Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8430

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
25-08-2022
Zaaknummer
C/09/628315 / FA RK 22-2530
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij, artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/628315 /FA RK 22-2530

Datum uitspraak: 3 augustus 2022

Beschikking van de enkelvoudige kamer

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij

in de zaak naar aanleiding van het op 15 april 2022 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,hierna te noemen: de Raad,

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats]

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum, gevestigd te ’s-Gravenhage

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

[pleegmoeder]

de grootmoeder moederszijde, tevens pleegmoeder en beoogd voogdes;

hierna te noemen: de grootmoeder,

wonende te [woonplaats 2] .

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    het namens de moeder ingediende verweerschrift;

  • -

    de nagestuurde producties van het verweerschrift.

Op 3 augustus 2022 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de [vertegenwoordiger van de raad 1] namens de Raad;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de advocaat van de moeder;

  • -

    de grootmoeder.

Opgeroepen en niet verschenen is de moeder.

Feiten

  • -

    De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk bij de grootmoeder.

  • -

    De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 17 maart 2022 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 19 maart 2022 tot 6 maart 2023, en voor dezelfde duur machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij: oma moederszijde..

Verzoek en verweer

De Raad verzoekt het gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de grootmoeder te benoemen tot voogdes over [minderjarige] . Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. [minderjarige] groeit sinds april 2019 op bij de grootmoeder. Op dit moment zijn er geen noemenswaardige zorgen in haar ontwikkeling en functioneren te zien. Wel zijn er zorgen over de ingrijpende gebeurtenissen die [minderjarige] heeft meegemaakt en tot op heden meemaakt. Zij is op jonge leeftijd geconfronteerd met huiselijk geweld en de persoonlijke problematiek van de moeder, die aan schizofrenie lijdt. De grootmoeder is voor [minderjarige] een steunend hechtingsfiguur en er is sprake van een steunend netwerk, zoals haar ooms. Daarnaast kan [minderjarige] op regelmatige basis contact hebben met de moeder. Maar de omgangsmomenten lopen niet altijd goed en [minderjarige] , wordt onbewust en onbedoeld, geconfronteerd met het ziektebeeld van de moeder. De moeder heeft een andere beleving van de werkelijkheid, waardoor zij dingen kan zeggen of benoemen die verwarrend zijn voor [minderjarige] en haar omgeving. Door de persoonlijke problematiek van de moeder vertrouwt zij nauwelijks mensen in haar omgeving en heeft zij moeite met het aangaan van hulpverleningstrajecten. Daardoor beklijven (opvoed)vaardigheden niet. De Raad is van mening dat het voor de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] te nemen die hoort bij een ouder met gezag en om [minderjarige] een stabiele basis te bieden. Emotioneel gezien kan de moeder zich hier nog niet bij neerleggen, waardoor er onvoldoende vertrouwen is dat de situatie in het vrijwillig kader goed te hanteren is. De aanvaardbare termijn is gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] overschreden en het perspectief ligt bij de grootmoeder. Zij heeft de rol als opvoeder op zich genomen en draagt hiermee ook de taak om belangrijke beslissingen te nemen over [minderjarige] . Het is van belang voor de gehechtheidsontwikkeling van [minderjarige] dat zij nu duidelijkheid krijgt en het gezag van de moeder beëindigd wordt. De Raad is wel bezorgd over de positie waarin de grootmoeder terecht zal komen want de moeder is ook haar dochter. De Raad is daarom van mening dat de ondertoezichtstelling de komende tijd door moet blijven lopen, zodat de jeugdbeschermer het gezin kan blijven ondersteunen.

De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. Hoewel de moeder zegt dat zij accepteert dat [minderjarige] bij de grootmoeder woont, heeft zij nog altijd de wens dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. Het is in het belang van zowel de moeder als [minderjarige] dat er duidelijkheid komt.

De grootmoeder heeft aangegeven dat het een erg lastige situatie is, omdat het om haar dochter gaat. De moeder is onberekenbaar in verband met haar psychoses en schizofrenie en is niet in staat om voor een klein kind te zorgen. De moeder vertrouwt niemand en zij wil [minderjarige] graag terug. Alles wat voor [minderjarige] geregeld moet worden gaat nu via de grootmoeder. De moeder blijft de moeder en dat zal zij altijd blijven.

Namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek Het feit dat de moeder belangrijke beslissingen aan de grootmoeder en de hulpverlening over laat en in de praktijk een rol als moeder op afstand vervult, levert in de ogen van de moeder een duurzame bereidheid bij haar op om [minderjarige] in het pleeggezin te laten opgroeien. Volgens vaste jurisprudentie maakt dit dat een gezagsbeëindiging in het belang van [minderjarige] niet noodzakelijk hoeft te zijn. De moeder meent dat voor [minderjarige] voldoende duidelijk is waar zij zal opgroeien en wie de beslissingen over haar zal nemen, terwijl het gezag van de moeder daarnaast kan blijven bestaan. Bovendien heeft [minderjarige] op dit moment nog weinig last van de dingen die om haar heen gebeuren, zoals blijkt uit het raadsrapport. Er zijn zorgen over uitlatingen van de moeder. Deze zijn zeer waarschijnlijk het gevolg van de persoon en de ziekte van de moeder. Het is dan maar zeer de vraag of een gezagsbeëindiging hier het verschil in gaat maken. Zolang er omgang is, zal dit vermoedelijk altijd een spanningsveld blijven. Voor de moeder voelt het beëindigen van het gezag als het doorsnijden van de moeder-kindband die er tussen [minderjarige] en de moeder bestaat en zij vindt dit verschrikkelijk. De moeder koestert de wens om voor [minderjarige] te kunnen zorgen, maar zij onderneemt hierin geen actie in de praktijk. Nu de Raad adviseert alsnog de ondertoezichtstelling voort te zetten en de situatie feitelijk ongewijzigd blijft, rijst de vraag welk doel dan wordt gediend met de gezagsbeëindiging. De moeder wil haar gezag behouden en verzoekt het verzoek van de Raad af te wijzen.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien (a.) een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of (b.) de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het de moeder niet lukt om binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. [minderjarige] woont sinds april 2019 bij de grootmoeder, omdat zij vanwege de complexe psychiatrische problematiek van de moeder niet meer bij de moeder kon wonen. Vanaf 6 maart 2020 is er sprake van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing die nadien steeds zijn verlengd.

Binnen de periode van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is gebleken dat de problematiek van de moeder dusdanig op de voorgrond staat dat zij niet in staat kan worden geacht om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen en haar veiligheid te waarborgen. Een thuisplaatsing was niet meer aan de orde.

[minderjarige] woont nu al enkele jaren en vanaf zeer jonge leeftijd, bij de grootmoeder, ontwikkelt zich daar goed en zij zal daar ook verder opgroeien. Haar toekomstperspectief ligt bij de grootmoeder en niet meer bij de moeder.

Hoewel de moeder stelt de huidige situatie te accepteren, ondersteunen haar uitspraken dat niet. Bovendien is het, gelet op de psychische gesteldheid en het ziektebeeld van de moeder, de vraag of de moeder feitelijk in de situatie zal blijven berusten. De rechtbank vindt het aannemelijk dat dat (onbewust) een gevoel van onzekerheid over het opgroeiperspectief bij [minderjarige] zal meebrengen. [minderjarige] heeft belang bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces.

Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn is verstreken en dat het belangrijk is dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over waar zij verder kan opgroeien en over wie de belangrijke beslissingen over haar mag nemen. De rechtbank is van oordeel dat de juridische status in overeenstemming dient te worden gebracht met de feitelijke situatie en vindt het in het belang van [minderjarige] dan ook noodzakelijk en proportioneel dat het gezag van de moeder wordt beëindigd.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het de voorkeur heeft om de voogdij te beleggen bij degene die feitelijk de dagelijkse zorg en opvoeding van de kinderen draagt, tenzij er contra-indicaties zijn. In dit geval zijn er geen zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de grootmoeder. Nu de grootmoeder een stabiele factor is gebleken in het leven van [minderjarige] , vindt de rechtbank het passend en in het belang van [minderjarige] dat zij met de pleegoudervoogdij wordt belast. De grootmoeder heeft zich zowel schriftelijk als ter zitting bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

Tot slot benadrukt de rechtbank dat met de beëindiging van het ouderlijk gezag de (familie)band tussen de moeder en [minderjarige] behouden blijft. De moeder zal altijd haar moeder blijven en een (belangrijke) rol in haar leven blijven spelen.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder:

- [de vrouw] geboren op [geboortedag 2] 1992 te [geboorteplaats]

over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats]

benoemt tot voogdes over voormelde minderjarige:

- [pleegmoeder], geboren op [geboortedag 4] 1969 te [geboorteplaats]

gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022 door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 augustus 2022.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.