dat [gedaagde] bestuurder was van [de B.V.] kon hij niet anticiperen op de toekomstige vorderingen van [eiseres] , aldus [gedaagde] .

4.7.

Dit verweer wordt verworpen. Met de beschikking heeft de kantonrechter diverse vorderingsrechten van [eiseres] vastgesteld. Deze rechten zijn echter voor een belangrijk deel een uitvloeisel van de per 1 maart 2019 door [de B.V.] beëindigde arbeidsrelatie die [eiseres] met [de B.V.] heeft gehad. [de B.V.] wist of behoorde te weten dat zij bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] per 1 maart 2019 moest afrekenen, in die zin dat in ieder geval een transitievergoeding, pensioenbijdragen, een vergoeding voor telefoonkosten en een vergoeding voor openstaande vakantiedagen moest betalen. Dat de exacte omvang van de vordering wellicht niet op voorhand vaststond, doet daaraan niet af. Ook diende [de B.V.] er rekening mee te houden dat zij [eiseres] moest vergoeden voor de inbreng van haar klantenbestand, als gevolg waarvan – zo volgt uit de beschikking – de omzet van [de B.V.] substantieel was toegenomen. Overigens is ook gebleken dat [de B.V.] ervan is uitgegaan dat zij [eiseres] financieel zou moeten compenseren (uiterlijk) bij beëindiging van de arbeidsrelatie. Uit het door [eiseres] als productie 11 bij dagvaarding overgelegde management report over het boekjaar 2017 blijkt dat er schuld van € 40.000,- terzake “turnover fee […] [de rechtbank begrijpt: [eiseres] ]” en een post “te betalen pensioenpremie” van € 36.000,- zijn vermeld, waarvan [gedaagde] niet heeft betwist dat deze financiële voorzieningen betrekking hadden op vorderingen van [eiseres] op [de B.V.] . Ook volgt uit de jaarrekening over het jaar 2018 dat er een claim van ongeveer € 150.000,- lag van een werknemer met wie de arbeidsrelatie was opgezegd, waarvan niet is betwist dat dit op [eiseres] zag. [de B.V.] heeft daarbij ook met andere van haar ex-werknemers een financiële regeling getroffen, en ook met [eiseres] is daarover onderhandeld. De rechtbank stelt dan ook vast dat [de B.V.] , en daarmee [gedaagde] in de tijd dat hij bestuurder van [de B.V.] is geweest, ermee bekend was dat [de B.V.] [eiseres] in ieder geval nog een aanzienlijke vergoeding verschuldigd was in het kader van de beëindiging en afwikkeling van de arbeidsovereenkomst.

Ten aanzien van de aan [gedaagde] gemaakte verwijten

4.8.

[eiseres] verwijt [gedaagde] dat hij heeft bewerkstelligd dat de liquide middelen, overige activa en diensten van [de B.V.] tot nihil zijn afgebouwd. In dat kader is het volgende van belang.

4.9.

Gelet op de voorgenomen liquidatie van [de B.V.] , zoals volgt uit het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 7 september 2018, geldt dat het [de B.V.] in beginsel vrij stond haar activa en liquiditeiten af te bouwen (tot nihil). Deze handelwijze stuit pas op problemen als schuldeisers van de vennootschap worden benadeeld. Dat [eiseres] zou zijn benadeeld als gevolg van de verkoop van domeinnamen en overgedragen diensten, zoals [eiseres] heeft gesteld, is echter niet komen vast te staan. Zo is niet komen vast te staan dat [de B.V.] in het kader van deze verkopen bijvoorbeeld een te lage prijs heeft ontvangen, zodat zij zichzelf (en daarmee [eiseres] , als enige resterende schuldeiser) heeft benadeeld. [eiseres] heeft niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat genoemde verkopen niet tegen een marktconforme prijs zijn geschied.

4.10.

Dat met de verkoop van twee bedrijfsauto’s van [de B.V.] onrechtmatig jegens [eiseres] is gehandeld, is evenmin gebleken. Van in ieder geval een van de auto’s is tussen partijen niet in geschil dat [de B.V.] deze heeft betrokken in een vaststellingsovereenkomst in het kader van de afwikkeling van het arbeidscontract met ex-werkneemster mevrouw [B] . De enkele omstandigheid dat [de B.V.] daarvoor niet alleen liquiditeiten maar ook een bedrijfsauto heeft aangewend, is niet onrechtmatig. [de B.V.] diende in het kader van haar liquidatie immers met diverse werknemers een regeling te treffen en de bedrijfsauto vertegenwoordigde een substantiële waarde. [eiseres] heeft onvoldoende aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat op dit punt sprake is geweest van verhaalsfrustratie. Ook voor wat betreft de tweede bedrijfsauto heeft [eiseres] onvoldoende feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat deze op ongeoorloofde wijze aan het vermogen van de vennootschap is onttrokken.

