Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8829

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
20-09-2022
Zaaknummer
C/09/609303 / HA ZA 21-288
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk ontwikkelen en exploiteren webinar platform. Inhoud samenwerkingsovereenkomst. Softwareontwikkelaar recht op aanvullende vergoeding na opzegging door andere partij. Redelijke (schade)vergoeding. Ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/609303 / HA ZA 21-288

Vonnis van 24 augustus 2022

in de zaak van:

de vennootschap onder firma [de V.O.F.],

eiseres kantoorhoudende te [plaats] ,

advocaat: mr. J.J. Braat te 's-Gravenhage,

tegen

1 de besloten vennootschap WEBINARGEEK HOLDING BV,

2. de besloten vennootschap WEBINARGEEK B.V.,

beide gedaagden kantoorhoudende te Zoetermeer,

advocaat: mr. D.A. Beck te Leiden.

De rechtbank zal eiseres in deze zaak over primair een verbroken samenwerking hierna [de V.O.F.] noemen, gedaagden gezamenlijk WebinarGeek c.s., en gedaagden afzonderlijk WebinarGeek Holding en WebinarGeek.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft bij het maken van dit vonnis kennis genomen van de volgende processtukken met producties, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de op 5 maart 2021 betekende dagvaarding met producties EP01 t/m EP19;

  • -

    de conclusie van antwoord van 26 mei 2021 met producties GP01 t/m GP11;

  • -

    het comparitievonnis van 23 februari 2022 van de rechtbank;

  • -

    het pleitverzoek van mr. Braat bij brief van 15 maart 2022;

  • -

    de beslissing van de rechtbank van 31 maart 2022 op dat pleitverzoek;

  • -

    de brief van mr. Braat van 5 april 2022 met daarbij de producties EP20 t/m EP31;

  • -

    de brief van mr. Braat van 11 april 2022 met daarbij productie EP32;

  • -

    de e-mail van mr. Beck van 14 april 2022, met daarin bezwaren en een verzoek tot uitstel van de zitting, dat daarna door de rolrechter van de rechtbank is afgewezen;

  • -

    de e-mail van mr. Beck van 20 april 2022 met daarbij een specificatie van de advocaatkosten voor het IE-gedeelte van de zaak;

1.2.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 21 april 2022. Mr. Braat en mr. Joustra (kantoorgenoot van mr. Beck) hebben daarbij ieder een korte pleitnota voorgedragen en overgelegd. Nadat een minnelijke regeling niet mogelijk was gebleken, is ter zitting vonnis bepaald op 13 juli 2022. Om organisatorische redenen moest de vonnisdatum worden uitgesteld tot vandaag, 24 augustus 2022.

1.3.

De rechtbank verwerpt de bezwaren van mr. Beck bij e-mail van 14 april 2022 tegen de producties EP20 t/m EP32 van mr. Braat. Ter zitting van 21 april 2022 is immers gebleken dat mr. Beck en zijn kantoorgenoot mr. Joustra inhoudelijk behoorlijk hebben kunnen reageren op de ruim voor de zitting ingediende producties 20 t/m 32 van mr. Braat.

1.4.

De rechtbank honoreert wel het terechte bezwaar van mr. Beck van 13 juni 2022 tegen de op 10 juni 2022 nog door mr. Braat ingezonden akte eiswijziging. Die handelswijze van mr. Braat is evident in strijd met artikel 5.2 van het landelijk Procesreglement en met de eisen van een goede procesorde.

2 De feiten

Partijen

2.1.

[de V.O.F.] houdt zich onder meer bezig met het ontwerpen, ontwikkelen en exploiteren van software en websites. Haar enige twee vennoten zijn [vennoot 1] (hierna: [vennoot 1] ) en [vennoot 2] (hierna: [vennoot 2] ).

2.2.

[A] (hierna: [A] ) is indirect, via zijn persoonlijke holding, directeur-grootaandeelhouder van WebinarGeek Holding. Tot 28 maart 2017 droeg WebinarGeek Holding de naam Call4Community BV (hierna: C4C). Voor zover het betreft de periode vóór 28 maart 2017, zal in dit vonnis WebinarGeek Holding daarom worden aangeduid als C4C.

2.3.

WebinarGeek Holding is de enig aandeelhouder en bestuurder van WebinarGeek, opgericht op 28 maart 2017. WebinarGeek houdt zich via vooral de website www.webinargeek.nl bezig met de exploitatie van een webinar platform onder de naam “WebinarGeek”. Via dit internetplatform kunnen gebruikers tegen betaling interactieve online presentaties organiseren (zogenaamde webinars) voor een onbeperkt aantal deelnemers (hierna: het WebinarGeek platform), en daarbij tegelijkertijd via dat platform als marketingtool hun producten en/of diensten ter verkoop aanbieden aan die deelnemers.

Samenwerking

2.4.

In juli 2013 zijn [de V.O.F.] en C4C met elkaar in contact gekomen. In opdracht van C4C heeft [de V.O.F.] in 2014 tegen betaling van een tarief van € 75,- exclusief BTW per uur voor C4C de softwareapplicatie “QWebinar” ontwikkeld. Het betreft software die door C4C gebruikt kon worden om webinars te geven, maar die nog niet geschikt was voor gebruik door het grote publiek.

2.5.

Na oplevering van QWebinar zijn [de V.O.F.] en C4C in gesprek geraakt over een verdere samenwerking. In een e-mail van 29 mei 2014 schrijft [de zakenpartner] (hierna: [de zakenpartner] ), destijds als zakenpartner van [A] ook als indirect aandeelhouder en bestuurder verbonden aan C4C, onder meer het volgende aan [vennoot 1] en [vennoot 2] (met [A] in kopie):

“Het platform heeft al serieuze vormen aangenomen en reeds in de praktijk bewezen goed te werken. Het zou daarom een misdaad zijn om niet de hele wereld toegang te geven tot deze briljante videotoepassing. Dat is de reden waarom wij graag van het platform een SAAS oplossing willen maken. Met die gedachte zijn wij het gesprek met jullie aangegaan over een samenwerking, omdat jullie in de ontwikkeling een onmisbare rol gaan spelen en wij het komende succes graag met jullie willen delen.

Wij willen graag met jullie afspreken om de komende periode van ‘X’ maanden op te delen in een ‘X’ aantal fases. Voor iedere fase worden doelstellingen vastgesteld op het gebied van ontwikkeling van sales. Vervolgens wordt bepaald hoeveel tijdsinvestering noodzakelijk is om gewenste doelstellingen te realiseren en welke (financiële) vergoeding daar tegenover staat. Het concreet invullen van de fases willen wij gezamenlijk doen op een n.t.b. moment. Ons idee is om een periode van 12 maanden te verdelen in 4 fases.

Ons uiteindelijke doel is om de SAAS oplossing van het webinarplatform onder te brengen in een software B.V., waarin het intellectueel eigendom, het gebruikersrecht en de software zelf worden ondergebracht. In die B.V. willen wij jullie als [de V.O.F.] voor 10% laten participeren als tegenprestatie voor de onbetaalde werkzaamheden aan het platform tijdens de opstartfase.

Qua financiële vergoeding zien wij het als volgt. De eerste fase zal een onbetaalde fase zijn, waarin n.t.b. activiteiten worden uitgevoerd. In de daarop volgende fases worden vergoedingen op gelijke basis uitgekeerd. Dat betekent dat de tijdsinvestering van [de V.O.F.] en call4community op gelijke voet worden vergoed. Concreet betekent dit dat indien de ontwikkelingen het toelaten een management fee of salaris betaald wordt uit de software B.V.”

