Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8229

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2022
Datum publicatie
18-08-2022
Zaaknummer
09/331243-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstraf. Vrijspraak poging zware mishandeling. Veroordeeld voor medeplegen mishandeling, medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging. De verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. 30 dagen deels voorwaardelijke jeugddetentie, 50 uur werkstraf. Vorderng BP geheel toegewezen, hoofdelijk. DUT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09/331243-21

Datum uitspraak: 11 augustus 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter zitting

De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 28 juli 2022.

De officier van justitie in deze zaak is mr. P. de Mos en de advocaat van de verdachte is mr. E.M. van Egmond te Den Haag. De verdachte is op de zitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er – kort gezegd – op neer dat de verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

 een poging zware mishandeling van [slachtoffer] , al dan niet samen met anderen op 5 december 2021 in Gouda, dan wel mishandeling al dan niet met anderen (subsidiair), dan wel mishandeling (meer subsidiair);

 op 5 december 2021 in Gouda samen met anderen [slachtoffer] opzettelijk van haar vrijheid heeft beroofd.

 een bedreiging van [slachtoffer] op 5 december 2021 in Gouda.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het (primair) ten laste gelegde.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit.

3.3.

Vrijspraak

Feit 1 – primair - Poging zware mishandeling?

Voor een bewezenverklaring van de als feit 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier op zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij gekeken moet worden naar de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Daarbij zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder de naar ervaringsregels aanmerkelijke kans dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Ter zitting is door de officier van justitie en de raadsvrouw vrijspraak gevorderd voor zover de tenlastelegging van feit 1 primair ziet op het gebruik van het stroomstootwapen (het derde gedachtestreepje). De rechtbank zal de verdachte voor dit gedeelte van de tenlastelegging zonder nadere motivering vrijspreken.

Ten aanzien van de overige verweten geweldshandelingen overweegt de rechtbank als volgt. Op basis van het dossier, waaronder de door verdachte opgenomen filmpjes, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer meermalen is geslagen tegen haar hoofd en tegen haar ribben. Daarnaast is zij meerdere malen geschopt tegen haar rug en eenmaal tegen haar nek. Op basis van de foto’s van het letsel en de medische verklaring concludeert de rechtbank dat het geweld in ieder geval bloeduitstortingen heeft veroorzaakt (rond oog, voorhoofd en achter het oor), dat sprake was van een pijnlijke nek en een verdikte pols, waarbij voor dit laatste kwetsuur een genezingsduur van 2-6 weken wordt gegeven Naar het oordeel van de rechtbank kan uit een en ander niet zonder meer worden afgeleid (aard en plaats van verwondingen) dat er ook een aanmerkelijke kans op zwaar(der) lichamelijk letsel is geweest. En hoewel er sprake is geweest van langdurig en veelvuldig geweld en hoewel de filmpjes bijzonder naar en heftig overkomen, valt verder niet goed vast te stellen of de medeverdachten (meisjes in hun jonge tienerjaren) op een zodanig krachtige wijze geweld hebben gebruikt dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel mede op grond daarvan moet worden aangenomen. De rechtbank zal de verdachte dan vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde.

3.4

Bewijsoverwegingen

Feit 1 - subsidiair

Het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde kan zonder nadere motivering bewezen worden verklaard. De verdachte heeft dit feit bekend. Op zitting is door de verdediging partiële vrijspraak bepleit voor het in de mond duwen van de stok. Echter heeft de verdachte op de zitting nader toegelicht dat hij de stok vasthield terwijl deze (door een medeverdachte) in de mond van het slachtoffer werd geduwd. Dit laatste maakt dat – naar uiterlijke verschijningsvorm – sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking: de rechtbank acht dan ook op dit onderdeel het medeplegen van mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 – wederrechtelijke vrijheidsberoving

Vaststaat dat heel kort nadat het slachtoffer in de woning van [medeverdachte 1] binnenkwam, zij door de verdachte en zijn medeverdachten is mishandeld. Daarnaast is er tegen haar geschreeuwd, is er meermalen gesproken over het pijpen van verdachte, de medeverdachte en de hond en is er een stroomstootwapen door meerdere personen aan en uit gezet. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij de woning niet durfde te verlaten omdat zij bang was dat zij dan opnieuw geslagen zou worden. De [getuige] heeft in zijn verklaring benoemd dat het voor het slachtoffer moeizaam was om de woning te verlaten omdat twee van de medeverdachten achter haar aangingen.

