Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
13-09-2022
Zaaknummer
C/09/586380 / HA ZA 20-36
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auteursrecht. Databankrecht. Databestanden met gegevens over vrijgemaakte en vrijgegeven slaven in bewaring gegeven aan het Nationaal Archief. Publicatie van bestanden op website. Oorspronkelijkheidscriterium. Wanprestatie. Schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/586380 / HA ZA 20-36

Vonnis van 3 augustus 2022

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. B.A. Boer te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; het Nationaal Archief),

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. S.M. Kingma te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de op 19 december 2019 betekende dagvaarding met de producties EP01 t/m EP11;

  • -

    de conclusie van antwoord van 19 februari 2020 met de producties GP01 t/m GP07;

  • -

    de brief van de rechtbank van 7 mei 2020 aan beide advocaten over de (on)mogelijkheden in deze procedure door de toenmalige coronamaatregelen;

  • -

    de reacties daarop van beide advocaten ter rolzittingen van 13 en 27 mei 2020;

  • -

    het tussenvonnis van 23 februari 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van mr. Boer van 24 maart 2022 met de producties EP12 t/m EP 20;

  • -

    de op 6 april 2022 gehouden fysieke comparitie van partijen.

1.2.

Deze procedure heeft geruime tijd stilgelegen door de coronamaatregelen en door de keuze van mr. Boer op 27 mei 2020 voor een fysieke zitting. Ter fysieke zitting van 6 april 2022 is vonnis bepaald op 29 juni 2022. Door organisatorische omstandigheden heeft de rechtbank de vonnisdatum moeten uitstellen tot vandaag, 3 augustus 2022.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is historicus en heeft in de afgelopen decennia een aantal databestanden opgesteld met diverse gegevens over vrijgegeven (via manumissie) en vrijgemaakte (via emancipatie) slaven in Suriname. Het gaat onder meer om namen (voornaam, familienaam en/of slavennaam), geslacht, beroep, afkomst, godsdienst, plantagenaam, eigenaar/vrijlater en datum van vrijlating van tienduizenden vrijgemaakte of vrijgegeven slaven. Deze gegevens zijn verkregen uit verschillende analoge bronnen, waaronder diverse archieven waarover het Nationaal Archief1 beschikt, vooral het archief van de Algemene Rekenkamer waartoe onder meer de borderellen van aangifte (van Suriname en de Antillen) behoren.

2.2.

[eiser] heeft in het jaar 2000 twee door hem gemaakte databestanden over manumissies in Suriname in bewaring gegeven aan het Algemeen Rijksarchief, de rechtsvoorganger van het Nationaal Archief (hierna: de manumissie-bestanden). In het kader van de inbewaringgeving van de manumissie-bestanden hebben [eiser] en het Nationaal Archief, althans het Algemeen Rijksarchief dat nu onderdeel vormt van het Nationaal Archief, op 18 december 2000 een overeenkomst van inbewaringgeving gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“De inbewaringgever verklaart dat de auteursrechten van de hierboven genoemde digitale gegevensbestanden uitsluitend bij hem berusten. Hij vrijwaart het Algemeen Rijksarchief in deze van aanspraken van derden.

Ten aanzien van het beheer van de genoemde bestanden is het navolgende overeengekomen:

  1. (…).

  2. (…).

  3. Het Algemeen Rijksarchief erkent de inbewaringgever als auteur van de digitale gegevensbestanden. Zonder toestemming van de inbewaringgever of diens rechtverkrijgenden, zal het Algemeen Rijksarchief geen digitale kopieën van de genoemde bestanden of van bewerkingen daarvan vervaardigen anders dan voor eigen gebruik. Digitale kopieën van de genoemde bestanden of van bewerkingen daarvan zullen niet zonder toestemming van de inbewaringgever of diens rechtverkrijgenden aan derden ter beschikking worden gesteld, met inachtneming van het gestelde in het volgende artikel.

