Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8114

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2022
Datum publicatie
26-08-2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2186
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste berekening. Geen sprake van dringende redenen om af te zien van naheffing of om die te matigen. Het beroep is ongegrond. De rechtbank verklaart zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/2186


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland, eiser,

en

het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Inleiding

Eiser woont sinds 2015 in Duitsland. Hij ontvangt pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP en van diverse particuliere verzekeraars. Daarnaast ontvangt eiser een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet. Eiser is als verdragsgerechtigde in de zin van artikel 24 van de Verordening (EG) 883/2004 (Vo 883/2004) aangemerkt en heeft recht op medische zorg in Duitsland ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is eiser op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw), gelezen in samenhang met artikel 30 van Vo 883/2004, een buitenlandbijdrage verschuldigd.

In het besluit van 9 augustus 2019 heeft verweerder de voorlopige buitenlandbijdrage voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2018 op grond van de Zvw berekend op

€ 6.004,49 en vastgesteld dat eiser voor het jaar 2018 nog € 1.751,38 aan buitenlandbijdrage moet betalen.

In het besluit op bezwaar van 17 december 2019 heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 8 mei 2020 een herziene definitieve jaarafrekening vastgesteld, waarbij de gecorrigeerde woonlandfactor is gehanteerd.

Op 19 januari 2021 heeft deze rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard (SGR 20/830), het besluit van 17 december 2019 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen omdat verweerder de voorlopige jaarafrekening heeft gebaseerd op een onjuiste woonlandfactor.

In het besluit van 9 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder de door eiser verschuldigde buitenlandbijdrage over het zorgjaar 2018 op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) definitief vastgesteld. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit van 9 augustus 2019 herroepen en het besluit van 17 december 2019 herzien. Verweerder heeft de woonlandfactor in het bestreden besluit verlaagd van 0,9559 naar 0,8595.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft aanvullende stukken ingebracht.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

De beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de incorrecte behandeling van verweerder en de gemaakte fouten van verweerder veel spanning bij hem opleveren. Eiser heeft een aanmaning van het CAK ontvangen, terwijl de afspraak was dat het CAK tot de uiteindelijke uitspraak van de rechtbank geen aanmaningen zou sturen. Ook heeft verweerder pas na zes jaar aan eiser meegedeeld dat hij gedurende die tijd de buitenlandbijdrage verschuldigd is. Eiser vindt dit onacceptabel en heeft nooit uitleg gekregen over het feit dat de nabetalingen zo fors wisselen bij een constant gebleven jaarinkomen. Eiser wil dat verweerder zijn berekeningen door een registeraccountant laat controleren, waarna eiser de verschuldigde bedragen zal voldoen. De datum van het bestreden besluit klopt niet, nu eiser dit besluit pas op 18 februari 2021 heeft ontvangen. Eiser verzoekt de rechtbank het door verweerder ingeschakelde incassobureau tot een schadevergoeding te veroordelen.

2. De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op het jaar 2018. De door eiser genoemde buitenlandbijdragen over eerdere en latere jaren vallen daarmee buiten de reikwijdte van dit geschil, zodat de rechtbank zich daarover niet kan uitspreken.

3.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de definitieve jaarafrekening van 8 mei 2020 de juiste woonlandfactor van 0,8595 heeft toegepast. Eiser heeft in beroep weliswaar gesteld dat de door verweerder gemaakte berekeningen niet juist zijn, maar hij heeft die stelling op geen enkele wijze onderbouwd. De omstandigheid dat de jaarafrekening over 2018 heeft geleid tot een naheffing is, zo begrijpt de rechtbank het betoog van eiser, voor hem verwarrend geweest, maar maakt deze naheffing niet onjuist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor de noodzaak van een controle door een registeraccountant en wijst eisers verzoek daartoe af. De rechtbank wijst er daarbij nog op dat verweerder heeft gesteld dat zijn jaarafrekeningen elk jaar door een externe accountant worden gecontroleerd en dat verweerders toezichthouder, de Nederlandse Zorgautoriteit, ook controle op verweerders werk uitvoert.

3.2

Daarbij komt dat verweerder in het bestreden besluit de voorlopige jaarafrekening heeft herzien, zodat verweerder ook invulling heeft gegeven aan de door de rechtbank in haar uitspraak van 19 januari 2021 aan hem gegeven opdracht en hij het gebrek in dat vorige besluit daarmee heeft hersteld.

3.3

Tenslotte overweegt de rechtbank hierover dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 8 mei 2020, waarmee de herziene definitieve jaarafrekening is vastgesteld. De definitieve jaarafrekening is daarmee in rechte komen vast te staan.

4.1

De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen om af te zien van naheffing of om die te matigen. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij de buitenlandbijdrage niet kan betalen, gelet op zijn inkomenspositie, wijst de rechtbank erop dat verweerder eiser heeft geïnformeerd over de mogelijkheid een betalingsregeling te treffen, maar dat eiser daar geen gebruik van heeft gemaakt. Ook het verband dat eiser noemt tussen de spanning door de communicatie met verweerder en zijn gezondheidssituatie, hoewel invoelbaar, is geen aanleiding om dringende redenen aan te nemen.

4.2

Daargelaten het antwoord op de vraag of dat voor deze procedure gevolgen zou hebben, is de rechtbank uit het dossier niet gebleken dat verweerder in de nu voorliggende beroepszaak een toezegging heeft gedaan om de invordering op te schorten totdat uitspraak is gedaan. De rechtbank leidt uit het dossier af dat een dergelijke toezegging enkel is gedaan in het kader van de vorige procedure (SGR 20/830). Verweerder heeft op dat punt in het verweerschrift nog toegelicht dat eiser tijdens de vorige procedure geen aanmaning heeft ontvangen en dat de aanmaning voor het jaar 2018 pas is verstuurd na de uitspraak van de rechtbank van 19 januari 2021. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten aangetroffen om verweerder hierin niet te volgen.

5. Met betrekking tot eisers verzoek om het door verweerder ingeschakelde incassobureau te veroordelen tot het vergoeden van schade wordt het volgende overwogen. Nu niet blijkt dat het om vergoeding van schade gaat als gevolg van een besluit en het verzoek om schadevergoeding evenmin ziet op schade ontstaan als gevolg van een van de andere onder artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde oorzaken, is de bestuursrechter niet bevoegd om het schadeverzoek te beoordelen. De rechtbank zal zich daarom wat betreft het verzoek om schadevergoeding onbevoegd verklaren.

6. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd leidt evenmin tot een geslaagd beroep. Voor zover eiser stelt dat het bestreden besluit onjuist gedateerd is, stelt de rechtbank vast dat eiser tijdig beroep heeft kunnen instellen tegen dit besluit. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat eiser hierdoor is benadeeld.

Conclusie

7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    verklaart zich ten aanzien van de vordering tot vergoeding van schade onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.