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het slachtoffer in de woning van [medeverdachte 1] van haar vrijheid beroofd werd gehouden.

Vervolgens zal de rechtbank moeten beoordelen of er sprake is van het medeplegen van de vrijheidsberoving. Immers, de verdachte ontkent hierin een rol te hebben gespeeld.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. De verdachte was ervan op de hoogte dat het slachtoffer van [medeverdachte 1] de woning niet mocht verlaten. Hij wist dat die [medeverdachte 1] de deur van de woning op slot had gedaan. Daarnaast was de sfeer in de woning grimmig, een situatie waaraan de verdachte zelf heeft bijgedragen. Het slachtoffer was immers zowel door de verdachte als door de medeverdachten gedurende een langere tijd veelvuldig en op verschillende manieren mishandeld. Daarbij heeft de verdachte zich ook verbaal zeer dreigend uitgelaten door veelvuldig en luidruchtig te schreeuwen. Ook staat vast dat de verdachte zich intimiderend heeft opgesteld tegenover het slachtoffer door een stroomstootwapen meerdere malen aan te zetten in haar directe nabijheid.

Door zijn gedragingen tijdens de mishandelingen, het op de hoogte zijn van de gesloten voordeur, het in stand laten van de situatie na de mishandelingen waarbij het slachtoffer de woning niet kon verlaten brengt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Dat de verdachte niet de intentie heeft gehad het slachtoffer van haar vrijheid te beroven doet niet af aan het oordeel dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan het van haar vrijheid beroofd houden van het slachtoffer. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen.

Feit 3 - Bedreiging

Om tot een bewezenverklaring te komen van de tenlastegelegde bedreiging moet er sprake zijn van een bedreiging met een misdrijf gericht tegen het leven, met zware mishandeling of met verkrachting. De rechtbank is van oordeel dat het houden en aanzetten van het stroomstootwapen in nabijheid van het slachtoffer onvoldoende is om te kunnen spreken van een bedreiging. Het gebruik van het stroomstootwapen zal op het slachtoffer intimiderend over zijn gekomen, zoals de verdachte zelf ook inziet. Echter, het is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er ook een redelijke vrees is ontstaan bij het slachtoffer dat het stroomstootwapen zwaar lichamelijk letsel – laat staan de dood – bij haar zou veroorzaken. Dat het slachtoffer op dat moment al was mishandeld maakt het oordeel niet anders. Van die verweten gedraging zal de rechtbank de verdachte vrijspreken.

Voor wat betreft de verbale uitlatingen over het pijpen ziet de rechtbank voldoende steun voor de verklaring van het slachtoffer in het dossier. Zo spreekt [getuige] erover dat hij ook daadwerkelijk dacht dat ze het slachtoffer op seksueel gebied iets aan zouden doen. Daarnaast ziet de rechtbank ook in de mishandeling, waarbij er mede door de verdachte een stok in de mond van het slachtoffer is geduwd, ondersteunend bewijs. In samenhang bezien concludeert de rechtbank dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat zij de verdachte daadwerkelijk moest pijpen, hetgeen een bedreiging met verkrachting oplevert. De rechtbank zal de verdachte, bij gebrek aan ondersteunend bewijs, gedeeltelijk vrijspreken voor zover het verwijt ziet op het naar het kruis duwen.

3.5

Gebruikte bewijsmiddelen

De gebruikte bewijsmiddelen zijn opgenomen als bijlage II van dit vonnis.

4 De bewezenverklaring

Op grond van de bewijsmiddelen en op grond van de conclusies hierboven, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaard wordt dat:

1

hij op 5 december 2021 te Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen

- met de gebalde vuist tegen het hoofd en het gezicht en de ribben van [slachtoffer] te slaan en

- met de geschoeide voet, met kracht, tegen de (boven)rug en de nek van [slachtoffer] te trappen en

- met kracht aan de haren van [slachtoffer] te trekken en

- een stok in de mond van [slachtoffer] te duwen;

2

hij op 5 december 2021 te Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, door

- met een getalsmatig overwicht van meerdere personen die [slachtoffer] meerdere uren fysiek vast te houden en te mishandelen in die woning en

- op dreigende toon tegen [slachtoffer] te zeggen dat zij de woning niet mocht verlaten;

3

hij op 5 december 2021 te Gouda, althans in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door

- meermalen dreigend tegen [slachtoffer] te zeggen dat zij hem, verdachte, moest pijpen.