  4. De bruikleengever verleent toestemming aan het Algemeen Rijksarchief om uitgaande van de in permanente bewaring gegeven bestanden een internetpresentatie te ontwikkelen en via het worldwide web ter beschikking te stellen. De bedoelde internetpresentatie biedt de bezoeker van de website van het Algemeen Rijksarchief de gelegenheid om de gegevensbestanden te raadplegen, zonder dat deze (integraal) kunnen worden gedownload.”

2.3.

[eiser] heeft in 2003 opnieuw een databestand aan het Nationaal Archief in bewaring gegeven. Dat bestand bevat gegevens over de emancipatie van Surinaamse slaven (hierna: het emancipatie-bestand). Ten aanzien van de inbewaringgeving van dat bestand hebben partijen geen separate overeenkomst van inbewaringgeving gesloten.

2.4.

Zowel de manumissie-bestanden als het emancipatie-bestand werden door [eiser] in DBF-formaat en Excel-formaat aan het Nationaal Archief aangeleverd. Het Nationaal Archief heeft die bestanden bewerkt teneinde ze te kunnen plaatsen op de eigen website. In 2011 voerde het Nationaal Archief werkzaamheden aan de website uit, onder meer om de door [eiser] aangeleverde gegevens in de huidige vorm ter beschikking te stellen als index “Suriname en Nederlandse Antillen: Vrijverklaarde slaven (Emancipatie 1863)” en index “Suriname: Vrijgelaten slaven en hun eigenaren (manumissies)”.

2.5.

Halverwege 2011 vond ook een migratie plaats van verschillende losse webdatabases naar één centrale website van het Nationaal Archief (destijds www.gahetna.nl en nu (doorgeleid naar) www.nationaalarchief.nl). Daarbij was er als standaard voor gekozen om de databases ook als download ter beschikking te stellen. Achterliggend idee daarvan was om onderzoekers in staat te stellen de data op een andere manier te bevragen dan in de webinterface van de centrale website mogelijk was.

2.6.

Ook de door [eiser] in bewaring gegeven bestanden (in de vorm van de twee hiervoor genoemde indices) konden vanaf halverwege 2011 in hun geheel van de website van het Nationaal Archief gedownload worden. In mei 2012 heeft [eiser] dat gemeld bij het Nationaal Archief en verzocht dat te doen stoppen omdat het downloadbaar zijn volgens hem in strijd was met zijn auteursrechten op die bestanden. Naar aanleiding daarvan heeft het Nationaal Archief de mogelijkheid om de twee indices van haar website te downloaden op 18 juni 2012 beëindigd.

2.7.

In 2013 bood [eiser] opnieuw enkele databestanden aan het Nationaal Archief aan. Het Nationaal Archief liet daarop weten de inbewaringgeving van die databestanden en van de eerder ter beschikking gestelde manumissie-bestanden en het emancipatie-bestand in een (nieuwe) overeenkomst te willen vervatten. Daartoe is een conceptovereenkomst opgesteld die nooit is gefinaliseerd en niet door partijen voor akkoord is ondertekend.

2.8.

Op 1 april 2018 ontdekte [eiser] dat de manumissie-bestanden en het emancipatie-bestand werden vermeld als bronnen van een database op de website [naam website] . Die website, beheerd door [de beheerder] (hierna: [de beheerder] ), bevat een doorzoekbare database waarin mensen informatie kunnen vinden over de herkomst van hun voorouders in Suriname.

2.9.

[eiser] nam diezelfde dag contact op met [de beheerder] om hem erop te wijzen dat het niet was toegestaan de manumissie-bestanden en het emancipatie-bestand (integraal) over te nemen en te bewerken en dat [de beheerder] met de opname van die bestanden in zijn database op [naam website] inbreuk maakte op de auteursrechten van [eiser] . In de daaropvolgende mailwisseling tussen [eiser] en [de beheerder] heeft [de beheerder] bestreden dat sprake zou zijn van auteursrechtelijk beschermde gegevens. Het zou [de beheerder] daarom vrij staan de gegevens uit de bestanden die hij via de website www.gahetna.nl had verkregen te gebruiken. [eiser] heeft vervolgens ook het Nationaal Archief (in kopie) in de mailwisseling betrokken, met het (vergeefse) verzoek zich aan de zijde van [eiser] te voegen en aan [de beheerder] duidelijk te maken dat [de beheerder] die gegevens niet mocht gebruiken.

