Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:8032

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
24-08-2022
Zaaknummer
C/09/631144 / KG-ZA 22-553
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot overlegging van bescheiden ex artikel 843a Rv bij gebrek aan spoedeisend belang afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/631144 / KG ZA 22-553

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2022

in de zaak van

RECREATIEPARK FORT ORANJE B.V. te Rijsbergen,

eiseres,

advocaat mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. N.N. Bontje en J.C. Duyster te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Fort Oranje’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 juli 2022, met producties 1 tot en met 30;

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 11;

- de e-mail van mr. Maliepaard van 1 augustus 2022, met producties 31 en 32;

- de op 3 augustus 2022 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door Fort Oranje pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft een ‘minisymposium’ georganiseerd met als thema ‘Ondermijning in Zeeland en Brabant opsporing, vervolging en berechting’. Dit symposium heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017 te Bergen op Zoom.

2.2.

In de door de president van die rechtbank verstuurde uitnodiging voor dit minisymposium van 14 april 2017 valt te lezen dat het hierbij gaat om “een professionele ontmoeting voor officieren van justitie, rechters, burgemeesters en wethouders die in hun werk te maken hebben met ondermijning of met gevolgen van de aanpak van ondermijning”. Verder is in de uitnodiging vermeld dat het gesprek onder meer wordt ingeleid door de heer [naam 1], (destijds) coördinator aanpak ondermijning Taskforce Brabant-Zeeland (hierna: ‘[naam 2]’). De aanmelding voor dit minisymposium sloot op 26 april 2017. Op 24 mei 2017 heeft de president van de rechtbank Zeeland-West-Brabant het programma van het minisymposium verstuurd aan degenen die zich hiervoor hadden aangemeld.

2.3.

Fort Oranje exploiteerde een camping in Rijsbergen, gemeente Zundert. Op 9 juni 2017 heeft de gemeente Zundert aan Fort Oranje en haar bewoners een concept-sluitingsbesluit bekendgemaakt. Op 23 juni 2017 heeft de gemeente Zundert het besluit kenbaar gemaakt de gebruiksvergunning voor de inrichting van de camping in te trekken, de brandveiligheidsvergunning van de camping in te trekken, de camping op grond van onder meer artikel 17 van de Woningwet voor de duur van één jaar te sluiten en het beheer van het terrein van de camping en de daarop gelegen woningen per 23 juni 2017 om 15.00 uur op grond van artikel 13b van de Woningwet gedurende een jaar over te nemen. Bij uitspraak van 12 mei 2021 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat de gemeente Zundert bevoegd was de camping te sluiten, de gebruiksvergunning van Fort Oranje in te trekken en het beheer over te nemen. Op het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is nog niet beslist.

2.4.

Fort Oranje heeft vanaf 8 juni 2017 de rechtbank Zeeland-West-Brabant meermaals schriftelijk verzocht om verstrekking van de op het minisymposium betrekking hebbende stukken, meer in het bijzonder de op 7 juni 2017 door [naam 2] gegeven PowerPointpresentatie en de presentielijst. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geweigerd de gevraagde stukken aan Fort Oranje te verstrekken. Daarbij is – voor zover van belang – aan Fort Oranje te kennen gegeven dat zij in de gevraagde presentatie niet voorkomt, dat tijdens het minisymposium niet over individuele gevallen is gesproken en dat Fort Oranje om die reden geen belang heeft bij de gevraagde stukken.

2.5.

Op 8 december 2021 heeft [naam 2] in het kader van een op verzoek van Fort Oranje bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant gehouden voorlopig getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard:

“Ik ben in 2017 aanwezig geweest op een mini symposium over ondermijning, volgens mij was dat in Bergen op Zoom. Ik heb daar gesproken. Daar zal zeker gesproken zijn over Fort Oranje. Ik heb dat vaker als voorbeeld gebruikt. Fort Oranje was mij betreft een succesverhaal: een voorbeeld waar handhaving met vereende krachten gestald te krijgen. Bij Fort Oranje speelde een ondermijningsgerelateerd handhaving probleem. Diverse overheden werken samen om het probleem op te lossen. Aanwezig op het symposium, waren ook de heer [naam 3], de voorzitter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en volgens mij ook één of twee advocaten, maar zeker weet ik dat niet. Ik weet ook niet wie die advocaten waren en of zij voor overheidsinstanties werken.”

3 Het geschil

3.1.