Het meer of anders tenlastegelegde is niet bewezen. De verdachte zal (ook) daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft taal- en/of schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet benadeeld.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6 De straf en/of maatregel

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een jeugddetentie van 30 dagen geëist, met aftrek, en waarvan 16 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voor de bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie verwezen naar het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad). Zij heeft tevens verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden. Daarnaast heeft zij een werkstraf geëist voor de duur van 50 uur.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank bij een bewezenverklaring de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Bij een eventuele strafoplegging verzoekt de raadsvrouw om aan te sluiten bij het Pro Justitia rapport.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Samen met anderen heeft de verdachte een kwetsbaar slachtoffer gedurende langere tijd mishandeld, aan haar haren naar de wc gesleept en haar vastgehouden in de woning van [medeverdachte 1] . Ook zijn er meerdere seksueel dreigende opmerkingen geplaatst. De mishandelingen zijn daarnaast ook nog gefilmd. Voor het slachtoffer moet dit een beangstigende en vernederende ervaring zijn geweest. Uit de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting blijkt dat de feiten niet alleen fysiek letsel bij haar hebben veroorzaakt, maar dat het ook mentaal een grote impact op haar heeft gehad. Zo heeft zij in bepaalde situaties nog steeds angstgevoelens. Door de mishandeling en de vrijheidsberoving is door de verdachte grote inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van de aangeefster.

De rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte, kennelijk deels onder invloed van anderen en onder invloed van alcohol, tot zulke heftige en gewelddadige en misselijkmakende feiten kan komen.

Strafblad

De rechtbank stelt aan de hand van de Justitiële Documentatie van 29 juni 2022 vast dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia-rapportage en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Pro Justitia-rapportage van 21 februari 2022 door psycholoog R.B. Adriaensen

De psycholoog concludeert dat de verdachte functioneert op moeilijk lerend dan wel zwakbegaafd niveau. Daarnaast is er bij hem sprake van een psychische stoornis in de zin van een milde andere gespecificeerde (disruptieve, impulsbeheersings- of andere) gedragsstoornis, die momenteel deels in remissie is en die tot voor kort gepaard ging met problematisch alcohol- en softdrugsgebruik. Verder blijft hij achter in zijn algehele (sociaal-emotionele, cognitieve en morele) ontwikkeling. Dit alles vormt een belemmering en bedreiging voor zijn verdere persoonlijkheidsontwikkeling en hindert hem in zijn gedragskeuzemogelijkheden op het gebied van zijn dagelijkse functioneren. Daarnaast zijn er ook grote zorgen over het problematische alcohol- en drugsgebruik. Bij een bewezenverklaring kunnen de feiten maar in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. De psycholoog schat het risico op nieuw (niet-) gewelddadig antisociaal gedrag in als middelmatig.

Om herhaling te voorkomen is het volgens de psycholoog belangrijk dat de verdachte niet meer met criminele mensen omgaat, dat hij dagbesteding heeft en geen drugs en alcohol meer gebruikt. Een ambulante poliklinische forensische behandeling bij de Waag en toezicht en begeleiding vanuit de Jeugdreclassering zijn volgens de psycholoog aangewezen. Binnen dit kader kan er dan gewerkt worden aan het verminderen van de risicofactoren en het bevorderen van gedragsremmingen, impulscontrole, gewetensfuncties, normbesef, assertiviteit en interpersoonlijke probleemoplossende, conflicthanterings- en coping vaardigheden. De psycholoog adviseert om de behandeling en het toezicht vanuit de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarden op te nemen bij een voorwaardelijke jeugddetentie.

Advies Raad voor de Kinderbescherming van 19 juli 2022

De Raad sluit zich aan bij de conclusies en het advies uit de Pro Justitia-rapportage. Zij vullen nog aan dat ze zien dat de verdachte veel sturing en ritme in zijn leven nodig heeft. Tijdens de schorsing heeft hij zich wel goed begeleidbaar opgesteld. De Raad ziet een kwetsbare jongen die het nodig heeft dat hulpverleners met hem meekijken en hem sturen in wat er van hem verwacht wordt. Zij adviseren een deels voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden:
- contactverbod [medeverdachte 1] ;
- verbod drugs- en alcoholgebruik en een verplichting om mee te werken aan bloed- of urineonderzoek;
- het volgen van een behandeling bij de Waag
- de komende 12 maanden een dagbesteding te hebben die door de jeugdreclassering is goedgekeurd;

- begeleiding door Jeugdbescherming West.