2.10.

Per brief van 23 augustus 2018 heeft de advocaat van [eiser] het Nationaal Archief gesommeerd om de auteursrechtinbreuk door [de beheerder] te doen staken. Daarop heeft het Nationaal Archief bij brief van 18 september 2018 geantwoord dat de manumissie-bestanden en het emancipatiebestand, zoals te raadplegen op de website van het Nationaal Archief, geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Dat standpunt heeft het Nationaal Archief bij latere brieven van onder meer 6 december 2018 en 29 april 2019 herhaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. de Staat te veroordelen om

a) de auteursrechten van [eiser] te erkennen op de door hem in bewaring gegeven werken,

b) zorg te dragen dat deze werken niet downloadbaar zullen zijn via een aan de Staat toebehorende dan wel gelieerde website of anderszins,

c) [eiser] nadrukkelijk als auteursrechthebbende te noemen op haar websites dan wel bij andere door haar toegankelijk gemaakte bronnen die gebaseerd zijn op de werken van [eiser] ,

d) actief het auteursrecht van [eiser] te beschermen, en

e) rechtsmaatregelen jegens [de beheerder] te treffen waardoor deze de inbreuk op de auteursrechten van [eiser] zal staken en deze gestaakt zal houden,

f) één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, waarbij een gedeelte van een dag als een gehele dag zal gelden, dat de Staat hiermee in gebreke is na betekening van het vonnis, tot een maximum van € 100.000,-, dan wel een door de rechtbank te bepalen hoogte van de dwangsom met maximum;

2. de Staat te veroordelen om aan [eiser] te betalen een schadevergoeding van € 10.000,- dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag;

3. de Staat te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten; en

4. de Staat te veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.2.

[eiser] legt – verkort weergegeven – het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. De manumissie-bestanden en het emancipatie-bestand zijn auteursrechtelijk beschermde werken in de zin van artikel 10 lid 3 Aw2. [eiser] , als maker van genoemde bestanden en dus auteursrechthebbende, heeft die bestanden aan het Nationaal Archief in bewaring gegeven onder de voorwaarde dat zij niet (integraal) ter download op het internet zouden worden aangeboden. Nu dat enige tijd blijkbaar toch het geval is geweest, is het Nationaal Archief toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van een op haar rustende verplichting en heeft het ook onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] , mede omdat het Nationaal Archief daarmee de inbreuk door [de beheerder] op het auteursrecht van [eiser] heeft gefaciliteerd. [eiser] heeft daardoor schade geleden, die in billijkheid moet worden begroot op € 10.000,- plus incassokosten.

3.3.

De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Auteursrecht op de door [eiser] aan het Nationaal Archief in bewaring gegeven databestanden?

4.1.

De kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of de door [eiser] aan het Nationaal Archief in bewaring gegeven manumissie-bestanden en het emancipatie-bestand (hierna: de bestanden) auteursrechtelijk beschermde werken zijn.

4.2.

In dat kader staat voorop dat partijen het erover eens zijn dat de objectieve, historische gegevens die in de bestanden zijn opgenomen afzonderlijk niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.

4.3.

[eiser] betoogt in de kern dat het unieke karakter van de verzameling gegevens die in de bestanden is opgenomen, verkregen door informatie uit verschillende (analoge) bronnen te combineren, maakt dat sprake is van een oorspronkelijk werk waarop auteursrecht rust.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moet een voortbrengsel oorspronkelijk zijn, in die zin dat het een eigen intellectuele schepping van de maker is die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzes van de maker bij de totstandkoming van het werk.3 Ook een verzameling van onbeschermde gegevens, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk, kan, op grond van artikel 10 lid 3 Aw, als zelfstandig werk auteursrechtelijke bescherming genieten voor zover een dergelijke verzameling (ook aangeduid als ‘databank’) aan het oorspronkelijkheidsvereiste voldoet.

