Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
30-08-2022
Zaaknummer
NL22.15738
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring. Gronden van de maatregel. Lichter middel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL22.15738


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).


Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 16 augustus 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 augustus 2022 een verweerschrift ingediend. Op 22 augustus 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.

2. Op zaterdag 13 augustus 2022 te Breda is eiser betrapt op zwartrijden in de internationale trein vanuit Antwerpen. Vervolgens is hij op diezelfde dag staandegehouden, overgebracht naar een plaats voor verhoor en in bewaring gesteld.

3. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. In het verweerschrift heeft verweerder de zware grond 3i laten vallen, zodat deze niet langer aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.

5. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat zijn individuele omstandigheden niet zijn meegewogen. Volgens eiser was hij genoodzaakt om uit België te vertrekken omdat hij daar op straat moest leven, zich onveilig voelde en geen medische hulp kreeg. Dit laat echter onverlet dat het feitelijk juist is dat eiser niet op de voorgeschreven wijze (te weten: zonder identiteitsdocument) Nederland is binnengekomen, terwijl verweerder daarmee mag volstaan. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.

6. Ten aanzien van de zware grond 3b voert eiser aan dat hij bij inreis in Nederland gelijk is staandegehouden en sindsdien niet meer uit beeld van de autoriteiten is geweest. Uit de omstandigheden dat eiser is staandegehouden tijdens het zwartrijden en dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij zich niet heeft aangemeld bij de Nederlandse autoriteiten, heeft verweerder echter kunnen afleiden dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken.

7. Ook ten aanzien van de lichte gronden 4a en 4b wijst eiser op de door hem gestelde omstandigheden in België. Die maken echter niet dat niet langer van eiser verwacht zou mogen worden aan de verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb te voldoen (met name: in het bezit zijn van een geldig reisdocument en aanmelden bij de Nederlandse autoriteiten). Daarnaast heeft eiser blijkens het dossier niet alleen in België, maar ook in diverse andere lidstaten een asielaanvraag niet afgewacht. Ten aanzien van de lichte gronden 4c en 4d voert eiser aan dat het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan inherent is aan zijn positie als asielzoeker. Dit brengt echter niet met zich dat deze gronden om die reden niet langer aan eiser zouden mogen worden tegengeworpen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten.

8. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder geen zichtbare inhoudelijke afweging heeft gemaakt ten aanzien van het lichter middel. Niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het significant risico van onttrekking aan het toezicht te ondervangen.

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

10. Voor het toekennen van schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 106 van de Vw bestaat geen aanleiding.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.