Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2022
Datum publicatie
25-08-2022
Zaaknummer
NL22.5856
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BNT, bestuurlijke dwangsom, inwilliging beschikking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht zaaknummer: NL22.5856

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 5 april 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag.

Verweerder heeft op 30 juni 2022 op de asielaanvraag van eiseres beslist.

Bij brief van 30 juni 2022 heeft eiseres aangegeven het beroep te handhaven.

De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De bestuursrechter moet ambtshalve, dat wil zeggen: los van wat partijen aanvoeren, de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen procesbelang meer bij het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat er inmiddels een besluit op de asielaanvraag van eiseres is genomen. Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. Een procesbelang kan nog wel zijn gelegen in het verzoek van eiseres om een dwangsom vast te stellen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of een dergelijke vaststelling mogelijk is. Eiseres stelt dat artikel 1 van de Tijdelijke wet1, voor zover daarbij de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb en artikel 8:55c van de Awb die in de Tijdelijke wet onverbindend zijn verklaard, in strijd is met het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel. Eiseres verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s- Hertogenbosch, van 22 april 2022.2

1. Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.

2 ECLI:NL:RBDHA:2022:3776.

3. Deze rechtbank en zittingsplaats volgt het oordeel in de door eiseres aangehaalde uitspraak niet. Voor zover die uitspraak is gebaseerd op het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel3 is deze rechtbank en zittingsplaats in navolging van zittingsplaats Arnhem4 van oordeel dat een dergelijk beroep niet kan slagen omdat de asielprocedure diverse wezenlijke verschillen kent ten opzichte van andere procedures. Voor zover die uitspraak is gebaseerd op het recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel5 is deze rechtbank en zittingsplaats in navolging van zittingsplaats Rotterdam6 van oordeel dat dit beroep niet kan slagen omdat met een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats is dan ook van oordeel dat de Tijdelijke wet niet (deels) onverbindend is, zodat niet kan worden overgegaan tot het vaststellen van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen. Dit levert dan ook niet alsnog procesbelang op, zodat het beroep ook in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.7 Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb8 heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het besluit van 30 juni 2022. De rechtbank is van oordeel dat eiseres ook geen procesbelang heeft bij de beoordeling of zij voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in aanmerking komt. Eiseres heeft immers een asielvergunning gekregen. Daarmee heeft zij het doel van de procedure bereikt. Een wijziging van de verleningsgrond brengt eiseres niet in een gunstigere positie. Dit beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Omdat de termijn om op de aanvraag te beslissen in dit geval al op 28 februari 2022 is verstreken, heeft eiseres aanleiding kunnen zien om beroep in te stellen. Verweerder is verder op juiste wijze in gebreke is gesteld. Eiseres heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht ingesteld. Zij krijgt daarom een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €379,50

(driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).

3 Zoals onder meer uiteengezet in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 december 1976 (Rewe), ECLI:EU:C:1976:188.

4 ECLI:NL:RBGEL:2022:1485.

5 Zoals onder meer neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

6 ECLI:NL:RBDHA:2021:402.

7 Vreemdelingenwet 2000

8 Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr.

S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR21870833

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.