4.5.

Voor de beoordeling of de bestanden van [eiser] – als databank – voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, mogen dan ook geen andere criteria dan het oorspronkelijkheidscriterium worden gehanteerd. Dat betekent dat bij de vaststelling of die bestanden auteursrechtelijk beschermd zijn, de intellectuele inspanningen en deskundigheid die zijn aangewend bij het creëren van de in de bestanden opgenomen gegevens, niet relevant zijn. Evenmin is in dat kader van belang dat de keuze of de rangschikking van de gegevens al dan niet een toevoeging van een wezenlijke inhoud aan die gegevens met zich brengt. Voorts kunnen de voor de samenstelling van de bestanden vereiste aanzienlijke inspanningen en deskundigheid van [eiser] en/of anderen op zich geen grond opleveren voor een dergelijke auteursrechtelijke bescherming indien daarbij geen blijk wordt gegeven van originaliteit bij de keuze of de rangschikking van de in de bestanden opgenomen gegevens.4

4.6.

[eiser] erkent dat de ordening van de bestanden en dus de rangschikking van de daarin opgenomen objectieve, historische gegevens volstrekt logisch is, dat geen andere vorm of structuur denkbaar is en dat de doorzoekbaarheid slechts een gevolg is van de technologie. Volgens hem ziet het auteursrecht juist op de combinatie van de gegevens en de informatie die daaruit kan worden gehaald, waardoor een unieke nieuwe bron is ontstaan.

4.7.

Zonder afbreuk te willen doen aan de (intellectuele) inspanningen die [eiser] heeft verricht om te kunnen komen tot de unieke samenstelling van gegevens zoals verenigd in de bestanden, deelt de rechtbank zijn conclusie niet. Dit gelet ook op het verweer van de Staat. De enkele keuze om objectieve historische gegevens, afkomstig uit verschillende analoge bronnen, te combineren om op die manier een uniek, nieuw en vollediger databestand te creëren, is onvoldoende om te kunnen spreken van een oorspronkelijk werk. Daartoe is immers, zo blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen, vereist dat de combinatie van bedoelde gegevens getuigt van vrije creatieve keuzes waaruit blijkt dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de maker die zijn persoonlijkheid weerspiegelt. Weliswaar heeft [eiser] onderbouwd gesteld dat door al zijn jarenlange intellectuele inspanningen gemakkelijker (want in één bron) verschillende gegevens over een vrij geworden slaaf kunnen worden ingezien, waaronder de plantage waar de betreffende slaaf heeft gewoond en gewerkt en zijn familiale verhoudingen. Daardoor geven de bestanden een vollediger beeld per slaaf en per plantage dan de individuele analoge bronnen die daaraan ten grondslag liggen, en kan in één oogopslag een inzicht over de sociaaleconomische situatie van betrokkenen worden verkregen. De rechtbank is er ook van overtuigd dat het verkrijgen van de tienduizenden gegevens en daarmee het opstellen van de bestanden een aanzienlijke inspanning heeft gevergd, omdat de geraadpleegde bronnen niet op elkaar aansluiten en (daardoor) niet direct duidelijk is welke informatie bij welke vrijgemaakte of vrijgegeven slaaf hoort.

4.8.