2.6.

Per e-mail van 2 juni 2014 reageren [vennoot 1] en [vennoot 2] onder meer als volgt:

“Bedankt voor jullie voorstel. We hebben er even goed over nagedacht. Voordat het platform daadwerkelijk helemaal ready is voor het grote publiek moet er (denken wij) nog best wat gebeuren. Alleen hebben wij helaas niet de buffer om hier veel onbetaalde uren aan te besteden en dan gaat het allemaal erg lang duren.

Ons voorstel is als volgt, wij kunnen jullie in de opstartfase helpen het platform verder te ontwikkelen tegen een zeer laag uurtarief zeg € 17 en als tegenprestatie hiervoor krijgen wij een percentage in de B.V. Wij vinden 10% zelf een beetje aan de magere kant gezien de tijd die erin gestoken moet worden en we het copyright in de B.V. onderbrengen stellen we zelf 30% voor.”

2.7.

Op 3 juni 2014 antwoordt [de zakenpartner] ook namens [A] onder meer het volgende:

“Bedankt voor jullie tegenvoorstel. Dit biedt mogelijkheden voor een vruchtbare samenwerking lijkt ons. ‘Lang duren’ is inderdaad niet de bedoeling, ‘snelheid’ is het juiste woord. Wij hebben er begrip voor dat het voor jullie niet mogelijk is om die tijd zonder directe financiële vergoeding te investeren en zijn bereid om hierin mee te gaan.

Voor de opstartfase willen wij in overleg met jullie fases bepalen met daarin concreet wat ontwikkeld moeten worden en wanner dat opgeleverd moet worden. Op basis van de benodigde uren voor die fase kunnen we dan een bedrag vaststellen voor die betreffende periode. Dan weet iedereen waar die aan toe is. Als tegenprestatie voor jullie investering zijn wij bereid om naar 20% van de aandelen te gaan. Mede omdat wij wel in de opstartfase kosteloos werk zullen verrichten en zelf voor de financiële vergoeding zullen zorgen voor jullie uren.

Het lijkt ons een goed plan om, indien akkoord, op korte termijn samen te komen om een aantal vervolgstappen af te spreken. Tijdens deze meeting in ieder geval concrete invulling samenwerking bespreken, daar valt ook onder een verdeelsleutel op de middellange termijn. […]”

2.8.

Blijkens de door [A] op 17 juni 2014 aan [de zakenpartner] , [vennoot 1] en [vennoot 2] verzonden e-mail met als onderwerp “Notulen + opzet overeenkomst”, hebben partijen op 11 juni 2014 een bespreking gehad, waarbij onder meer de volgende punten zijn besproken:

“1. Wens is van beide partijen om een SAAS oplossing te ontwikkelen die maandelijkse inkomsten moet genereren.

2. De naam “WebinarGeek” geïntroduceerd als naam van het webinarplatform.

a. [vennoot 1] [ , toevoeging rechtbank] niet direct eens met de naam.

b. Idee is om een cool merk neer te zetten a la MailChimp, BaseCamp etc.

3. Tijdens de komende periode alvorens over wordt gegaan tot oprichting van een nieuwe rechtspersoon voor de software, gaat gewerkt worden in fases. Voorafgaande worden doelstellingen bepaald op het gebied van ontwikkeling van sales.

4. De pricing is besproken.

a. Prijs per maand/prijs per kijker/pay per use/credit model zowel vooraf als achteraf/per maand betalen/per jaar betalen incl. korting

b. Free trial/freemium model is besproken

c. Voor wat betreft de pricing is nog geen besluit genomen.

5. Verwachting van beide partijen:

a. Snelheid

b. Verkoop

c. Succes

6. Het testen van het platform wordt een belangrijk issue tijdens de ontwikkelfase. Het is van groot belang voor succes om met zekerheid te kunnen zeggen een werkend platform aan te bieden.

7. Verdienmodel

a. Tijdens ontwikkelfase worden uren van [de V.O.F.] vergoed tegen bedrag van € 17,- per uur

b. Zodra het platform geld gaat opleveren, wordt deze investering terugbetaald alvorens betrokken partijen een vergoeding zullen ontvangen in de vorm van management fee of winstuitkering

c. De vergoeding zal gaan naar rato van geïnvesteerde tijd.

8. Voor de periode waarin nog geen sprake is van een specifiek bedrijf wordt een overeenkomst opgesteld, waarin alle besproken zaken en afspraken worden opgenomen. Deze wordt door [A] opgemaakt.”

2.9.

Bij de hiervoor genoemde e-mail van 17 juni 2014 is ook een “Overeenkomst Webinarplatform” gevoegd. Het betreft een opzet voor een samenwerkingsovereenkomst tussen C4C en [de V.O.F.] , zoals bedoeld in punt 8 van die e-mail. In diezelfde e-mail licht [A] het bijgevoegde document als volgt kort toe:

“Tevens in de bijlage een opzet voor de periode waarin we nog geen rechtspersoon hebben opgericht. Het is een heel document geworden, wellicht ontbreken nog zaken of vinden jullie sommige dingen juist overbodig. De intentie is geweest om zo duidelijk mogelijk alle afspraken op te nemen.

Waar wij het nog niet over hebben gehad is beëindiging/opzegging van de overeenkomst, concurrentiebeding en gevolgen daarvan. Wij hebben hiervoor een voorzet gedaan, zie de overeenkomst.

Laat duidelijk zijn dat zaken voor beide partijen even zwaar gelden, zo moet het dus ook in de overeenkomst staan. Het moet gewoon vooraf heel duidelijk zijn waar we aan gaan werken en geen teleurstellingen achteraf!”

2.10.

In die concept overeenkomst is de samenwerking tussen partijen (waaronder doel, taakverdeling, inbreng) weergegeven op de wijze zoals partijen daarover eerder hadden gecorrespondeerd. Verder zijn in de concept overeenkomst bepalingen opgenomen over de aandelenverdeling van een nieuw op te richten vennootschap (40% voor de Holding BV [A] , 40% voor de Holding BV van [de zakenpartner] en 20% voor [de V.O.F.] ) en ook het bedrag van de vergoeding voor de door [de V.O.F.] nog te verrichten werkzaamheden tot het moment van oprichting van die nieuwe vennootschap (€ 17,- per uur). Die bepalingen komen inhoudelijk overeen met de eerder door partijen gedane voorstellen, zoals die – blijkens de hiervoor weergegeven notulen – op 11 juni 2014 door partijen zijn besproken.

2.11.

Op 23 juni 2014 laten [vennoot 1] en [vennoot 2] het volgende aan [A] en [de zakenpartner] weten:

“We hebben een kennis van ons die werkt bij een advocaten bureau gespecialiseerd in dit soort contracten gevraagd even naar het contract te kijken. Volgen hem mankeerde er nogwel het één en ander aan waardoor het voor beide partijen ongunstig kan uitpakken.

Hij gaat gratis en voor niets een nieuw contract voor ons opstellen, dat is natuurlijk mooi alleen kan hij er pas aan beginnen als die terug is van vakantie (begin juli).

Dit kost natuurlijk een hoop kostbare tijd dus we stellen voor dat we alvast een begin maken met de punten in fase 1 tegen het afgesproken uurtarief van € 17,- tot het contract daar is.”

2.12.

[A] reageert daarop nog dezelfde dag:

“Klinkt helemaal goed! Heb best wat gezocht, maar is nog niet zo eenvoudig om goede voorbeelden te vinden voor dergelijke overeenkomsten.

