Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8555

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2022
Datum publicatie
07-09-2022
Zaaknummer
NL20.21368
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat inmiddels is beslist, heeft eiseres geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.21368


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [v-nummer]

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 26 juli 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op haar asielaanvraag van 31 juli 2019.

Verweerder heeft op 4 augustus 2020 een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 18 november 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiseres ingewilligd en aan haar een verblijfsvergunning asiel verleend.

Verweerder heeft op 30 december 2020 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Op 12 februari 2021 heeft eiseres gereageerd op het besluit van 18 november 2020 en het beroep gehandhaafd.

Bij besluit van 3 maart 2021 heeft verweerder aan eiseres een wettelijke dwangsom van € 1.442,- toegekend.

Op 31 maart 2021 heeft eiseres gereageerd op het besluit van 3 maart 2021 en het beroep gehandhaafd. Daarbij heeft eiseres de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Verweerder heeft op 7 september 2021 gereageerd op het verzoek van eiseres en medegedeeld zich tegen een veroordeling in de proceskosten te verzetten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak zonder zitting, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.1 Een zitting is daarom niet nodig.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

3. Op 18 november 2020 heeft verweerder alsnog een besluit op de aanvraag van eiseres genomen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.3 De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

4. In de brief van 7 september 2021 verzet verweerder zich tegen een veroordeling in de proceskosten. Dit standpunt komt niet overeen met het standpunt dat verweerder eerder in het verweerschrift van 4 augustus 2020 heeft ingenomen. In dat verweerschrift verzette verweerder zich hier namelijk niet tegen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt van 7 september 2021. De omstandigheid dat het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag niet-ontvankelijk is, omdat inmiddels op de aanvraag is beslist, doet er niet aan af dat eiseres in aanmerking komt voor vergoeding van haar proceskosten. Op het moment dat eiseres beroep instelde, was de wettelijke beslistermijn namelijk verstreken, had eiseres verweerder rechtsgeldig in gebreke gesteld en had zij vervolgens meer dan twee weken gewacht voordat zij beroep instelde. Pas nadat eiseres beroep heeft ingesteld, heeft verweerder op de aanvraag beslist.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1/2).4 De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

6. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit.5 Aangezien verweerder bij besluit van 18 november 2020 inwilligend op de aanvraag van eiseres heeft beslist en bij besluit van 3 maart 2021 aan eiseres de maximale bestuurlijke dwangsom heeft toegekend, is geheel aan het beroep van eiseres tegemoetgekomen. Dit betekent dat het beroep geen betrekking heeft op het alsnog genomen besluit.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 31 juli 2019 niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

1 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348).

4 Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.