De heer Bijkerk heeft, namens de Raad, op de zitting als deskundige nog opgemerkt dat het belangrijk is dat de verdachte echt de tijd neemt voor zijn behandeling. Aanvullend op het rapport is een contactverbod met het slachtoffer belangrijk, naast het contactverbod met de [medeverdachte 1] . Ook wordt geadviseerd om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren zodat de behandeling ook na de uitspraak door blijft lopen, ook bij een eventueel hoger beroep.

Mevrouw Buijs heeft, namens de jeugdreclassering, op de zitting als deskundige bevestigd dat het toezicht goed verloopt. De verdachte werkt goed mee aan de schorsingsvoorwaarden en hij heeft goed contact met zijn jeugdreclasseerder. De begeleiding is ook echt nodig omdat hij sommige beslissingen niet alleen kan nemen. De behandeling loopt goed en is ook echt noodzakelijk om te kijken naar de beïnvloedbaarheid van de verdachte. Daarnaast kan er in de behandeling ook aandacht worden besteed aan een deel seksuele voorlichting.

Toerekeningsvatbaar

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid over en acht de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Daarnaast is de ernst van de feiten redengevend voor de hoogte van de straf. Ook heeft de rechtbank meegewogen (in vergelijk met de medeverdachten) dat de verdachte enkele jaren ouder was, het feit dat hij medeverdachten heeft gestimuleerd in plaats van heeft afgeremd en meer in het algemeen zijn eigen aandeel in de feiten, waarbij de rechtbank de incidenten met de stok en de wc de verdachte in het bijzonder aanrekent. De rechtbank ziet in de rapporten van de deskundige, de Raad en hetgeen op zitting door de deskundigen naar voren is gebracht aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Aan dat voorwaardelijke strafdeel zullen dan de algemene en bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals (aanvullend) geadviseerd door de Raad. Daarnaast zal er aan de verdachte nog een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd. Alles afwegende komt de rechtbank tot een jeugddetentie van 30 dagen waarvan 16 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daaraan zullen de voorwaarden worden verbonden zoals opgenomen in het dictum van dit vonnis. Daarbij wordt aan de verdachte een werkstraf ter hoogte van 50 uur opgelegd.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten [slachtoffer] . Gelet op de ernst van het feit en het rapport omtrent zijn persoon, waaruit naar voren komt dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een gedragsstoornis en een achterblijvende ontwikkeling waarvoor hulpverlening en begeleiding nodig is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van €1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat het bedrag van de vordering gericht is op het letsel, de pijn en de angst die het slachtoffer heeft ondervonden, en niet afhankelijk is van of het onder feit 1 primair dan wel subsidiair tenlastegelegde is bewezenverklaard.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij is geheel voor toewijzing vatbaar. Gezien het letsel en de gevolgen voor de aangeefster is het gevorderde bedrag redelijk en passend. Bij de vordering dient de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente te worden opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Nu de verdediging voor feit 1 primair en de feiten 2 en 3 vrijspraak heeft bepleit, dient het gevorderde bedrag bij toewijzing gematigd te worden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en kan worden toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van €1.000,00, inclusief de gevorderde wettelijke rente met ingang van 5 december 2021.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 december 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

De rechtbank stelt dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 0 dagen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 282, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3 is omschreven en kwalificeert dit als

mishandeling;

opzettelijk iemand van de vrijheid beroofd houden;

bedreiging;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

straf

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 30 (DERTIG) dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie wordt afgetrokken;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 16 (ZESTIEN) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden dat de verdachte

- zich gedurende een door de Stichting Jeugdbescherming West te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling van De Waag of een soortgelijke instelling stelt, zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen of alcohol en ten behoeve van de naleving meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- gedurende de eerste 12 maanden van de proeftijd een door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:

 [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 1995;

 [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 3] 2001;