Voor de beoordeling of sprake is van een oorspronkelijk werk zijn de kwaliteit en intensiteit van de geleverde inspanningen echter niet een in aanmerking te nemen factor. De rechtbank is er op basis van hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht, mede gelet op het verweer van de Staat, niet van overtuigd geraakt dat de wijze waarop de bestanden zijn samengesteld getuigt van creatieve keuzes als in vorenbedoelde zin, bijvoorbeeld door een selectie van gegevens waarin de eigen persoonlijke visie van [eiser] tot uitdrukking komt. Daarbij merkt de rechtbank op dat de ruimte om dergelijke creatieve keuzes te maken en een persoonlijk stempel op de bestanden te drukken in het licht van de aard van de bestanden en de daarin opgenomen gegevens, aan de rechtbank ook zeer beperkt voorkomt. Het gaat hier veeleer om een objectieve verzameling van feitelijke gegevens, gerangschikt naar slaaf en/of per plantage en voorzien van kruisverwijzingen. Creatieve keuzes die een persoonlijke visie weerspiegelen, zijn daarbij niet aan de orde. De omstandigheid dat [eiser] een eigen codering heeft gebruikt om de plantage/eigenaar van een slaaf aan te duiden (“PL”) en het feit dat anderen naar de bestanden verwijzen en/of daaruit citeren als ware het een oorspronkelijke bron, maken die conclusie niet anders, nu daaruit evenmin blijkt van vrije creatieve keuzes van [eiser] bij de samenstelling van de bestanden.

4.9.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de bestanden niet aan het oorspronkelijkheidscriterium voldoen. Daarom komen zij niet in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming. Daaraan kan niet afdoen dat zowel [eiser] als het Nationaal Archief over de auteursrechtelijke bescherming van de manumissie-bestanden eerder in de inbewaringgevingsovereenkomst van december 2000 een andersluidend standpunt hebben ingenomen. Het antwoord op de vraag of een werk op grond van de Auteurswet bescherming geniet, staat immers niet ter vrije bepaling aan (contracts)partijen.

4.10.

De rechtbank hecht eraan op deze plaats op te merken dat de hiervoor getrokken conclusie slechts de juridische kwalificatie van de bestanden betreft. Daarmee is niet beoogd een oordeel te geven over de wetenschappelijke waarde van de bestanden en ook niet over de complexiteit en intensiteit van de door [eiser] verrichte arbeid bij de samenstelling daarvan. Het feit dat de bestanden auteursrechtelijke bescherming missen mag dan ook niet worden uitgelegd als miskenning van de door [eiser] – in het kader van de samenstelling van de bestanden – verrichte wetenschappelijke arbeid die, alleen al gelet op de hoeveelheid gegevens die hij bijeen heeft gebracht, zondermeer als significant kan worden aangemerkt. Dat de bestanden wetenschappelijke waarde hebben, blijkt voorts uit het feit dat zij door andere historici als bron worden aangehaald.

Databankrecht op de door [eiser] aan het Nationaal Archief in bewaring gegeven databestanden?

4.11.

Ter zitting heeft [eiser] zijn vorderingen door zijn advocaat ook alsnog doen steunen op een aan [eiser] beweerdelijk toekomend databankrecht op de bestanden, zoals geregeld in de Databankenwet, waarvoor het oorspronkelijkheidsvereiste nu juist niet geldt. De rechtbank begrijpt die aanvulling van de grondslag van de vorderingen aldus dat [eiser] betoogt dat het Nationaal Archief ook inbreuk heeft gemaakt op het aan [eiser] toekomende databankrecht en dat de Staat daarom gehouden is iedere verdere inbreuk daarop door [de beheerder] en/of anderen te doen staken.

4.12.

De rechtbank volgt dat betoog niet, mede gelet op het verweer van de Staat ter zitting. Zelfs als aangenomen wordt dat aan [eiser] , als producent van de in de bestanden neergelegde databanken, een databankrecht toekomt – die vraag laat de rechtbank, mede gelet op het door de Staat gevoerde verweer, uitdrukkelijk in het midden – heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de Staat, althans het Nationaal Archief, dat juist met expliciete toestemming van [eiser] de bestanden als indices op haar website publiceert, daarop inbreuk heeft gemaakt. Waarom en op welke grond de Staat onder die omstandigheden verantwoordelijk kan worden gehouden voor (het beëindigen van) een eventuele (zelfstandige) schending van de rechten van [eiser] door [de beheerder] en anderen, is de rechtbank, zonder nadere toelichting van [eiser] , die ontbreekt, niet duidelijk.