Fort Oranje vordert – zakelijk weergegeven – na verduidelijking van haar eis ter zitting, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het verstrekken van inzage en afschrift van de tijdens het minisymposium op 7 juni 2017 door [naam 2] gegeven PowerPointpresentatie en de aanmeldingenlijst voor deze bijeenkomst, zulks met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert Fort Oranje – samengevat – aan dat zij al jaren wordt geconfronteerd met verschillende vormen van overheidsoptreden van diverse overheidsorganen. Dit overheidsoptreden komt volgens Fort Oranje tot stand binnen het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum Zeeland West-Brabant (RIEC). Fort Oranje stelt dat het RIEC haar als RIEC-casus heeft aangemerkt. Dit heeft er volgens Fort Oranje voor gezorgd dat zij anders wordt behandeld dan andere burgers of ondernemingen. Volgens Fort Oranje is er sprake van geheime afspraken tussen de bij het RIEC betrokken overheidsorganen om haar zoveel mogelijk vermogen te ontnemen dan wel haar zoveel mogelijk vermogensschade toe te brengen. Fort Oranje wijst er in dat verband op dat vijf jaar na de inbezitneming en inbeheerneming door de gemeente Zundert de camping volledig is ontmanteld, waarbij honderden aan Fort Oranje toebehorende stacaravans zijn gesloopt en de infrastructuur van de camping volledig onbruikbaar is gemaakt, waarbij aanzienlijke beheerkosten bij Fort Oranje in rekening zijn gebracht. Feitelijk is volgens Fort Oranje sprake geweest van onteigening. De gemeente Zundert en het RIEC hadden de verwachting dat Fort Oranje zou proberen de sluiting van de camping via bestuursrechtelijke procedures tegen te houden. Deze procedures zouden hebben gediend voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Fort Oranje vermoedt dat het minisymposium, waarvoor meerdere key-players van het RIEC zijn uitgenodigd die al vele jaren betrokken waren bij de aanpak van Fort Oranje, mede is gebruikt om bij de rechterlijke macht draagvlak te creëren voor het op handen zijnde besluit tot sluiting van de camping. Daarbij wijst Fort Oranje erop dat uit de getuigenverklaring van [naam 2] volgt dat tijdens het minisymposium over Fort Oranje c.q. de casus Fort Oranje is gesproken

3.3.

Met de in dit kort geding gevorderde bescheiden beoogt Fort Oranje duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of tijdens het minisymposium over Fort Oranje is gesproken. Ook wil Fort Oranje aan de hand van deze bescheiden vaststellen wie bij het minisymposium aanwezig zijn geweest. Daarmee kan volgens Fort Oranje bewijsmateriaal worden verkregen met het oog op tegen zowel de gemeente Zundert als de Staat in te stellen vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad. De vordering tegen de gemeente Zundert zal strekken tot vergoeding van de in het kader van de uitvoering van het beheer van de camping opzettelijk en met voorbedachten rade toegebrachte schade. De vordering tegen de Staat zal strekken tot vergoeding van schade als gevolg van het feit dat rechters hebben deelgenomen aan een symposium waarbij over individuele zaken is gesproken die nog onder de rechter zouden komen en deze rechters zich vervolgens niet hebben onttrokken. Daardoor is er volgens Fort Oranje mogelijk sprake van onrechtmatige rechtspraak. Ook heeft Fort Oranje het vermoeden dat voor het minisymposium uitsluitend advocaten zijn uitgenodigd die het overheidsoptreden verdedigden en niet tevens de advocaten die voor haar hebben opgetreden, hetgeen volgens haar eveneens onrechtmatig handelen kan opleveren. Fort Oranje is van mening dat wordt voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv. Er is volgens haar sprake van een rechtmatig belang; de PowerPointpresentatie kan duidelijkheid geven over de vraag of over Fort Oranje is gesproken. Daarnaast kan volgens Fort Oranje aan de hand van deze presentatie worden vastgesteld of rechters naar waarheid hebben verklaard dat tijdens het minisymposium niet over Fort Oranje is gesproken. Met de aanmeldingenlijst kan volgens haar worden vastgesteld of bij het minisymposium veel personen aanwezig zijn geweest die bij het RIEC zijn betrokken, hetgeen volgens Fort Oranje de kans vergroot dat tijdens het minisymposium over haar is gesproken, en welke advocaten waren uitgenodigd. Daarnaast zijn volgens Fort Oranje de gevorderde bescheiden voldoende bepaalbaar, hebben zij betrekking op rechtsbetrekkingen waarbij Fort Oranje partij is en beschikt de Staat over deze bescheiden.