Had mij een hoop tijd en frustratie bespaard (misschien zou je het niet zeggen, maar ben er best even mee bezig geweest ;-)), maar het is belangrijk dat het goed op papier staat.”

2.13.

Op 10 juli 2014 is [de V.O.F.] gestart met de ontwikkeling van het WebinarGeek platform (software en website). Op 26 augustus 2014 leverde zij een eerste bèta-versie van de software op die online getest kon worden.

2.14.

Op 23 oktober 2014 stuurde [de V.O.F.] aan C4C een factuur (Factuur 271), waarin zij de door haar aan de ontwikkeling van het WebinarGeek platform bestede uren in de periode van 10 juli 2014 tot 23 oktober 2014 tegen een bedrag van € 17,- (excl. BTW) per uur in rekening bracht. Het gaat om een totaal van 309,5 uur in de betreffende periode. Deze factuur van € 5.261,50 (excl. BTW) is door C4C betaald.

2.15.

Op 6 februari 2015 volgde een tweede factuur (Factuur 294), waarmee [de V.O.F.] de door haar aan de ontwikkeling van het WebinarGeek platform bestede uren in de periode van 24 oktober 2014 tot 3 februari 2015 bij C4C declareerde, opnieuw tegen een uurtarief van € 17,- (excl. BTW). Het gaat in de betreffende periode om een totaal van 376,1 uur. Deze factuur van € 6.393,70 (excl. BTW) is ook door C4C betaald. Bij factuur van 1 oktober 2015 (Factuur 320), heeft [de V.O.F.] Factuur 294 voor de helft gecrediteerd wegens de door haar aan C4C verschuldigde huur van werkplekken.

2.16.

In maart 2015 heeft [de zakenpartner] zijn betrokkenheid bij C4C en bij het WebinarGeek project beëindigd.

2.17.

In mei 2015 werd het WebinarGeek platform officieel gelanceerd. In meerdere online publicaties uit 2015, op de website www.webinargeek.nl en in het business plan 2016 van WebinarGeek (versie april 2016) worden [A] , [vennoot 1] en [vennoot 2] gezamenlijk gepresenteerd als het team achter en als co-founders van het WebinarGeek platform.

2.18.

Bij facturen van 3 maart 2016, 1 april 2016, 20 mei 2016, 29 juni 2016 en 8 augustus 2016 heeft [de V.O.F.] telkens een maandbedrag van in totaal € 2.400,- (excl. BTW) onder de noemer “Vergoeding WebinarGeek” aan C4C in rekening gebracht. De eerste vier facturen zijn betaald, maar de laatste maandfactuur is onbetaald gebleven.

Beëindiging van de samenwerking

2.19.

In de eerste helft van 2016 is de samenwerking tussen enerzijds [A] en anderzijds [vennoot 1] en [vennoot 2] steeds stroever gaan verlopen, waarna [A] eind juli 2016 te kennen heeft gegeven de samenwerking met [de V.O.F.] te willen beëindigen. Naar aanleiding daarvan zijn meningsverschillen gerezen over de vragen aan wie de exploitatie van het WebinarGeek platform toekomt, bij wie de auteursrechten die daaraan (zouden) zijn verbonden berusten en over de hoogte van de aan [de V.O.F.] al betaalde en nog te betalen financiële vergoedingen voor de ontwikkeling van het WebinarGeek platform.

2.20.

Nadat gesprekken tussen [A] , [vennoot 1] en [vennoot 2] op niets waren uitgelopen, heeft [de V.O.F.] bij haar e-mail van 27 juli 2016 aan [A] een voorstel gevoegd. Daarin heeft zij het volgende opgenomen:

“Gegeven het feit dat het nooit tot het gezamenlijk ( [A] en [de V.O.F.] ) opstarten van een bedrijf is gekomen waarin de door [de V.O.F.] ontwikkelde software ondergebracht is, blijft het copyright van de door [de V.O.F.] ontwikkelde software volledig eigendom van [de V.O.F.] .

[de V.O.F.] is bij de start van de samenwerking akkoord gegaan met een aanmerkelijk lagere vergoeding dan de door haar gehanteerde marktconforme vergoeding van de werkzaamheden, puur en alleen omdat het vanaf de start de bedoeling zou zijn dat [de V.O.F.] de door haar ontwikkelde software in de gezamenlijk op te richten vennootschap zou inbrengen.

De betaling (zie onderstaand overzicht) die wel door [A] verricht is, heeft geen betrekking op de verrichte diensten an sich, maar is louter een bijdrage geweest om überhaupt mogelijk te maken dat [de V.O.F.] 100% van haar tijd en energie kon besteden aan het gezamenlijk project WebinarGeek.

Ondanks het feit dat het [de V.O.F.] vrij staat haar eigen software naar eigen believen te gebruiken, wil zij graag tot een overeenkomst met Call4Community komen teneinde te voorkomen dat juridisch geharrewar ontstaat.

[de V.O.F.] constateert dat Call4Community niet zonder toestemming van [de V.O.F.] de door Call4Community gebruikte software (WebinarGeek) kan blijven gebruiken.

[de V.O.F.] ziet dan ook de volgende oplossingsrichtingen:

A. [de V.O.F.] neemt de activiteiten volledig over die nu onder de naam WebinarGeek worden uitgevoerd door Call4Community. Dat betekent dat de naam WebinarGeek in al haar hoedanigheden door [de V.O.F.] exclusief gebruikt kan gaan worden. Uiteraard gaat het volledige klantenbestand met betaalgegevens en bijhorende bijgewerkte boekhouding over naar [de V.O.F.] evenals andere bijverwante zaken die nodig zijn om WebinarGeek in zijn huidige voort te zeten.

Call4Community mag het banksaldo dat per 31 juli 2016 op haar WebinarGeek rekening staat behouden. Tevens is [de V.O.F.] bereid 15% aandelen aan Call4Community ter beschikking te stellen als vergoeding. De wijze waarop met dit aandelenbelang mag worden omgegaan wordt nader uitgewerkt.

B. Call4Community gaat door met WebinarGeek en betaald [de V.O.F.] een reële ontwikkel fee voor de software ‘as is’ en krijgt daarmee de mogelijkheid voor het aanpassen van de webinar applicatie, de website en het grafisch werk.

Als voor alle werkzaamheden ons regulier marktconforme uurtarief van € 75 betaald zou zijn dan ontstaat onderstaand overzicht van uurloon maal het aantal uren besteed aan genoemde werkzaamheden:

Applicatie 2707 uur € 203.000,-

Website 480 uur € 36.000,-

Ander grafisch werk 300 uur € 22.500,-

Totaal € 261.500,-

Door Call4Community is in de afgelopen twee jaar een bedrag betaald aan [de V.O.F.] van € 18.000 als bijdrage in de algemene kosten van levensonderhoud. Als wij dat bedrag in mindering brengen resteert een bedrag van € 243.500 dat Call4Community verschuldigd is aan [de V.O.F.] .

Wij begrijpen dat Call4Community dit bedrag nu niet kan betalen en nemen genoegen met een naar ons inziens zeer coulante betalingsregeling van € 2.400,‐ euro per maand met een looptijd van 4 jaar (48 maanden) ingaande augustus 2016. Hiernaast krijgt [de V.O.F.] een 15% aandelenbelang in de vennootschap waarin WebinarGeek is of wordt ondergebracht.”

2.21.

