Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8515

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2022
Datum publicatie
25-08-2022
Zaaknummer
09/155071-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Poging doodslag. Slaan met een fles in de halsstreek. Het letsel bestaat uit snijwonden in de wang en hals, nabij de halsslagader. Verwerping noodweer(exces)-verweer. In afwijking van het advies van de reclassering geen toepassing van het jeugdstrafrecht.

Gevangenisstraf 6 maanden waarvan 3 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/155071-21

Datum uitspraak: 25 augustus 2022

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 11 augustus 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Post en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. P. Celikkal naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juni 2021 te 's-Gravenzande, gemeente Westland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]
opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] (met kracht)
- met een glazen fles in/tegen de nek en/of de hals en/of het hoofd heeft geslagen en/of gestoken
en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 juni 2021 te 's-Gravenzande, gemeente Westland
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) (diepe) snijverwonding(en) in het
gezicht en/of de hals en/of de nek, heeft toegebracht door die [slachtoffer] (met kracht)
- met een glazen fles in/tegen de nek en/of de hals en/of het hoofd te slaan en/of steken en/of te snijden.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen1 met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop ze blijkens hun inhoud betrekking hebben.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 12 juni 2021, voor zover inhoudende (p. 40-42):

Plaats delict: ’s-Gravenzande, binnen de gemeente Westland

Ik ging op 11 juni 2021 weg van huis.

Op een gegeven moment zag ik in mijn linker ooghoek dat iemand mij naderde en mij sloeg met een flesje in mijn nek. Ik werd geraakt met dat flesje aan mijn
linkerzijde van mijn nek. Dat flesje raakte mij met kracht en ik hoorde geluid van
glasgerinkel om mij heen. Ik voelde ineens dat er heel veel bloed langs mijn nek gleed.

Ik weet dat de jongen die mij met het flesje heeft geslagen [naam] heet.

Nadat de ambulance is geweest ben ik door hen gecontroleerd en vervoerd naar het ziekenhuis. Ik ben vannacht geopereerd. Ik heb een groot litteken in mijn gezicht naar mijn hals toe.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 12 juni 2021, voor zover inhoudende (p. 92:

Ik heb met een Bacardi fles, welke ik in mijn hand had, op zijn hoofd geslagen. Ik heb hem op de zijkant van zijn hoofd geraakt.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van [getuige] , opgemaakt op 12 juni 2021, voor zover inhoudende (p. 79):

Op 11 juni 2021 fietste ik met mijn vrienden.


Ik zag dat [verdachte] in zijn rechterhand een grote fles Bacardi had. Ik dacht een fles van 0,75 liter. Ik zag dat [verdachte] op een gegeven moment met de fles één van de jongens in zijn nek sloeg. Ik zag dat er direct bloed uit de nek van de jongen stroomde. Ik zag dat de jongen op de grond viel.

4. Het geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 13 juni 2021, voor zover inhoudende (p. 101-102):

Achternaam: [naam]

Voornamen: [naam]

A. Uitwendig waargenomen letsel:

- fase snijwonden hals en wang

- Initieel verdenking op letsel grote vaten
- fase bloeding uit wang
- huid gelaedeerd; de vraag of die het gaat redden.

Is er sprake van uitwendig bloedverlies: Ja

Ernstig: Ja

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 11/06/2021

E. Overige van belang zijnde informatie
Operaties ter herstel wonden en exploreren. Onduidelijk of er “dove” plekken zullen blijven in hals en gelaat. Onduidelijk of de huid het gaat redden. Zeker forse littekens hals en gelaat

F. Geschatte duur van genezing:
tot 1 jaar voor definitief aspect littekens.

3.4.

Bewijsoverwegingen

Feitelijke handelingen

Op grond van de hiervoor onder 3.3 genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 11 juni 2021 in ’s-Gravenzande [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) dermate hard met een glazen fles in de halsstreek heeft geslagen, dat het glas van de fles is gebroken. Uit de letselbeschrijving blijkt dat er snijwonden in de wang en hals zijn ontstaan als gevolg van het gebroken glas.

Poging doodslag? De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer] .

De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte [slachtoffer] heeft geslagen met het doel hem te doden. Dat betekent dat de rechtbank geen ‘vol opzet’ op de dood bewezen acht. Ook als iemand voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad kan een poging doodslag worden bewezen. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet moet sprake zijn van:

  • -

    een aanmerkelijke kans op de dood door de handeling van de verdachte en

  • -

    de bewuste aanvaarding door de verdachte van die kans.

