Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8066

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2022
Datum publicatie
24-08-2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 631
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot toekenning WIA-uitkering. Het geschil gaat over de hoogte van het dagloon. Verweerder heeft de uitbetaling van eisers WW-uitkering terecht niet in de berekening van het dagloon betrokken, omdat deze niet in de referteperiode heeft plaatsgevonden. Onverkorte toepassing van de regelgeving heeft in het geval van eiser niet zodanig schrijnende gevolgen dat deze onevenredig zijn in verhouding tot de met deze regelgeving te dienen doelen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/631


uitspraak van de meervoudige kamer van 10 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Procesverloop

In het besluit van 6 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 11 mei 2020 afgewezen.

In het besluit van 14 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiser vanaf 11 mei 2020 recht heeft op een WIA-uitkering.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

De rechtbank heeft het beroep op 21 maart 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling van het beroep ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Op 13 april 2022 heeft de rechtbank nadere vragen aan verweerder gesteld.

In de brief van 26 april 2022 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord.

Eiser heeft op 16 mei 2022 zijn zienswijze hierop naar voren gebracht.

Partijen hebben, daarnaar door de rechtbank gevraagd, niet laten weten dat zij een nadere zitting wensen.

De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser was laatstelijk werkzaam als orthopedisch adviseur/projectmanager voor 32 uur per week. Hij ontving vanaf 1 april 2018 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Hij heeft zich op 14 mei 2018 vanuit de WW ziekgemeld, waarna hij een uitkering op grond van de Ziektewet ontving. Hij heeft op 29 januari 2020 een WIA-uitkering aangevraagd. In het primaire besluit heeft verweerder beslist dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder met ingang van 11 mei 2020 een WIA-uitkering aan eiser toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
100 % en een dagloon van € 144,68. Daarbij heeft verweerder de referteperiode – op basis waarvan het dagloon wordt bepaald – vastgesteld op 1 mei 2017 tot en met 30 april 2018.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat de hoogte van het dagloon onjuist is. Eiser ontvangt in plaats van 70 % van zijn laatstverdiende loon ongeveer 62 %, omdat zijn WW-uitkering over de maand april 2018 een maand later is uitbetaald en daardoor buiten de referteperiode valt. Eiser meent dat verweerder hem onjuist heeft voorgelicht over de hoogte van de werknemersverzekeringen. Daarnaast handelt verweerder in strijd met het verbod van willekeur, nu een medewerker van verweerder eiser telefonisch heeft meegedeeld dat in schrijnende gevallen wel wordt afgeweken van deze regelgeving. Eiser vindt het verder niet eerlijk dat verweerder naar eigen zeggen bij werknemers die te laat een WW-uitkering hebben aangevraagd of een maatregel opgelegd hebben gekregen, de WW-uitkering zonder juridische grondslag als zijnde wel uitbetaald in de referteperiode beschouwt. Hij loopt door het bestreden besluit € 209,- netto per maand mis. Wanneer hij blijvend arbeidsongeschikt blijft, loopt dit op tot een bedrag van € 50.160,- tot hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, zo stelt hij.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het dagloon van de WIA-uitkering van eiser juist heeft vastgesteld.

4.2.

Op grond van artikel 13, eerste lid, Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. Het derde lid bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.

Ten tijde van belang was de algemene maatregel van bestuur als hiervoor bedoeld het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Op grond van artikel 15, eerste lid, Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

De Nota van Toelichting bij artikel 15, eerste lid, Dagloonbesluit luidt:

“Het dagloon wordt gebaseerd op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken, gelegen binnen het refertejaar. De opgave van de werkgever aan de Belastingdienst is bepalend voor de toerekening van loon aan aangiftetijdvakken. De feitelijke betaling kan in een ander tijdvak liggen dan in het tijdvak waaraan het loon is toegerekend. In dit lid is dit tot uiting gebracht.”1

Op grond van artikel 16, eerste lid, Dagloonbesluit is het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering de uitkomst van de volgende berekening:

[(A–B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261.

Op grond van artikel 33, eerste lid, WW betaalt verweerder de WW-uitkering in de regel per kalendermaand achteraf.

4.3.

Eiser heeft in beroep gesteld dat een medewerker van verweerder hem heeft meegedeeld dat de uitbetaling van de WW-uitkering buiten de referteperiode in twee gevallen wordt beschouwd als zijnde uitbetaald in de referteperiode. Het gaat om werknemers die te laat een WW-uitkering hebben aangevraagd en werknemers die een maatregel opgelegd hebben gekregen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in het eerste geval sprake zal zijn van buitenwettelijk begunstigend beleid en dat het tweede geval in de regelgeving is voorzien. Na heropening van het onderzoek heeft de rechtbank verweerder verzocht de wettelijke grondslag voor deze twee situaties te vermelden en toe te lichten waarom in deze gevallen wordt afgeweken van de berekening van het dagloon zoals in het Dagloonbesluit is opgenomen.

4.4.