Eind augustus 2016 heeft C4C het WebinarGeek platform volledig overgezet naar een andere server, onder wijziging van de wachtwoorden. Vanaf dat moment heeft [de V.O.F.] geen toegang meer tot en geen betrokkenheid meer bij de ontwikkeling van het WebinarGeek platform.

2.22.

Bij brief van 29 augustus 2016 heeft de advocaat van C4C inhoudelijk op de e-mail van [de V.O.F.] van 27 juli 2016 gereageerd en het daarbij gevoegde voorstel afgewezen. Daartoe is in die brief onder meer gesteld dat een samenwerking tussen [de V.O.F.] en C4C nooit concreet is geworden, dat aan [de V.O.F.] de overeengekomen vergoeding van € 17,- per uur is betaald en dat de auteursrechten die zijn verbonden aan het WebinarGeek platform bij C4C en niet bij [de V.O.F.] liggen.

2.23.

Op 9 september 2016 heeft de advocaat van [de V.O.F.] een sommatiebrief aan C4C gezonden. De daaropvolgende correspondentie tussen de advocaten van partijen tot november 2016 en ook een sommatiebrief van 1 februari 2021 heeft niet tot een oplossing van het financiële geschil tussen partijen geleid.

3 Het geschil

3.1.

[de V.O.F.] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

i. primair: WebinarGeek c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 240.269,80,

a) primair: op grond van de verplichting om [de V.O.F.] als opdrachtnemer het op gebruikelijke wijze te berekenen loon te betalen;

b) subsidiair: op grond van ongerechtvaardigde verrijking;

c) meer subsidiair (1): in de vorm van schadevergoeding wegens wanprestatie, onrechtmatige daad en auteursrechtinbreuk;

d) meer subsidiair (2): op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid;

dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2016 tot aan de dag van algehele voldoening – afhankelijk van de toegewezen vordering: ofwel de wettelijke rente op grond van art. 6:119a BW1 (primaire grondslag) dan wel art. 6:119 BW (overige grondslagen).

ii. subsidiair: WebinarGeek Holding te veroordelen tot betaling van een bedrag aan [de V.O.F.] ter vergoeding van de waarde van de aandelen in C4C respectievelijke WebinarGeek B.V. middels doorverwijzing naar een schadestaatprocedure;

dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente (op de voet van art. 6:119 BW) vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

iii. meer subsidiair (1): WebinarGeek Holding te veroordelen tot overdracht van:

a) primair: 40% van de aandelen in het aandelenkapitaal van WebinarGeek B.V. conform de afspraken die mondeling zijn gemaakt;

b) subsidiair: 20% van de aandelen in het aandelenkapitaal van WebinarGeek B.V., conform de afspraken die per email zijn gemaakt alsmede tot betaling van een bedrag van € 38.023,80, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente (6:119 BW) vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

iv. meer subsidiair (2): WebinarGeek c.s. te veroordelen tot:

a) opgave van de winst die genoten is met het WebinarGeek platform in de periode van 9 september 2016 tot en met de dag van betekening van het vonnis, zulks binnen tien werkdagen na betekening van het vonnis;

b) afdracht van deze winst aan [de V.O.F.] binnen twintig werkdagen na betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente (6:119 BW) vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

c) het staken en gestaakt houden van elk gebruik van de WebinarGeek software, inclusief diens broncode;

d) het verwijderen van alle exemplaren van de WebinarGeek software, inclusief diens broncode, van alle servers en andere apparaten/hardware waar de WebinarGeek software op voorkomt;

e) het onder a) tot en met d) bepaalde op straffe van verbeurte verbeurte van een dwangsom van € 50.000 ineens en een dwangsom van € 5.000 per dag dat de overtreding voortduurt,

v. WebinarGeek c.s. te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 4.680,00.

vi. WebinarGeek c.s. te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2.

[de V.O.F.] legt – verkort weergegeven – het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

3.2.1.

[de V.O.F.] en C4C hebben in juni 2014 een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [de V.O.F.] het WebinarGeek platform zou ontwikkelen tegen een uurtarief van € 17,- per uur en 20% van de aandelen in een nieuw op te richten vennootschap die het WebinarGeek platform zou gaan exploiteren. Na het vertrek van [de zakenpartner] heeft [de V.O.F.] met C4C, althans [A] afgesproken in het geheel geen uurtarief meer in rekening te brengen in ruil voor 40% van de aandelen in de hiervoor bedoelde nog op te richten vennootschap. [de V.O.F.] heeft in totaal minimaal 3.487 uur in de ontwikkeling van WebinarGeek gestoken, waarvoor zij slechts € 18.058,35 betaald heeft gekregen. Nu het vóór de eenzijdige beëindiging van de samenwerking door [A] niet tot de oprichting van een nieuwe vennootschap is gekomen en [de V.O.F.] daarom nooit aandelen in die op te richten vennootschap heeft verkregen, heeft zij, primair, recht op een aanvullende vergoeding voor de door haar verrichte werkzaamheden. Dat recht ontleent zij in de eerste plaats aan art. 7:405 BW in samenhang bezien met art. 6:248 BW, ingevolge waarvan [de V.O.F.] – in de hoedanigheid van opdrachtnemer – recht heeft op het op gebruikelijke wijze te berekenen loon voor de door haar verrichte werkzaamheden, te weten een bedrag van € 75,- per uur. In ieder geval heeft [de V.O.F.] op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW), althans op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW), auteursrechtinbreuk, onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW) recht op vergoeding van haar schade ten bedrage van de door haar misgelopen marktconforme vergoeding voor de door haar aan het WebinarGeek platform verrichte werkzaamheden.

3.2.2.

Haar subsidiaire aanspraak op schadevergoeding bestaande uit de waarde van de aandelen die zij zou hebben gekregen als C4C de met haar gemaakte afspraken was nagekomen, grondt [de V.O.F.] op wanprestatie (art. 6:74 BW).

3.2.3.

De meer subsidiaire vordering (1) tot overdracht van aandelen in het aandelenkapitaal van WebinarGeek B.V. baseert [de V.O.F.] op nakoming van de tussen C4C en [de V.O.F.] gesloten overeenkomst.

3.2.4.

De meer subsidiaire vordering (2), tot slot, stoelt [de V.O.F.] op het haar toekomende auteursrecht dat is verbonden aan het WebinarGeek platform. WebinarGeek c.s. maakt inbreuk op dit recht door zonder toestemming van [de V.O.F.] het WebinarGeek platform openbaar te maken en te verveelvoudigen. Ingevolge art. 27a Aw2 heeft [de V.O.F.] recht op afdracht door WebinarGeek c.s. van de door hen genoten winst.

3.3.

WebinarGeek c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [de V.O.F.] in de proceskosten op de voet van art. 1019h Rv.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat in de eerste plaats over de vraag of [de V.O.F.] een aanvullende vergoeding dient te ontvangen voor de door haar aan het WebinarGeek platform verrichte werkzaamheden. Daartoe beroept zij zich primair onder meer op de samenwerkingsovereenkomst die partijen volgens haar hebben gesloten.

De samenwerkingsovereenkomst

4.2.

Een eerste geschilpunt betreft de vraag of tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen en, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, wat daarvan de inhoud is.

4.3.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze kwestie voorop dat de vraag of een overeenkomst met de door [de V.O.F.] gestelde inhoud tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltexmaatstaf). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.3

4.4.

Hoewel C4C en [de V.O.F.] nooit een schriftelijke overeenkomst hebben ondertekend, zijn partijen het er wel over eens dat er “een” overeenkomst tussen hen heeft bestaan. WebinarGeek c.s. en [de V.O.F.] vullen de voorwaarden daarvan echter ieder anders in.

