Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2022
Datum publicatie
15-08-2022
Zaaknummer
NL22.13628
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende asielaanvraag waaraan net zoals in de vorige asielprocedure de homoseksuele geaardheid, de daaruit voortvloeiende problemen en problemen met de neven ten grondslag zijn gelegd. Verweerder heeft de stukken ter onderbouwing van de opvolgende asielaanvraag niet ten onrechte niet aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in het arrest LH. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.13628


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J.L. Leijtens).


Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser is burger van Trinidad en Tobago en is geboren op [geboortedatum eiser].

1.2.

Eiser heeft op 17 mei 2019 zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Hieraan heeft hij zijn homoseksuele geaardheid, de daaruit voortvloeiende problemen en de problemen met de neven van zijn tante (hierna: de neven) ten grondslag gelegd. Verweerder heeft eisers asielaanvraag bij besluit van 1 maart 2020 afgewezen als ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 3 september 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg het beroep ongegrond verklaard. Daarin is vastgesteld dat eiser de ongeloofwaardig bevonden verklaringen over de problemen met de neven niet gemotiveerd heeft bestreden. Verder is onder meer overwogen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden problemen vanwege zijn homoseksuele geaardheid een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor hem als homoseksueel onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Trinidad en Tobago te functioneren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 27 oktober 2020 bevestigd.

1.3.

Eiser heeft op 28 mei 2021 opnieuw een asielaanvraag ingediend in Nederland. Deze aanvraag ligt ten grondslag aan het bestreden besluit. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag wederom zijn homoseksuele geaardheid, de daaruit voortvloeiende problemen en de problemen met de neven ten grondslag gelegd. Ter onderbouwing van de asielaanvraag heeft eiser een video, screenshots van Facebook en een brief van zijn partner overgelegd.

2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft bij de beoordeling van eisers eerste asielaanvraag geen rekening gehouden met de UNHCR-richtlijnen, zoals omschreven in de brief 'Repeated asylum application' van 19 januari 2021. Deze richtlijnen dateren van na het eerste besluit, dus dient in deze procedure te worden aangemerkt als nieuwe relevante elementen of bevindingen. Daarnaast voert eiser aan dat de situatie voor LHBTI in Trinidad en Tobago erg slecht is. Discriminatie van LHBTI wordt niet strafbaar gesteld, waardoor het voor eiser ook niet mogelijk of zinvol is om zich voor bescherming te wenden tot de politie of de (hogere) autoriteiten. Eiser wijst ter onderbouwing van het voorgaande op de volgende stukken, die door verweerder ten onrechte niet zijn aangemerkt als nieuwe relevante feiten en omstandigheden:

- rapport van USDOS van 11 maart 2020;

- jaarrapport van Freedom House van 4 maart 2020;

- jaarrapport van Amnesty International van 27 februari 2020;

- rapport 2020 van Bertelsmann Stichting;

- jaarrapport van ILGA van december 2019;

- artikel van Trinidad & Tobago Guardian van 22 juni 2020;

- artikel van Loop van 19 april 2018.

Verder voert eiser aan dat verweerder de video en de screenshots ten onrechte niet aanmerkt als nieuwe elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In de video wordt eisers naam en adres genoemd. Daaruit dient te worden dat de bedreiging rechtstreeks aan eiser is gericht. Ondanks dat niet vaststaat dat de stem op de video van de één van de neven is, staat wel vast dat eiser wordt bedreigd. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij onlangs het verontrustende bericht van zijn moeder heeft ontvangen dat zijn broertje is aangevallen door een aantal mannen. De mannen wilden informatie over eiser.