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt de verdachte voorts tot

een werkstraf voor de tijd van 50 (VIJFTIG) uur

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 25 (VIJFENTWINTIG) dagen;

schadevergoeding

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] , een bedrag van €1.000,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 december 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

legt aan de verdachte, hoofdelijk, op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot €1.000,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 december 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 0 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde;

dadelijke uitvoerbaarheid

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,

mr. E.J. Stalenberg, kinderrechter,

en mr. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 11 augustus 2022.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 5 december 2021 te Gouda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [slachtoffer] een of meermalen

- ( met de gebalde vuist) tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de ribben, althans tegen het lichaam heeft geslagen, en/of

- met de geschoeide voet, met kracht, tegen de (boven)rug en/of de nek, althans tegen het lichaam van [slachtoffer] heeft getrapt, en/of

- een stroomstootwapen tegen/op haar been heeft geplaatst en/of een stroomstoot heeft toegediend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 december 2021 te Gouda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door een of meermalen

- ( met de gebalde vuist) tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de ribben, althans het lichaam, van [slachtoffer] te slaan, en/of

- met de geschoeide voet, met kracht, tegen de (boven)rug en/of de nek, althans tegen het lichaam van [slachtoffer] te trappen, en/of

- met kracht aan de haren van [slachtoffer] te trekken, en/of

- een stroomstootwapen tegen/op het been van [slachtoffer] te plaatsen en/of haar een stroomstoot toe te dienen, en/of

- een stok in de mond en/of de keel van [slachtoffer] te duwen, terwijl het hoofd van [slachtoffer] werd vastgehouden en/of haar mond werd opengehouden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 december 2021 te Gouda [slachtoffer] heeft mishandeld door een of meermalen

- een stok in de mond en/of de keel van [slachtoffer] te duwen, en/of

- met kracht aan de haren van [slachtoffer] te trekken en/of haar aan de haren mee te trekken;

2

hij op of omstreeks 5 december 2021 te Gouda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- [slachtoffer] te lokken naar de woning aan de [adres 2] , althans tegen haar te zeggen dat zij naar die woning moest komen, en/of

- ( vervolgens) met een getalsmatig overwicht van meerdere personen die [slachtoffer] meerdere uren, althans een geruime tijd, fysiek vast te houden en/of te mishandelen in die woning, en/of

- ( meermalen) op dreigende toon tegen [slachtoffer] te zeggen dat zij de woning niet mocht verlaten, en/of

- te bepalen op welk moment [slachtoffer] uiteindelijk de woning mocht verlaten en/of daarbij [slachtoffer] fysiek naar de uitgang van de woning te begeleiden;

3

hij op of omstreeks 5 december 2021 te Gouda, althans in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door

- een stroomstootwapen in de directe nabijheid en/of in de richting van [slachtoffer] te houden en/of dit stroomstootwapen aan te zetten, en/of

- ( meermalen) dreigend tegen [slachtoffer] te zeggen dat zij hem, verdachte, moest pijpen en/of daarbij haar hoofd richting zijn, verdachtes, kruis te duwen.

Bijlage II

Bewijsmiddelen

Feit 2

1.

Het proces-verbaal van politie [nummer] (pagina 22-26 van het dossier), inhoudende de verklaring van aangeefster:

Zondag 5 december 2021 was ik rond 17.15 uur bij [medeverdachte 1] thuis aan de [adres 2] in Gouda. Ik werd geslagen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Daarna hielden de meiden mijn mond open en stak [verdachte] de achterkant van de bezemsteel

in mijn mond. Hij drukte tegen mijn gehemelte aan. Daarna ben ik nog een tijdje gebleven omdat ik niet naar huis mocht.

2.

Het proces-verbaal van politie [nummer] (pagina 275-279 van het dossier), inhoudende de verklaring van aangeefster:

V: Je had verklaard dat je op 5 december 2021, nog een tijdje was gebleven omdat je niet naar huis mocht. Waarom mocht je niet naar huis?

A: Dat weet ik niet. Dat heeft hij niet gezegd.

V: Hoe maakten ze duidelijk dat jij niet weg mocht gaan?

A: Als ik aangaf dat ik naar huis wilde gaan, zeiden ze "Nee je blijft hier, je gaat nog niet weg".

V: Wie zei dit?

A: [medeverdachte 1] . Van [naam] mocht ik ook niet weg, maar wat zij zei weet ik ook niet meer.

V: Hielden ze je alleen verbaal tegen?