4.5.

WebinarGeek c.s. stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat, in afwachting van de totstandkoming van een schriftelijke overeenkomst die concreet invulling moest geven aan de voorgenomen samenwerking, er enkel – en op initiatief van [de V.O.F.] – een losstaande afspraak bestond dat [de V.O.F.] tegen een uurtarief van € 17,- het WebinarGeek platform zou ontwikkelen. Er zouden geen nadere voorwaarden zijn overeengekomen.

4.6.

De rechtbank volgt WebinarGeek c.s. niet in dat betoog. Uit (i) de door partijen gevoerde e-mailcorrespondentie over hun samenwerking; (ii) de notulen van de bijeenkomst die zij op 11 juni 2014 hebben gehad; en (iii) de door [A] opgestelde conceptovereenkomst waarin hij – naar eigen zeggen – heeft geprobeerd “zo duidelijk mogelijk alle afspraken op te nemen”, blijkt voor de rechtbank duidelijk en ondubbelzinnig de wil en intentie van partijen om gezamenlijk het WebinarGeek platform te ontwikkelen en te exploiteren. Daartoe hebben partijen over en weer concrete voorstellen gedaan over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder zij aan die samenwerking invulling zouden geven, waarmee zij over en weer even concrete verwachtingen hebben gewekt.

4.7.

De rechtbank stelt – op basis van het debat tussen partijen en de hiervoor genoemde stukken – vast dat C4C en [de V.O.F.] op of omstreeks 11 juni 2014 overeenstemming hebben bereikt over de volgende afspraken (hierna: de samenwerkingsovereenkomst):

- C4C en [de V.O.F.] zouden gezamenlijk het WebinarGeek platform ontwikkelen en in de markt zetten;

- daartoe zouden zij (op termijn) een nieuwe vennootschap oprichten waarvan de aandelen als volgt verdeeld zouden worden:

- 40% voor [A] (via zijn holding);

- 40% voor [de zakenpartner] (via zijn holding); en

- 20% voor [de V.O.F.] ;

- [de V.O.F.] zou zich toeleggen op de (technische) ontwikkeling en het onderhoud van de benodigde software en website (het WebinarGeek platform), waaronder in ieder geval het ontwerpen en schrijven van de (bron)code;

- [de V.O.F.] zou de intellectuele eigendomsrechten verbonden aan het WebinarGeek platform inbrengen in de nieuw op te richten vennootschap;

- C4C zou zich toeleggen op het vermarkten (marketing en sales) van het WebinarGeek platform;

- de nieuw op te richten vennootschap zou de exploitatie van het WebinarGeek platform verzorgen;

- [A] , [de zakenpartner] en [de V.O.F.] zouden naar gelang de financiële opbrengst van het WebinarGeek platform een management fee dan wel winstuitkering uit de nieuwe vennootschap ontvangen;

- tot het moment van oprichting van de nieuwe vennootschap zouden [A] en [de zakenpartner] (via C4C) aan [de V.O.F.] een vergoeding voor de werkzaamheden aan het WebinarGeek platform betalen van € 17,- per uur, welke vergoeding later zou worden verrekend met de aan [de V.O.F.] uit te keren management fee/winstuitkering en terugbetaald aan [A] en [de zakenpartner] (althans aan C4C).

4.8.

Tegen de achtergrond van deze afspraken kan de e-mail van [de V.O.F.] van 23 juni 2014 waarin zij voorstelt om alvast (“tot het contract daar is”) met de werkzaamheden te starten tegen “het afgesproken uurtarief van € 17,-”, naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan dat zij daarmee haar bereidheid uitte om te starten met de uitvoering van de door partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst, waarvan een schriftelijke en door partijen ondertekende weergave niet meer dan een bevestiging zou vormen. Niet kan worden volgehouden dat C4C in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs een andere betekenis aan het voorstel van [de V.O.F.] heeft kunnen of mogen toekennen. Van een “losstaande afspraak”, zoals WebinarGeek c.s. betoogt, was dan ook geen sprake.

4.9.

C4C heeft blijkens de reactie van [A] van 23 juni 2014 en ook gezien de daarop volgende uitvoering van de besproken samenwerking (te weten het gezamenlijk werken aan het WebinarGeek project) gedurende ruim twee jaren, expliciet met dat voorstel van [de V.O.F.] ingestemd. Aldus heeft C4C aan [de V.O.F.] bevestigd dat tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst met de hiervoor weergegeven voorwaarden tot stand was gekomen. De omstandigheid dat [A] in zijn e-mails van 17 en 23 juni 2014 erop heeft gewezen dat de gemaakte afspraken goed op papier zouden moeten komen te staan, kan WebinarGeek c.s. niet baten. Enerzijds is gesteld noch gebleken dat C4C, vóórdat partijen (mondeling) overeenstemming bereikten, duidelijk aan [de V.O.F.] kenbaar heeft gemaakt dat zij zich zonder getekende schriftelijke overeenkomst aan geen enkele afspraak gebonden achtte. Anderzijds heeft ook C4C, na aanvang van de werkzaamheden door [de V.O.F.] en in de twee jaar die de samenwerking tussen partijen feitelijk heeft geduurd, op geen enkel moment meer op het alsnog op schrift stellen van de gemaakte afspraken aangedrongen.

4.10.

De rechtbank stelt verder vast dat de samenwerkingsovereenkomst in de loop van de tijd is gewijzigd. Vanaf maart 2015 na het vertrek van [de zakenpartner] heeft [de V.O.F.] immers niet meer de vergoeding van € 17,- per uur voor de door haar aan het WebinarGeek platform verrichte werkzaamheden aan C4C in rekening gebracht. Van maart 2015 tot maart 2016 werkte [de V.O.F.] zonder enige betaling door aan de ontwikkeling van het WebinarGeek platform, en vanaf maart 2016 factureerde [de V.O.F.] zonder nadere specificatie van haar werkzaamheden maandelijks een bedrag van € 2.400,- dat C4C aan haar betaalde uit de inkomsten die het WebinarGeek platform vanaf maart 2016 blijkbaar genereerde. Als enerzijds gemotiveerd gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist is het naar het oordeel van de rechtbank het meest aannemelijk dat na het vertrek van [de zakenpartner] vanaf maart 2015 [A] aan [de V.O.F.] in het vooruitzicht had gesteld dat eerst zonder betaling werd doorgewerkt, dat zodra voldoende inkomsten werden gegeneerd een redelijke vergoeding zou worden betaald (van in dit geval € 2.400,- per maand) en dat [de V.O.F.] uiteindelijk 40% van de aandelen in de nieuw op te richten vennootschap zou krijgen en de persoonlijke holding van [A] 60%.

Aanvullende vergoeding

4.11.

Een tweede punt dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of [de V.O.F.] , de samenwerkingsovereenkomst in aanmerking genomen, aanspraak kan maken op een aanvullende vergoeding voor de door haar aan het WebinarGeek platform verrichte werkzaamheden, zoals [de V.O.F.] primair vordert.

Primaire grondslag: art. 7:405 lid 2 BW

4.12.