De vorderingen van [eiser]

4.13.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de vorderingen van [eiser] onder 1.a) tot en met 1.f) moeten worden afgewezen. Voor zover het betreft de vorderingen onder 1.b) en 1.c) merkt de rechtbank nog het volgende op. De bestanden, althans de daarop gebaseerde indices kunnen sinds 18 juni 2012 naar de rechtbank begrijpt niet meer gedownload worden van de website van het Nationaal Archief. Niet gesteld of gebleken is dat het Nationaal Archief daarin verandering zal brengen. Voorts vermeldt het Nationaal Archief op haar website bij de betreffende indices (onder “Colofon”) uitdrukkelijk dat het [eiser] als samensteller van de gegevensbestanden zeer erkentelijk is. De rechtbank gaat ervanuit dat die vermeldingen, waaruit duidelijk en ondubbelzinnig de waardering voor de door [eiser] geleverde (intellectuele) inspanningen spreekt, ongewijzigd zullen blijven.

4.14.

Voor wat betreft de door [eiser] onder 2. gevorderde schadevergoeding van
€ 10.000,- en de daartegen door de Staat gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt. Naar de rechtbank evenals de Staat begrijpt baseert [eiser] die geldvordering niet alleen op schending van auteursrecht of databankenrecht (hiervoor immers afgewezen door de rechtbank), maar ook op wanprestatie van de Staat door het in de periode van medio 2011 tot 18 juni 2012 (zie de hiervoor door de rechtbank vastgestelde feiten bij 2.5 en 2.6) in strijd met de overeenkomst van inbewaringgeving uit december 2000 toch downloadbaar (laten) zijn van de bestanden.

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt reeds het door de Staat gevoerde verweer dat zonder nadere toelichting door [eiser] - die ontbreekt - niet of onvoldoende valt in te zien dat [eiser] door deze eventuele wanprestatie van de Staat (althans het Nationaal Archief) onder de overeenkomst van inbewaringgeving uit december 2000 enige daaraan toerekenbare concrete vermogensschade in de zin van wetsartikel 6:96 BW heeft geleden, laat staan tot het nu gevorderde bedrag van € 10.000,-. Niet of onvoldoende concreet gesteld is immers geleden verlies of gederfde winst van [eiser] tot enig concreet schadebedrag als gevolg van het in 2011 en 2012 door toedoen van het Nationaal Archief ongeveer een jaar downloadbaar zijn van de bestanden. Van een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als bedoeld in wetsartikel 6:106 BW kan in dit geval zonder nadere toelichting – die ontbreekt – rechtens ook geen sprake zijn. Reeds daarom zal de rechtbank deze geldvordering van [eiser] afwijzen. Dit nog daargelaten de overige door de Staat daartegen gevoerde verweren, die de rechtbank bij deze stand van zaken buiten beoordeling zal laten. Dat betekent ook dat de door [eiser] daarbij nog gevorderde incassokosten zullen moeten worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de Staat moeten worden veroordeeld. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van de Staat op
€ 1.992,- aan betaald griffierecht plus € 1.126,- aan forfaitair salaris advocaat (2 x tarief II) plus € 163,- forfaitair na-salaris advocaat, in totaal dus € 3.281,-, nog te vermeerderen met
€ 85,- forfaitair na-salaris ingeval van betekening, en alles zoals gevorderd te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15de dag na de datum van dit vonnis en met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan de Staat van € 3.281,- voor de proceskosten van de Staat, nog te vermeerderen met € 85,- ingeval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15de dag na de datum van dit vonnis;

5.3.

verklaart die proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.

3058 / 0417

1 Het Nationaal Archief is een agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2 Auteurswet.

3 HvJEG 16 juli 2009, ECLI:EU:C:2009:465, C-5/08 (Infopaq I) en HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798, C-145/10 (Painer)

4 HvJ EU 1 maart 2012, C-604/10, ECLI:EU:C:2012:115, NJ 2012/433 (Football Dataco), r.o. 46.