4. In het arrest in de zaak L.H. tegen Nederland, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478, AB

2021/286, JV 2021/136 (arrest LH) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof)

bepaald dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen bestaat uit twee stappen. De

eerste stap is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit

twee fasen. De eerste fase is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn in

verband met de behandeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor internationale

bescherming. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de

eerdere asielaanvraag, komt verweerder toe aan de tweede fase. De tweede fase is het

onderzoek of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de

vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Aan beide

ontvankelijkheidsvereisten zoals genoemd in de eerste en tweede fase moet zijn voldaan,

maar het Hof benadrukt dat het gaat om afzonderlijke vereisten. Als aan de vereisten is

voldaan, moet verweerder overgaan tot de tweede stap. Die houdt in dat de opvolgende

asielaanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld (zie ook de Afdelingsuitspraak van 26 januari

2022, ECLI:NL:RVS:2022:208).

5. Niet in geschil is dat verweerder toepassing heeft gegeven aan het toetsingskader zoals volgt uit het arrest LH. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de UNHCR-richtlijnen, video en screenshots niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

6. Ten aanzien van de UNHCR-richtlijnen volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat die richtlijnen met toepassing van Werkinstructie 2014/10 betreffende de inhoudelijke beoordeling zijn verwerkt in het besluit van de vorige procedure en in deze procedure en dat die richtlijnen niet kunnen worden . Eiser heeft niet onderbouwd op welke punten verweerder de UNHCR-richtlijnen niet heeft gevolgd dan wel sprake is van nalatigheid en de beoordeling van zijn asielaanvraag anders had moeten luiden. De enkele stelling dat bij de beoordeling van de asielaanvraag geen rekening is gehouden met de UNHCR-richtlijnen, is daarom onvoldoende.

7. Ten aanzien van de positie van LHBTI in Trinidad en Tobago volgt de rechtbank verweerder eveneens in zijn standpunt dat de stukken niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe relevante elementen of bevindingen. Dat de situatie voor LHBTI niet even goed is als in Nederland en dat de situatie voor LHBTI in Trinidad en Tobago verbetering behoeft heeft verweerder (ook in de vorige procedure) erkend en is niet in geschil. De vraag in deze procedure is niet of de situatie slecht is, maar of ten opzichte van de vorige procedure sprake is van een achteruitgang en of die achteruitgang de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt. Een deel van de overgelegde stukken is afkomstig uit een periode voorafgaand aan de afronding van de vorige procedure. Ten aanzien van deze stukken en de stukken die dateren van na de vorige procedure heeft eiser verder ook niet geconcretiseerd in hoeverre de informatie die daarin staat duidt op een significante verslechtering van LHBTI in Trinidad en Tobago. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat met de overgelegde stukken eisers kans op internationale bescherming niet aanzienlijk groter is gemaakt. Om die reden heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser tegen problemen vanwege zijn homoseksuele geaardheid bescherming van de (hogere) autoriteiten van Trinidad en Tobago kan inroepen en dat niet is gebleken dat deze (hogere) autoriteiten niet in staat of bereid zijn eiser bescherming te bieden.

8. Ten aanzien van de video en de screenshots waaruit zou blijken dat eiser wordt bedreigd is de rechtbank van oordeel dat deze informatie weliswaar nieuw is, maar dat deze informatie de kans op internationale bescherming niet aanzienlijker groter maken. De herkomst van de informatie is onduidelijk. Eiser stelt weliswaar dat op de video de stem is te beluisteren van één van de neven, maar verweerder kan dat niet verifiëren. Daarnaast is het bevreemdingwekkend dat de bedreiging niet direct aan hem is doorgestuurd, maar dat het via een onlineplatform aan een derde zou zijn verstuurd. Verweerder neemt daarbij niet ten onrechte in aanmerking dat van een actuele en daadwerkelijke bedreiging geen sprake is. Eiser stelt slechts één keer te zijn bedreigd in november 2020. Niet is gebleken dat hij daarna nog iets heeft vernomen. Dat eisers broertje zou zijn bedreigd om informatie over eiser te verkrijgen is verder niet onderbouwd.

9. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Het beroep is daarom ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr.P.R. de Man, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.