Anders dan [de V.O.F.] primair betoogt, kan zij een recht daartoe niet ontlenen aan art. 7:405 lid 2 BW. Op grond van die bepaling is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd aan de opdrachtnemer, indien loon verschuldigd is doch de hoogte niet door partijen is bepaald. Daargelaten of de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst juridisch gekwalificeerd kan worden als overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 BW – welke kwestie de rechtbank uitdrukkelijk in het midden laat – blijkt uit de hiervoor onder 4.7 weergegeven inhoud van de samenwerkingsovereenkomst dat partijen wel degelijk afspraken hebben gemaakt over de hoogte van het verschuldigde loon, namelijk een uurtarief van € 17,- en (later) een percentage van de aandelen in een nieuw op te richten vennootschap en management fee/winstuitkering. Het enkele feit dat de samenwerking is beëindigd voordat de gemaakte afspraken volledig zijn nagekomen, maakt nog niet dat – bij het aangaan van de overeenkomst – de hoogte van het loon niet door partijen is bepaald. In die omstandigheden ziet de rechtbank zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet in waarom de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ingevolge art. 6:248 lid 1 BW zou meebrengen dat het overeengekomen loon niet kan worden aangemerkt als “tussen partijen bepaald”, zoals [de V.O.F.] zonder nadere onderbouwing stelt.

Subsidiaire grondslag: art. 6:212 BW

4.13.

Een grondslag voor de door [de V.O.F.] gevorderde aanvullende vergoeding kan daarentegen wel worden gevonden in het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.14.

Op grond van art. 6:212 lid 1 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, de schade van de ander te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

4.15.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [de V.O.F.] aldus dat WebinarGeek c.s. is verrijkt door de wijze waarop C4C de samenwerkingsovereenkomst eind juli 2016 eenzijdig heeft beëindigd terwijl de gemaakte afspraken over de nieuw op te richten vennootschap waarvan [de V.O.F.] een percentage van de aandelen zou verkrijgen, (nog) niet waren uitgevoerd/nagekomen. Met die handelswijze heeft C4C zich feitelijk het WebinarGeek platform toegeëigend en aan [de V.O.F.] de mogelijkheid ontnomen om haar investering – in de vorm van aan de ontwikkeling van het WebinarGeek platform bestede uren waarvoor zij geen of slechts een zeer laag uurtarief in rekening heeft gebracht – te laten renderen via de verkrijging van een percentage van de aandelen en (later) eventueel een management fee en/of winstuitkering.

4.16.

Het verweer van WebinarGeek c.s. beperkt zich in de kern tot de stelling dat, zo al sprake zou zijn van een verrijking aan de zijde van WebinarGeek c.s., deze niet ongerechtvaardigd is omdat partijen een daartoe strekkende overeenkomst hadden gesloten. Dit betoog dient te worden verworpen. Enerzijds staat vast dat de afspraken tussen partijen – zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.7 en 4.8 is overwogen – meer omvatten dan de enkele verbintenis voor [de V.O.F.] om tegen een uurtarief van € 17,- werkzaamheden te verrichten. Anderzijds, voor zover WebinarGeek c.s. betoogt dat voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking geen plaats is omdat er een contractuele verhouding tussen partijen bestaat, volgt uit vaste jurisprudentie dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking géén subsidiair karakter heeft. Met andere woorden, een dergelijke vordering wordt niet geblokkeerd door het feit dat de verarmde reeds op een andere grondslag, zoals wanprestatie, kan ageren.4 Daar staat tegenover dat in het geval de (vermeend) verrijkte en de (vermeend) verarmde in een contractuele verhouding ten opzichte van elkaar staan, het verrijkingsleerstuk mede door die context wordt ingekleurd. Gelet daarop zal de rechtbank bij de beoordeling van de voorliggende vordering van [de V.O.F.] , voor zover van belang, ook rekening moeten houden met de vereisten die voortvloeien uit wettelijke bepalingen die de contractuele verhouding tussen partijen regelen.

4.17.

Uit de stellingen van partijen en de wijze waarop zij zich vanaf eind juli 2016 hebben gedragen, leidt de rechtbank af dat de samenwerkingsovereenkomst eind juli 2016 is beëindigd. Bij gebreke van andersluidende stellingen van partijen, gaat de rechtbank ervanuit dat de samenwerkingsovereenkomst destijds door C4C met onmiddellijke ingang is opgezegd. [de V.O.F.] heeft zich, zo blijkt ook uit het bij haar e-mail van 27 juli 2016 gevoegde voorstel, niet tegen de feitelijke beëindiging van de samenwerking door C4C verzet, maar zich op het standpunt gesteld dat C4C aan [de V.O.F.] dan alsnog een marktconforme vergoeding zou moeten betalen voor de door haar aan de ontwikkeling van het WebinarGeek platform bestede uren. Hoewel partijen het over de verschuldigdheid en/of de hoogte van die vergoeding niet eens zijn geworden, hebben zij beide – gelet op de wijze waarop zij zich vanaf augustus 2016 hebben gedragen – berust in de feitelijke beëindiging van de samenwerking. Ook nu blijkt duidelijk uit de dagvaarding en de wijze waarop de vorderingen daarin zijn gerangschikt dat [de V.O.F.] er niet op uit is de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door C4C ongedaan te maken. Zij wil slechts vergoed worden voor de schade die zij door die opzegging – die zij als onrechtmatig kwalificeert – heeft geleden.

4.18.

De rechtbank zal dus de vraag moeten beantwoorden of C4C de samenwerkingsovereenkomst rechtsgeldig heeft kunnen opzeggen zonder aan [de V.O.F.] enige (aanvullende) vergoeding te betalen voor de tot dan toe door haar aan het WebinarGeek platform verrichte werkzaamheden. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

4.19.

Volgens vaste rechtspraak wordt de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, zoals de onderhavige samenwerkingsovereenkomst, opzegbaar is, bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval – onder meer – meebrengen dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.5 Dat laatste geldt overigens evengoed als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging. Het antwoord op de hiervoor door de rechtbank in het midden gelaten vraag of de samenwerkingsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht6 zou kunnen worden gekwalificeerd, maakt voor de beoordeling die nu voorligt dus geen verschil.

4.20.

De rechtbank stelt voorop dat de samenwerkingsovereenkomst in de kern de afspraak behelsde om tijd te investeren in de totstandkoming van het WebinarGeek platform zonder daarvoor in de startfase behoorlijk betaald te worden. Zowel C4C als [de V.O.F.] hebben zich aan die afspraak geconformeerd en gedurende twee jaar daarnaar gehandeld. Keerzijde van die afspraak was dat C4C en [de V.O.F.] via een nieuw op te richten vennootschap waarvan zij beide aandeelhouder zouden worden, zouden delen in het (eventuele) rendement van hun gezamenlijke tijdsinvestering. Vaststaat dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door C4C eind juli 2016 iedere aanspraak van [de V.O.F.] op mogelijk rendement van haar tijdsinvestering in het WebinarGeek platform teniet heeft doen gaan. In wezen heeft C4C daarmee bewerkstelligd dat [de V.O.F.] twee jaar lang tijd en energie in het WebinarGeek project heeft gestoken zonder daarvoor de in het vooruitzicht gestelde vergoedingen (het rendement) te kunnen ontvangen. Dat druist niet alleen in tegen de aard en de inhoud van de door C4C en [de V.O.F.] gemaakte afspraken, maar is ook zondermeer in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat geldt temeer nu C4C mede op basis van de door [de V.O.F.] gedane tijdsinvesteringen in staat is gebleken uiteindelijk een significant rendement te behalen.

4.21.