4.11.

De omstandigheid dat [de B.V.] met alle andere werknemers van [de B.V.] wel, maar met [eiseres] geen regeling heeft getroffen, is op zichzelf evenmin voldoende om een onrechtmatige daad van [gedaagde] aan te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat zij hebben onderhandeld over een vergoeding, maar dat zij geen overeenstemming hebben bereikt. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [de B.V.] in 2018/begin 2019, toen [de B.V.] met [eiseres] in gesprek was over een regeling, hoge kosten voor externe adviseurs heeft gemaakt die zwaar op de vennootschap drukten, zoals onder meer advocaatkosten in het kader van een geschil met DNB, juridische bijstand in de arbeidsrechtelijke geschillen, kosten in het kader van de faillissementsaanvraag door onder meer [eiseres] , het mediationtraject en de salariskosten van [eiseres] tot 1 maart 2019. Tegen die achtergrond is het op zichzelf denkbaar dat een bestuurder lange tijd in de veronderstelling verkeert dat de vennootschap al haar crediteuren kon voldoen, zodat tot liquidatie van de vennootschap overgegaan kan worden, maar dat de praktijk gaandeweg weerbarstiger bleek.

4.12.

De rechtbank stelt voorop dat ook als een vennootschap niet meer in staat is om al haar schuldeisers te betalen, de betaalautonomie voorop staat. Dat neemt niet weg dat een bestuurder aansprakelijk kan zijn vanwege selectieve wanbetaling als zijn handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan kan sprake zijn in geval van betalingen aan gelieerde schuldeisers of aan schuldeisers waar de bestuurder een persoonlijk belang bij heeft.

4.13.

Toen het besluit tot liquidatie werd genomen, stond vast dat de inkomsten van [de B.V.] op korte termijn zouden opdrogen. [gedaagde] heeft de situatie van [de B.V.] op dat moment vergeleken met een “leeglopende ballon”. Hij heeft bij de mondelinge behandeling gezegd dat er op het tijdstip van het besluit tot liquidatie van [de B.V.] met werknemer [A] is gesproken over een regeling en dat die regeling kort nadien ook getroffen is. Volgens [gedaagde] had [de B.V.] toen nog geld in kas voor het treffen van een regeling met [eiseres] – aan wie volgens [gedaagde] € 45.000,- is aangeboden – en geld voor het voldoen van advocaat- en afwikkelingskosten. Gelet op de voorzieningen van € 40.000,- en € 36.000,- die in het management report over boekjaar 2017 zijn opgenomen voor “turnover fee” en voor [eiseres] bestemde pensioenvoorziening en de voorziening van € 150.000,- die in de jaarrekening 2018 is opgenomen als voorziening voor de kosten van het arbeidsgeschil met [eiseres] en het gegeven dat de arbeidsovereenkomst met [eiseres] nog niet was beëindigd en [de B.V.] haar maandsalaris van € 6.610,80 bruto nog moest doorbetalen tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd, was naar het oordeel van de rechtbank op het tijdstip van het liquidatiebesluit voorzienbaar dat er onvoldoende geld in kas was om [eiseres] en de andere schuldeisers te voldoen. De rechtbank zal de betalingen die [gedaagde] als (indirect) bestuurder van [de B.V.] aan zijn managementvennootschap [B.V. III] heeft verricht in de periode rondom het liquidatiebesluit en de periode die daarop volgde dus kritisch bezien.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat het op zichzelf niet onrechtmatig is van [gedaagde] dat [de B.V.] managementvergoedingen heeft betaald aan [B.V. III] . Niet in geschil is dat [gedaagde] via [B.V. III] daadwerkelijk werkzaamheden voor [de B.V.] heeft verricht en op grond van een managementovereenkomst recht bestond op een managementvergoeding, waarvan de hoogte jaarlijks kon worden aangepast. Deze werkzaamheden worden geacht in het belang van de vennootschap te zijn, en hadden mede ten doel dat [de B.V.] haar schuldeisers in de liquidatiefase kon voldoen. Ten aanzien van de door [B.V. III] in rekening gebrachte, en door [de B.V.] betaalde maandelijkse management fee van € 6.610,- en de “fee vacation allowance” van € 581,70 is de rechtbank dan ook van oordeel dat deze niet onrechtmatig zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook [eiseres] tot 1 maart 2019 salaris heeft ontvangen en dat de aan [B.V. III] betaalde maandelijkse management fee gelijk is aan het brutomaandsalaris van [eiseres] . Van een buitensporige management fee is dus geen sprake. Tegen die achtergrond zijn de betalingen van de management fees van [gedaagde] tot 3 maart 2019 niet onrechtmatig.

4.15.