3.4.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de Staat op grond van artikel 843a Rv gehouden kan worden inzage en afschrift te verstrekken van de op 7 juni 2017 tijdens het minisymposium door [naam 2] gegeven PowerPointpresentatie en de aanmeldingenlijst voor dit minisymposium.

4.2.

Alvorens kan worden toegekomen aan een toetsing aan de in artikel 843a Rv geformuleerde voorwaarden voor toewijzing van een exhibitievordering, dient allereerst te worden beoordeeld of door Fort Oranje wordt voldaan aan de voor toewijzing van een voorziening in kort geding geldende algemene eis dat sprake moet zijn van een spoedeisend belang bij die voorziening. Van een spoedeisend belang is sprake als van de eisende partij in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht.

4.3.

De Staat heeft betwist dat Fort Oranje een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Daarbij wijst de Staat erop dat het minisymposium al in 2017 heeft plaatsgevonden en Fort Oranje na de getuigenverklaring van [naam 2] nog zeven maanden heeft gewacht met het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding. Fort Oranje heeft eerst ter zitting onderbouwd waarom volgens haar wel sprake is van een spoedeisend belang. Daartoe stelt zij dat de camping volledig is ontmanteld en de gemeente Zundert een aanvang heeft genomen met de executie van haar vordering van € 5.300.000,-- ter zake de met het beheer gemoeide kosten door beslag te leggen op de aan Fort Oranje toebehorende gronden. Volgens Fort Oranje wordt er nu schade door haar geleden en zijn de gevorderde bescheiden nodig om haar tegenvordering te kunnen onderbouwen.

4.4.

Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het Fort Oranje het bestaan van een spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Fort Oranje is – zoals de Staat terecht stelt – al geruime tijd bekend met de door haar gestelde schade. Die schade vloeit immers rechtstreeks voort dan wel hangt nauw samen met het besluit van de gemeente Zundert tot sluiting van de camping en overname van het beheer van de camping. Dit betreft besluitvorming uit 2017 en de – in de bewoordingen van Fort Oranje – daarop gevolgde sloop en ontmanteling van de camping is ook al geruime tijd een feit. Fort Oranje is er daarnaast ook al geruime tijd mee bekend dat de gemeente Zundert de met het beheer gemoeide kosten op haar wenst te verhalen. Fort Oranje is kortom dus al geruime tijd bekend met de door haar gestelde tegenvordering. Zij heeft er echter om haar moverende redenen voor gekozen om geen bodemprocedure tegen de gemeente Zundert en/of de Staat te starten tot verhaal van haar gestelde schade, ook niet toen zij in december 2021 bekend werd met de getuigenverklaring van [naam 2]. Fort Oranje lijdt dus – anders dan zij stelt – op dit moment geen acute schade en daardoor is er geen sprake van een situatie waarin zij met spoed over de gevorderde bescheiden moet kunnen beschikken. Dat de gemeente Zundert ten laste van Fort Oranje beslag heeft gelegd voor haar vordering uit hoofde van gemaakte beheerkosten, leidt niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is immers dat de gemeente Zundert tot uitwinning van dit gelegde beslag, waarvan Fort Oranje overigens geen enkel document heeft overgelegd, is overgegaan dan wel op korte termijn dreigt over te gaan. Bij beoordeling van de spoedeisendheid van de vordering van Fort Oranje is ook van belang dat een toewijzing van het gevorderde in kort geding onomkeerbare gevolgen zal hebben. Kennisneming van de gevraagde bescheiden kan immers niet meer ongedaan gemaakt worden. Dit leidt in samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat in redelijkheid van Fort Oranje gevergd kan worden dat zij een bodemprocedure afwacht, waarin zij haar inzagebehoefte aan de orde stelt. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat in een bodemprocedure – in tegenstelling tot in kort geding – aanzienlijk meer ruimte is voor een toetsing aan de vereisten van 843a Rv en voor een weging van het verweer van de Staat tegen de 843a-vordering, vooral voor zover hij zich beroept op gewichtige redenen die zich tegen toewijzing zouden verzetten. Een bodemprocedure – die Fort Oranje zegt voor te bereiden en waarvoor zij het bewijs naar eigen zeggen nagenoeg ‘rond’ heeft – leent zich dan ook beter voor beantwoording van die vraag dan een kortgedingprocedure.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Fort Oranje in dit kort geding dient te worden afgewezen.

4.6.

Fort Oranje zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt Fort Oranje om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.692,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 676,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat Fort Oranje bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022.

mw