Kortom, naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van art. 6:248 lid 1 BW de opzegging door C4C van de samenwerkingsovereenkomst eind juli 2016 alleen als rechtsgeldig worden beoordeeld indien en voor zover zij aan [de V.O.F.] alsnog een redelijke schadevergoeding zal betalen waarmee de negatieve gevolgen van de opzegging voor [de V.O.F.] , bestaande uit het niet kunnen profiteren van de door haar gedane investering in het WebinarGeek platform, voldoende worden gecompenseerd.

4.22.

Vaststaat dat de opzegging door C4C eind juli 2016 niet gepaard is gegaan met een aanbod tot betaling van een redelijke schadevergoeding als hiervoor bedoeld, hoewel [de V.O.F.] daar wel al in de zomer van 2016 bij C4C op heeft aangedrongen en haar ook tot betaling van een dergelijke vergoeding heeft gesommeerd. Niettemin heeft C4C volhard in de feitelijke beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst en [de V.O.F.] daarmee buiten spel gezet bij de verdere ontwikkeling van WebinarGeek platform en het daarmee te behalen rendement. In zoverre is sprake van een onrechtmatige opzegging.

4.23.

Door die onrechtmatige opzegging van de samenwerkingsovereenkomst eind juli 2016 is C4C ongerechtvaardigd verrijkt met het bedrag van de redelijke schadevergoeding die zij aan [de V.O.F.] had moeten betalen indien de samenwerkingsovereenkomst rechtmatig was opgezegd. [de V.O.F.] is daarom met een gelijk bedrag verarmd.

4.24.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag wat de omvang is van de schade die [de V.O.F.] heeft geleden door de ongerechtvaardigde verrijking van C4C. Dat komt dus neer op de vraag welke redelijke schadevergoeding C4C in verband met de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst eind juli 2016 aan [de V.O.F.] had moeten betalen.

4.25.

[de V.O.F.] heeft voor de berekening van de door haar primair gevorderde schadevergoeding als uitgangspunt genomen haar (destijds geldende en naar haar zeggen marktconforme) uurtarief van € 75,-. Voorts heeft [de V.O.F.] gesteld dat zij minimaal 3.478 uur in de ontwikkeling van het WebinarGeek platform heeft gestoken. WebinarGeek c.s. betwist dat aantal uren en vindt het onacceptabel om een uurtarief van € 75,- te hanteren.

4.26.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat het eind juli 2016 / begin augustus 2016 nog niet duidelijk was tot welk rendement (in de zin van financiële opbrengst) de investering van C4C en [de V.O.F.] in het WebinarGeek project zou leiden. Nu [de V.O.F.] daarover onvoldoende heeft gesteld, kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat destijds al voorzienbaar was dat het WebinarGeek platform het (financiële) succes zou worden dat het vandaag de dag kennelijk is geworden. Integendeel, het feit dat [de V.O.F.] ruim vier jaar heeft gewacht met het instellen van deze vordering, mede omdat haar pas in 2020 ook als gevolg van alle corona maatregelen en de daardoor toegenomen behoefte aan online bijeenkomsten duidelijk werd dat het WebinarGeek c.s. financieel voor de wind ging, lijkt erop te duiden dat het rendement op de investering van C4C en [de V.O.F.] in 2016 en de eerste jaren daarna nog niet zeker was. Ten tweede is van belang dat het huidige succes van het WebinarGeek platform ook het resultaat is van een jarenlange doorontwikkeling van het platform waarbij [de V.O.F.] in het geheel niet meer betrokken is geweest.

4.27.

De rechtbank oordeelt het in dat licht niet redelijk om de voor vergoeding in aanmerking komende schade van [de V.O.F.] vast te stellen op basis van de door [de V.O.F.] voorgestelde berekening: marktconform uurtarief maal het daadwerkelijke aantal bestede uren. De huidige waarde van (de aandelen van) Webinargeek Holding kan, om dezelfde reden, evenmin dienen als nuttig uitgangspunt voor de berekening van de schade van [de V.O.F.] . Nu de rechtbank niet beschikt over andere concrete aanknopingspunten die bij een nauwkeurige begroting van de omvang van de schade van nut zouden kunnen zijn, komt het de rechtbank het meest gepast voor om de omvang van de schade op grond van art. 6:97 BW te schatten. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

4.27.1.

Op basis van het tussen partijen gevoerde debat staat voor de rechtbank vast dat [de V.O.F.] in de twee jaren van juli 2014 tot en met juli 2016 een significant aantal uren heeft besteed aan de ontwikkeling van het WebinarGeek platform. WebinarGeek c.s. betwist weliswaar het door [de V.O.F.] gestelde aantal van minimaal 3.487 uur, maar zij heeft de door [de V.O.F.] betrokken stelling dat uit het versiebeheer van het programma waarin [de V.O.F.] de broncode van het WebinarGeek platform heeft ontwikkeld, blijkt dat in de periode maart 2015 tot en met juni 2016 op 315 dagen (van de 343 werkdagen in de betreffende periode) is geprogrammeerd aan het WebinarGeek platform, onweersproken gelaten. Daarnaast heeft [de V.O.F.] ter zitting toegelicht, onder meer aan de hand van overgelegde foto’s en screenshots, op welke wijze de samenwerking tussen [A] , [vennoot 1] en [vennoot 2] – die het grootste deel van de bewuste periode geamenlijk kantoor hielden bij C4C in Zoetermeer – op dagelijkse basis verliep. Die onderbouwde stellingen, die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden door WebinarGeek c.s., leiden de rechtbank tot de vaststelling dat [de V.O.F.] in de twee jaar dat de samenwerking feitelijk heeft geduurd intensief met het WebinarGeek project bezig is geweest en dus een aanzienlijk deel van haar tijd en haar kennis daarin heeft geïnvesteerd.

4.27.2.

Aangenomen mag worden dat [de V.O.F.] (en hetzelfde geldt voor C4C) een dergelijke investering niet zou hebben gedaan als daar niet een reële kans op een redelijk rendement op middellange termijn tegenover zou staan. Gelet op het feit dat vanaf maart 2016 de opbrengsten van het WebinarGeek platform kennelijk zodanig waren dat C4C aan [de V.O.F.] voor de maanden maart t/m juni 2016 vier keer een maandbedrag van

€ 2.400,- kon betalen, zal de rechtbank die maandvergoeding bij de berekening van de omvang van het redelijkerwijs te verwachten rendement tot uitgangspunt nemen. De rechtbank oordeelt het schattenderwijs redelijk en billijk om de periode waarin [de V.O.F.] een dergelijk rendement minimaal zou kunnen hebben blijven ontvangen te bepalen op vijf jaren met ingang van 1 juli 2016. Daarom zal de rechtbank het bij de berekening van de omvang van de schade in aanmerking te nemen te verwachten rendement voor [de V.O.F.] begroten op (€ 2.400,- x 60 maanden =) € 144.000,-. Nu tussen partijen vaststaat dat [de V.O.F.] van C4C al een bedrag van per saldo € 18.058,35 aan vergoeding voor haar werkzaamheden aan het Webinargeek platform heeft ontvangen en nu volgens de eigen stellingen van [de V.O.F.] ook nog een bedrag van € 3.196,85 moet worden afgetrokken voor verrekening huur, moet het redelijkerwijs te verwachten rendement – gelet op de samenwerkingsovereenkomst zoals hiervoor bij 4.7 en 4.10 vastgesteld – nog met die twee bedragen worden verminderd.

4.28.