Met een aanmerkelijk kans op de dood wordt, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak, een niet verwaarloosbare, reële kans bedoeld dat iemand door de handeling komt te overlijden. Of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat de verdachte [slachtoffer] met een halfvolle Bacardifles van 0.75 liter tegen de halsstreek heeft geslagen. Dat dit met kracht is gebeurd, leidt de rechtbank af uit de omstandigheden dat de hals een zacht deel van het lichaam is en dat de fles is gebroken in de hals van [slachtoffer] . Dit terwijl [slachtoffer] op korte afstand van de verdachte stond. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd één van de meest kwetsbare delen van het menselijk lichaam is en dat op het hoofd toegepast geweld tot de dood kan leiden. In dit geval zijn er bij [slachtoffer] snijwonden in de hals en wang ontstaan en was er sprake van ernstig uitwendig bloedverlies. Initieel was er ook de verdenking op letsel van grote vaten. Door met kracht een glazen fles in de halsstreek te slaan, waardoor het glas breekt, bestaat de aanmerkelijke kans dat de halsslagader wordt geraakt, wat de dood van [slachtoffer] tot gevolg kon hebben. De handelingen van de verdachte moeten naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel bij [slachtoffer] , dat de verdachte door zo te handelen de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De rechtbank heeft in het procesdossier geen aanwijzingen gevonden die contra-indicaties opleveren. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend de primair ten laste gelegde poging tot doodslag is bewezen.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 11 juni 2021 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met kracht
- met een glazen fles tegen de hals en het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

4.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces, wat volgens haar moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Er was volgens de raadsvrouw sprake van een ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’ van verdachtes lichaam, doordat [slachtoffer] zijn keel dichtkneep. De verdachte kon niet meer rustig nadenken over de vraag hoe en waar hij [slachtoffer] zou raken op het moment hij [slachtoffer] van zich af sloeg. Mocht de rechtbank menen dat de verdachte zich disproportioneel verweerd heeft tegen de aanval van [slachtoffer] , dan heeft de raadsvouw nog aangevoerd dat dit kwam door de hevige angst die hij voelde, omdat hij dacht dat hij zou gaan stikken.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, omdat het slaan met de Bacardifles niet als verdedigend, maar als aanvallend moet worden beschouwd. Aangezien er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, vervalt hiermee eveneens een mogelijk beroep op noodweerexces.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer dient de rechtbank duidelijk te maken of zij de feitelijke toedracht, zoals door de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, aannemelijk geworden acht (Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:867). Daarbij kan echter niet worden gezegd dat het in de eerste plaats aan de verdachte is om de gestelde feiten aannemelijk te maken (Hoge Raad 17 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1775). De verdachte hoeft weliswaar niet (steeds) de feitelijke grondslag van een beroep op noodweer aannemelijk te maken, maar hij zal wel voldoende relevante feiten moeten stellen (Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1894).

De verklaringen van de verdachte en de verschillende getuigen over dit incident lopen uiteen. De verdachte heeft als enige verklaard dat [slachtoffer] hem tot vijfmaal toe bij de keel pakte, zijn keel dichtkneep en dat hij daarom met de fles heeft gezwaaid richting het hoofd van [slachtoffer] om zichzelf te verdedigen. De verschillende getuigen hebben verklaard dat ze hebben gezien dat de verdachte in het tumult door drie of vier jongens, onder wie [slachtoffer] , werd aangevallen en dat de verdachte toen met de fles heeft uitgehaald richting het hoofd van [slachtoffer] . Geen van hen heeft verklaard dat [slachtoffer] de verdachte bij de keel greep.

De verklaring van de verdachte dat hij bij de keel werd gepakt en dat zijn keel werd dichtgeknepen, wat voor hem de reden was om met de fles te zwaaien, vindt dan ook geen steun in het dossier. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op noodweer feitelijke grondslag mist, zodat het moet worden verworpen. Daarmee komt de verdachte ook geen beroep toe op noodweerexces en wordt ook dit beroep verworpen. Er zijn ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de verdachte uitsluiten, zodat het bewezenverklaarde en de verdachte strafbaar zijn.

5 De strafoplegging

5.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte – met toepassing van het adolescentenstrafrecht – een jeugddetentie wordt opgelegd voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een taakstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen jeugddetentie..

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – met toepassing van het adolescentenstrafrecht – thans geen onvoorwaardelijke jeugddetentie meer opgelegd moet worden, althans dat die gelijkgesteld zou moet worden aan het voorarrest. Als de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie zou opleggen, is er geen aanleiding om daar bijzondere voorwaarden aan te verbinden. Ook moet geen taakstraf worden opgelegd. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte al genoeg gestraft is. Hij is zelf ook slachtoffer van het incident.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door [slachtoffer] met een glazen fles in de halsstreek te slaan. [slachtoffer] heeft daarbij forse snijwonden in de hals en de wang opgelopen. Uit de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting blijkt dat het handelen van de verdachte diepe indruk op hem heeft gemaakt waar hij nog steeds last van heeft. Nog elke dag wordt hij geconfronteerd met het forse litteken in zijn gezicht en hals, ervaart hij pijn en wordt hij door andere mensen aangestaard en aangesproken. Dit terwijl hij nog jong is en hij hier de rest van zijn leven mee zal moeten leren omgaan. Dit incident heeft dan ook zowel psychische als lichamelijke gevolgen voor [slachtoffer] gehad. Dit alles wordt de verdachte aangerekend.