Verweerder heeft toegelicht dat de twee ter zitting besproken situaties gebaseerd zijn op rechtspraak. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt namelijk dat het verwijtbaar handelen van een werknemer in het kader van de ene uitkering geen verwijt oplevert dat een verlaging van een ander uitkeringsrecht rechtvaardigt. Er wordt dan uitgegaan van het uitkeringsbedrag waarop recht zou hebben bestaan als de WW-uitkering wel op tijd zou zijn aangevraagd of als geen maatregel zou zijn opgelegd.2 Dit beleid is niet van toepassing op eisers situatie. In een recente uitspraak van de CRvB is nog eens bevestigd dat er geen aanknopingspunten zijn om een reguliere uitbetaling van een WW-uitkering, die na correcte toepassing van artikel 33, eerste lid, WW is gedaan na afloop van het refertejaar, te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar.3

4.5.

Eiser stelt dat uit de door verweerder genoemde uitspraak van de CRvB volgt dat, hoewel de schuld/oorzaak voor het lager uitvallen van het WIA-dagloon bij de aanvrager lag, de aanvrager toch tegen de nadelige uitwerking van zijn eigen handelen beschermd diende te worden. De tweede door verweerder genoemde uitspraak van de CRvB laat volgens eiser zien dat wanneer de schuld/oorzaak niet bij de aanvrager ligt, maar bij de uitvoerder van het Dagloonbesluit, de aanvrager niet tegen de nadelige uitwerking van dit handelen door derden beschermd hoeft te worden. Eiser is van mening dat aanvragers van een WW-uitkering hierop gewezen zouden moeten worden. Eiser meent verder dat de uitspraak van de CRvB uit 2016 voldoende ruimte biedt om ook zijn beroep te doen slagen. Daarnaast kleeft aan het Dagloonbesluit een ernstig gebrek doordat eisers WIA-uitkering te laag uitvalt en is het Dagloonbesluit niet verenigbaar met de Wet WIA, nu op grond van deze wet de uitkering 70 % van het laatstverdiende maandloon bedraagt.

4.6.

De rechtbank overweegt dat de WW-uitkering van eiser over de maand april 2018 op grond van artikel 33 WW is betaald in mei 2018. Deze betaling is in mei 2018 aan de Belastingdienst opgegeven. De betaling is op grond van artikel 15, eerste lid, Dagloonbesluit niet betrokken in de berekening van het WIA-dagloon, omdat deze niet in de referteperiode heeft plaatsgevonden. De toepassing van deze bepaling is voor eiser nadelig. Immers de betaling in mei 2018 wordt voor de berekening van het dagloon niet in aanmerking genomen, terwijl het nadelige effect daarvan niet wordt gecompenseerd door een aan de referteperiode toe te rekenen WW-betaling die is gedaan voorafgaand aan de referteperiode, omdat eiser toen nog geen WW-uitkering ontving. De CRvB heeft echter eerder geoordeeld dat voor WW-gerechtigden, die te maken hebben met een betaling achteraf, noch de tekst en de systematiek van het toenmalige Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) noch de Nota van Toelichting bij het Besluit aanknopingspunten biedt om een reguliere uitbetaling van een WW-uitkering, die na correcte toepassing van artikel 33, eerste lid, WW is gedaan na afloop van het refertejaar, te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar. Het is de taak van de wetgever om een dergelijk (mogelijk onbedoeld) effect teniet te doen, aldus de CRvB.4

4.7.

De CRvB heeft ook overwogen dat de wetgever zich bij de totstandkoming van het Besluit ervan bewust was dat het uitgangspunt van het Besluit, dat alleen daadwerkelijk ontvangen inkomsten meetellen, nadelige gevolgen kan hebben voor bepaalde betrokkenen. De wetgever heeft desondanks niet voorzien in de mogelijkheid om van de in het huidige Dagloonbesluit neergelegde hoofdregel af te wijken, behoudens de in het vierde lid van artikel 2 Dagloonbesluit neergelegde afwijking.5 Het ongunstige effect dat ontstaat doordat betalingen, die betrekking hebben op de referteperiode, zijn gedaan buiten die periode, vormt geen reden om de desbetreffende onderdelen van het Dagloonbesluit buiten toepassing te laten, aldus de CRvB.6 De rechter dient de keuze van de wetgever te respecteren. De rechtbank merkt daarbij op dat, ondanks de knelpuntenbrief van verweerder aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juni 2021, de wetgever (nog) geen aanleiding heeft gezien het Dagloonbesluit op het punt van de bepaling van de hoogte van het dagloon te herzien.

4.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan voor eiser niet een ander dagloon worden vastgesteld. Onverkorte toepassing van de regelgeving heeft in het geval van eiser niet zodanig schrijnende gevolgen dat deze onevenredig zijn in verhouding tot de met deze regelgeving te dienen doelen.

5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de hoogte van het dagloon op juiste wijze heeft vastgesteld.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. A.C. de Winter, leden, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2022.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Stb. 2013, 185, blz. 36.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2146.

3 Zie de uitspraak van 21 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2672.

4 Zie ook de uitspraak van de CRvB van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2195.

5 Zie de uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2195.

6 Zie ook de uitspraak van de CRvB van 29 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4146.