A: Nee want toen [verdachte] mij wilde taseren, toen pakte ik mijn helm en liep ik naar de voordeur. Toen kwam [medeverdachte 1] achter mij aangerend en pakte hij mij bij mijn jas en zei hij "Nee je gaat nog niet weg, dit is een kanker grap, je gaat op de bank zitten". Vervolgens duwde hij mij terug op de bank.

3.

Het proces-verbaal van politie [nummer] pagina 280-283 van het dossier), inhoudende de verklaring van [getuige] .

Ik kan mij ervan herinneren dat het moeizaam ging voordat [slachtoffer] weg was. Ik weet niet of ze werd tegengehouden, ik had daar geen zicht op. Het ging moeizaam omdat die twee meisjes achter haar aan gingen.

4.

De verklaring van de verdachte op de zitting van 28 juli 2022, inhoudende:

U vraagt mij of ik zelf op enig moment heb gezegd dat het slachtoffer niet weg mocht. [medeverdachte 1] had de voordeur op slot gedraaid zodat zij niet weg kon. Hij zei ook dat ze niet weg mocht.

Feit 3

1.

Het proces-verbaal van politie [nummer] (pagina 22-26 van het dossier), inhoudende de verklaring van aangeefster;

Zondag 5 december 2021 was ik rond 17.15 uur bij [medeverdachte 1] thuis aan de [adres 2] in Gouda. [verdachte] pakte mij bij haren en trok mijn naar de badkamer/wc op de begaande grond. Ik voelde hevige pijn op mijn hoofd. Hij zei pijp me dan en drukte mijn hoofd naar beneden maar dit lukte niet. hij had zijn broek nog aan. Hij heeft daarna mijn hoofd geprobeerd in de wc-pot te duwen maar doordat ik mijn arm op de wc had kreeg hij mijn hoofd niet naar beneden.

2.

Het proces-verbaal van politie [nummer] (pagina 45-52 van het dossier), inhoudende de verklaring van aangeefster;

[verdachte] zei tegen mij: "lekker pijpen, lekker pijpen, lekker he" Volgens mij zei hij ook kankerhoer maar dat weet ik niet meer zeker. Ik heb tegen hem gezegd, een aantal keer, ik bleef het herhalen 4 a 5 keer: "nee, ik wil het niet" Wij waren samen in de badkamer. [verdachte] bleef zeggen: "lekker pijpen".

3.

Het proces-verbaal van politie [nummer] pagina 280-283 van het dossier), inhoudende de verklaring van [getuige] .

U vraagt mij of ik wat kan verklaren over dat er gezegd zou zijn dat [slachtoffer] de hond of [verdachte] moest pijpen. Ja, ze zaten de hele tijd van die achterlijke seksistische grappen te maken inderdaad. Dit werd een beetje tegen elkaar gezegd. Ook vanuit [medeverdachte 1] werd er een 'grap' naar mij geslingerd of ik wilde dat ze mij ging pijpen. Ik vond dit echt belachelijk en zei ook direct dat die normaal moest doen. Ik weet niet of hij bedoel dat de [slachtoffer] mij moest pijpen of niet. Maar het ging de hele tijd over haar dus het zou best kunnen. U vraagt mij wat ik dacht toen [slachtoffer] naar de badkamer werd getrokken. Ik hoopte in ieder geval dat er niks, ja gelukkig was het alleen dat, het is nog steeds erg. Ik dacht dat ze haar wat zouden aandoen, maar dan echt erg op seksueel gebied.

Opgave van bewijsmiddelen

Feit 1

  1. De verklaring van de verdachte op de zitting van 28 juli 2022;

  2. Het proces-verbaal van politie [nummer] (pagina 45-52 van het dossier), inhoudende het verhoor van aangeefster;

  3. Het proces-verbaal van politie [nummer] (pagina 290-292 van het dossier), inhoudende het relaas van de [verbalisant] ;

  4. Het proces-verbaal van politie [nummer] (pagina 210-220 van het dossier), inhoudende het verhoor van [medeverdachte 2] .

  5. Een geschrift, bevattende medische informatie betreffende [slachtoffer] van 7 december 2021, opgemaakt door de arts B. Blackstone (pagina 53-54 van het dossier).

Alle hierboven genoemde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en de voor het bewijs gebezigde inhoud daarvan is telkens zakelijk weergegeven.