Strafblad en persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de blanco Justitiële Documentatie d.d. 12 juli 2022 van de verdachte. Verder houdt de rechtbank in haar oordeel rekening met de proceshouding van de verdachte. De verdachte heeft spijt betuigt en komt daarin op de terechtzitting oprecht over. Dit blijkt ook uit het feit dat hij direct na het incident telkens vroeg naar hoe het met [slachtoffer] ging en daarna (tevergeefs) contact met [slachtoffer] heeft gezocht. Tot slot heeft het incident niet alleen op het slachtoffer, maar ook op de verdachte impact gehad.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een vroeghulprapport van 14 juni 2021, een reclasseringsadvies van 13 oktober 2021 en een voortgangsverslag van de reclassering 24 januari 2022. De reclassering heeft gerapporteerd dat de verdachte een stabiele thuissituatie heeft, geen financiële problemen heeft en steun krijgt van zijn ouders. Hij heeft een bijbaan en volgt een opleiding. Hij heeft zich tijdens zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis goed aan de hem opgelegde voorwaarden gehouden. Ook heeft hij een aantal gesprekken gevoerd met een psycholoog en deze zijn positief verlopen. De kans op recidive is klein. Geadviseerd wordt om het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Adolescentenstrafrecht

Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten toch het adolescentenstrafrecht toe te passen, indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

De verdachte was ten tijde van het incident meerderjarig. Door de reclassering is geadviseerd om het adolescentenstrafrecht toe te passen, omdat hij nog bij zijn ouders woont en er nog sprake is van een pedagogisch klimaat. Ook volgt de verdachte een opleiding en heeft hij geen justitieel verleden. Deze factoren tezamen vormen voor de reclassering indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, omdat de verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht bij een psycholoog en al voldoende is gestraft, aangezien hij vier dagen heeft vast gezeten. Daarnaast heeft hij angstige perioden gekend, omdat er ná het incident een dreigende situatie was ontstaan vanuit een groep jongeren rondom het slachtoffer.

Anders dan de reclassering, de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank in de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Het enkele feit dat de verdachte, die op Hbo-niveau functioneert, nog thuis woont en een opleiding volgt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te stellen dat er – in het kader van de onderhavige afweging – nog sprake is van een pedagogisch klimaat. Daarnaast zou toepassing van het adolescentenstrafrecht geen opvoedkundige meerwaarde hebben, omdat de reclassering verdere begeleiding niet nodig acht.

Oplegging van de straf De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Op een dergelijk ernstig feit kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden gereageerd met oplegging van een gevangenisstraf. Doorgaans wordt daarvoor ook een forse straf opgelegd. En hoewel de rechtbank geen aanleiding ziet voor toepassing van het adolescentenstrafrecht, houdt zij evenwel rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte, de houding van de verdachte en met de omstandigheden van het geval, waarbij meerdere jongeren bij het incident betrokken waren en met elkaar ruzie zochten.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank het daarom passend en geboden om aan de verdachte, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht en een taakstraf voor de duur van tweehonderdenveertig uren op te leggen. De rechtbank komt hiermee tot een enigszins hogere straf dan die door de officier van justitie is geëist. Dit is gelegen in de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Door die omstandigheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een lagere straf.

6 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.792,39, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.072,39 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft de raadsvrouw € 720,- aan proceskostenvergoeding opgevoerd.

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering, inclusief wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een eventueel toe te wijzen immateriële schadevergoeding te matigen en rekening te houden met de draagkracht van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezen verklaarde feit. De rechtbank stelt de totale materiële schade vast op € 1.072,39.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het primaire bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door en namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,00.

Omdat de proceskosten die door en namens de benadeelde partij worden gevorderd, geen rechtstreekse schade is, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij.

Conclusie

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 11.072,39 bestaande uit € 1.072,39 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 11 juni 2021, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het primaire bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [slachtoffer] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 11.072,39, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals ze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd;

stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdenveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 11.072,39 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 11.072,39 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2021 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij [slachtoffer] heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen;

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. de Kleine, voorzitter,

mr. V.J. de Haan, rechter,

mr. M. Garabitian, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2022.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het [nummer] , van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 128).