Met [eiseres] is de rechtbank echter van oordeel dat er diverse bedragen door [B.V. III] bij [de B.V.] in rekening zijn gebracht, en door [de B.V.] zijn voldaan, die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Gelet op het op 7 september 2018 door de algemene vergadering van [de B.V.] – lees: [gedaagde] – genomen besluit tot liquidatie van de vennootschap, geldt dat de betalingen van 5 september 2018 van achtereenvolgens € 8.529,80 (“verrekening opslag werkgeversaandeel sociale lasten periode maart-december 2017”) en € 9.719,22 (“verrekening opslag werkgeversaandeel sociale lasten periode januari-september 2018”) om uitleg riepen, met name nu [gedaagde] op grond van een managementovereenkomst vanuit [B.V. III] werkzaam was voor [de B.V.] , zodat van werkgeverschap geen sprake was en niet valt in te zien waarom [de B.V.] een “werkgeversaandeel sociale lasten” aan [B.V. III] zou moeten betalen. Deze betalingen zijn weliswaar verricht twee dagen voordat de algemene vergadering van aandeelhouders van [de B.V.] het besluit heeft genomen de activiteiten te beëindigen en de vennootschap te liquideren, maar het kan niet anders dan dat [gedaagde] die beslissing op 5 september 2018 al had voorbereid en die vervolgens op 7 september 2018 heeft geformaliseerd in de vorm van een aandeelhoudersbesluit. Tegen die achtergrond houdt de rechtbank het ervoor dat [gedaagde] in het licht van de voorgenomen liquidatie deze bedragen onrechtmatig aan de vennootschap heeft onttrokken. Immers, [de B.V.] wist dat zij met [eiseres] nog tot een financiële afwikkeling van haar arbeidsovereenkomst moest komen, en ook nog een vergoeding moest voldoen voor de door [eiseres] ingebrachte contacten en zoals hiervoor is overwogen moet [gedaagde] hebben voorzien dat er onvoldoende geld in kas was om alle schulden van [de B.V.] te voldoen. De onrechtmatigheid strekt zich daarmee ook uit tot de posten van € 892,49 over de maanden november 2018 tot en met maart 2019 ter zake van opslag “werkgeversaandeel sociale lasten F311”.

4.16.

Tegen voornoemde achtergrond, waarbij de vennootschap in zwaar verkeerde, geldt dat de bonustoeslagen van € 7.000,- (7 december 2018) en € 2.500,- (18 januari 2019) eveneens onrechtmatig zijn jegens [eiseres] . Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om ervoor te waken dat zijn persoonlijke belang bij betalingen aan zijn [B.V. III] niet boven het belang van [eiseres] bij voldoening uit de vennootschap zou gaan. Daarvan is niet gebleken, en dat kwalificeert als een onrechtmatige daad jegens [eiseres] . De rechtbank is aldus van oordeel dat [gedaagde] als bestuurder van [de B.V.] ten onrechte voor een bedrag van € 32.211,47 (€ 8.529,80 + € 9.719,22 + 5 x € 892,49 + € 7.000,- + € 2.500,-) betalingen aan [B.V. III] heeft verricht, die ten koste van [eiseres] zijn gegaan. Dit bedrag had door [de B.V.] moeten worden aangewend voor voldoening van de vorderingen van [eiseres] – althans een deel daarvan – of in het kader van een met haar te treffen regeling. Het verwijt van [eiseres] aan [gedaagde] treft in zoverre dan ook doel. Gelet hierop zal [gedaagde] , als bestuurder van [de B.V.] , tot betaling van het bedrag van € 32.211,47 worden veroordeeld. De wettelijke rente over dit bedrag zal als onweersproken worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen, omdat de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] is beperkt tot de betalingen van [de B.V.] aan [B.V. III] die hiervoor als onrechtmatig zijn aangemerkt. [de B.V.] blijft onverminderd aansprakelijk voor nakoming van de op haar rustende betalingsverplichtingen jegens [eiseres] die voortvloeien uit de beschikking van de kantonrechter.

4.17.

De rechtbank stelt voorts vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is evenwel hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

4.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 3.827,09,-, bestaande uit een bedrag van € 937,- voor griffierecht, € 105,09 aan verschotten en € 2.785,- aan salaris advocaat (2,5 punten x € 1.114,- volgens tarief IV). Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert, voor zover deze worden gemaakt en zich thans laten begroten. De rechtbank zal de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 32.211,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juni 2020;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.560,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden indien zij niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot dusver begroot op € 3.827,09,-, en begroot de nakosten op € 163,-, in geval van betekening te vermeerderen met € 85,-, te vermeerderen met de wettelijke rente voor wat betreft de proceskosten en de nakosten tot een bedrag van € 163,- te rekenen vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na de betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling voor wat betreft de in geval van betekening verschuldigde nakosten van € 85,-;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022.