Uit het voorgaande volgt dat C4C als gevolg van de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst eind juli 2016 aan [de V.O.F.] daarbij een redelijke schadevergoeding of opzegvergoeding van (144.000,00 - 18.058,35 - 3.196,85 =) per saldo € 122.744,80 had moeten betalen. Nu zij dat heeft nagelaten is zij met een gelijk bedrag ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [de V.O.F.] die daardoor schade heeft geleden ter hoogte van datzelfde bedrag. C4C en nu haar rechtsopvolger WebinarGeek Holding is op grond van art. 6:212 lid 1 BW gehouden die schade aan [de V.O.F.] te vergoeden.

4.29.

Resteert de vraag of WebinarGeek, de in maart 2017 opgerichte dochtervennootschap van WebinarGeek Holding waarin de exploitatie van het WebinarGeek platform sindsdien blijkbaar is ondergebracht, eveneens en op gelijke voet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor betaling van deze opzegvergoeding aan [de V.O.F.] . Daarvoor is nodig dat vast komt te staan dat ook zij met hetzelfde bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [de V.O.F.] .

4.30.

De rechtbank is van oordeel dat [de V.O.F.] gelet ook op de betwisting door WebinarGeek onvoldoende heeft gesteld om tot een dergelijke vaststelling te kunnen komen. Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, houdt de ongerechtvaardigde verrijking van WebinarGeek Holding verband met de onrechtmatige opzegging eind juli 2016 van de samenwerkingsovereenkomst door haar rechtsvoorganger C4C. Met die opzegging van eind juli 2016 had WebinarGeek, een vennootschap die daarna pas in maart 2017 is opgericht, niets van doen. Het had daarom op de weg van [de V.O.F.] gelegen – op wie ingevolge art. 150 Rv in dit verband de stelplicht rust– om toe te lichten op welke wijze WebinarGeek mede – en in gelijke mate – profijt heeft getrokken van de ongerechtvaardigde verrijking van WebinarGeek Holding. [de V.O.F.] heeft volstaan met de stelling dat WebinarGeek sinds maart 2017 het WebinarGeek platform exploiteert. Daarmee heeft zij echter geen toelichting gegeven op, laat staan inzicht gegeven in de wijze waarop de ongerechtvaardigde verrijking van WebinarGeek Holding mede toegerekend kan worden aan WebinarGeek.

De vorderingen

Primaire en (meer) subsidiaire vorderingen

4.31.

Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank de primaire vordering van [de V.O.F.] tegen WebinarGeek Holding toewijzen tot een hoofdsom van € 122.744,80. De primaire vordering tegen WebinarGeek zal moeten worden afgewezen.

4.32.

Uit de inhoud van de vorderingen, hun rangschikking en de toelichting die [de V.O.F.] ter zitting heeft gegeven over het doel dat zij met deze procedure nastreeft, leidt de rechtbank af dat [de V.O.F.] bij toewijzing van de primaire vordering tegen slechts één van de twee gedaagden – hoewel tegen beide ingesteld – geen oordeel wenst over de (meer) subsidiaire vorderingen voor zover die betrekking hebben op de andere gedaagde, in dit geval WebinarGeek. De rechtbank laat de (meer) subsidiaire vorderingen tegen WebinarGeek daarom onbeoordeeld. Ook ziet de rechtbank in de aan beide zijden ingenomen stellingen over de (meer) subsidiaire vorderingen van [de V.O.F.] tegen WebinarGeek Holding geen ruimte voor toewijzing van een hogere hoofdsom dan de hiervoor genoemde hoofdsom van € 122.744,80. Tenslotte begrijpt de rechtbank dat [de V.O.F.] feitelijk beoogt met al haar vorderingen een gepaste financiële vergoeding van WebinarGeek c.s. te verkrijgen en niet om alsnog een aandelenbelang in WebinarGeek te verkrijgen en/of om de gestelde maar betwiste auteursrechten op de door haar voor het WebinarGeek platform destijds ontwikkelde software in te zetten om de huidige bedrijfsactiviteiten van WebinarGeek c.s. te blokkeren. Ook daarom zal de rechtbank de (meer) subsidiaire vorderingen, waaronder de gestelde maar betwiste inbreuk op gestelde maar betwiste auteursrechten op de toenmalige software nu buiten beoordeling laten.

Wettelijke (handels)rente

4.33.

Voor toewijzing van de primair gevorderde wettelijke handelsrente over het nog verschuldigde bedrag aan schadevergoeding is geen grondslag nu geen sprake is van een betalingsverplichting zoals bedoeld in art. 6:119a BW. De subsidiair gevorderde wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW zal, zoals onbestreden is gevorderd, worden toegewezen over de hoofdsom van € 122.744,80 vanaf 9 september 2016 tot de dag van gehele betaling.

De buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 4.680,00

4.34.

WebinarGeek Holding heeft geen verweer gevoerd tegen de door [de V.O.F.] gevorderde incassokosten. Uit de stellingen aan beide zijden en uit de hiervoor bij 2.22 en 2.23 vastgestelde feiten blijkt ook dat er vooral van augustus 2016 tot november 2016 buiten rechte is gecorrespondeerd tussen de advocaten om tot een financiële oplossing voor partijen te komen. Daarom zal de rechtbank gelet op de toewijsbare hoofdsom en met toepassing van de forfaitaire wettelijke regeling voor buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 2.002,45 toewijzen voor incassokosten, onder afwijzing van het meer gevorderde.

Proceskosten en uitvoerbaar verklaring bij voorraad

4.35.

WebinarGeek Holding zal als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [de V.O.F.] worden veroordeeld. Daarbij zal de rechtbank het voor de toewijsbare hoofdsom geldende liquidatietarief V toepassen. De totale kosten aan de zijde van [de V.O.F.] worden begroot op € 7.835,53, bestaande uit € 4.200,- betaald griffierecht, € 95,53 kosten deurwaarder en € 3.540,- forfaitair salaris advocaat (2 x tarief V).

4.36.

De vorderingen voor zover gericht tegen WebinarGeek worden afgewezen, zodat in dat opzicht [de V.O.F.] de in het ongelijk gestelde partij is. Omdat die vorderingen in identieke vorm ook tegen WebinarGeek Holding zijn ingesteld en WebinarGeek daartegen niet of nauwelijks zelfstandig verweer, dat wil zeggen losstaand van het verweer van WebinarGeek Holding, heeft gevoerd, zullen haar proceskosten op nihil worden begroot.

4.37.

Nu dat onbestreden is gevorderd, zal de rechtbank dit vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissingen

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt WebinarGeek Holding tot betaling aan [de V.O.F.] van een bedrag van per saldo € 122.744,80,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 9 september 2016 tot aan de dag van algehele betaling;

5.2.

veroordeelt WebinarGeek Holding tot betaling aan [vennoot 1] [vennoot 2] van een bedrag van € 2.002,45 voor incassokosten;

5.3.

veroordeelt WebinarGeek Holding tot betaling aan [de V.O.F.] van een bedrag van € 7.835,53 voor proceskosten;

5.3.

veroordeelt [de V.O.F.] in de proceskosten van WebinarGeek, tot dusver echter begroot op nihil;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022.7

1 Burgerlijk Wetboek.

2 Auteurswet.

3 Vgl. bijvoorbeeld HR 2 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2043) en (eerder) HR 17 december 1976 (ECLI:NL:HR:1976:AC5835).

4 Zie bijvoorbeeld HR 27 juni 1997, NJ 1997, 719.

5 Hoge Raad 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, r.o. 3.6.2 en 3.6.3.

6 De overeenkomst van opdracht kan ingevolge art. 7:408 lid 1 BW te allen tijde door de opdrachtgever worden opgezegd.

7 3058 / 0417