Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7975

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2022
Datum publicatie
16-08-2022
Zaaknummer
21/6625
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Transformatie van een kantoorgebouw naar woningen. Eiseres vreest aantasting van het voorzieningenniveau in de wijk. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/6625


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2022 in de zaak tussen

Stichting Wijkberaad Bezuidenhout, te Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. M.S. van der Hoek),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz)

Als derde-partij neemt aan het geding deel Laan van NOI B.V. (vergunninghoudster) te Amsterdam

(gemachtigde: mr. A.M.M. Ferwerda).

Procesverloop

In het besluit van 3 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de transformatie van een kantoorgebouw.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een zienswijze ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 21 juni 2022 op zitting behandeld. Namens eiseres is verschenen [A] , vergezeld van [B] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster is [C] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Verweerder heeft op 18 december 2019 een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van het kantoor Laan van Nieuw-Oost-Indië 123, 125 en 127 tot 205 woningen met een commerciële plint op de begane grond en het oprichten van 16 eengezinswoningen aan de zijde van de Carpentierstraat.

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘bouwen’ en voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ omdat het bouwplan niet voldoet aan artikel 11.1, artikel 11.2.1, onder a en b en artikel 15.1 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Bezuidenhout’ voor wat betreft:

- de voorgenomen functies van het plan, aangezien conform het vigerende planologische regiem enkel de kantoorfunctie is toegestaan;

- het overschrijden van de bouwhoogten van 24 en 31 meter ter plaatse van de maatvoeringsaanduidingen met circa 3 meter;

- het realiseren van bebouwing buiten het huidige bouwvlak. Het betreft hier de realisatie van de grondgebonden woningen aan de zijde van de Carpentierstraat en de uitbreiding van het reeds aanwezige hoofdgebouw naar de zijde van de Laan van NOI.

1.3.

Verweerder heeft de gevraagde vergunning op grond van artikel 2.10 en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend.

2. Onbestreden is dat de Crisis- en herstelwet (Chw) op dit besluit van toepassing is.

Belanghebbendheid

3.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens verweerder wordt eiseres niet rechtstreeks in haar belangen geraakt.

3.2.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

3.3.

De statutaire doelstelling van eiseres luidt als volgt: “De stichting heeft ten doel de verbetering van het woon- en leefmilieu te stimuleren en de belangenbehartiging van de bewoners of groepen van bewoners te bevorderen door zelfwerkzaamheid van de bewoners.” De rechtbank is van oordeel dat deze statutaire doelstelling in samenhang met het in de statuten genoemde werkgebied van eiseres, kan worden begrepen als mede gericht op de ruimtelijke ontwikkelingen in de wijk Bezuidenhout. Ook gelet op de feitelijke werkzaamheden zoals het participeren in plannen voor ruimtelijke ontwikkelingen in Bezuidenhout, is de rechtbank van oordeel dat eiseres belanghebbende is en tegen de omgevingsvergunning kan opkomen.

Procesbelang

4.1.

Vergunninghoudster heeft naar voren gebracht dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep omdat zij met dit beroep beoogt het voorzieningenniveau in de wijk Bezuidenhout te verhogen. Dat kan zij met deze procedure niet bewerkstelligen, aldus vergunninghoudster. Verweerder ondersteunt dit standpunt.

4.2.

Uit het beroepschrift van eiseres volgt dat haar beroep strekt tot het niet laten plaatsvinden van de transformatie van het kantoorgebouw zoals die nu is neergelegd in de omgevingsvergunning. De rechtbank stelt vast dat eiseres dit resultaat kan bereiken indien het bestreden besluit wordt vernietigd (en de aanvraag in de huidige vorm zou worden afgewezen). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het procesbelang aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden in de weg staat.

Het beroep

5. Eiseres voert – kort gezegd – aan dat het bestreden besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder voldoet het besluit niet aan de ladder voor stedelijke verduurzaming en is niet voldaan aan het vereiste dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) dient af te geven. De rechtbank zal deze gronden achtereenvolgens bespreken.

6.1.

Ter plaatste geldt het bestemmingsplan ‘Bezuidenhout’. De betrokken gronden hebben de bestemming ‘Kantoor-2’ en ‘Verkeer-Hoofdverkeersweg’. De voor ‘Kantoor-2’ aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 11 van de planregels bestemd voor kantoor, één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, groen, water, (gebouwde) parkeervoorzieningen en overige voorzieningen.

6.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de bestemming ‘Kantoor-2’. Om realisering ervan niettemin mogelijk te maken heeft verweerder daarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo de omgevingsvergunning verleend.

6.3.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

7.1.

Eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat verweerder geen rekening heeft gehouden met de huidige tekorten aan basisscholen, speelplekken, sportvelden, openbaar groen, zorg en cultuur in de wijk Bezuidenhout. Door het verlenen van de omgevingsvergunning voor woningen worden deze tekorten nog groter, aldus eiseres en komen de voorzieningen nog meer onder druk te staan.

7.2

De rechtbank begrijpt dat eiseres aldus betoogt dat verlening van de omgevingsvergunning het voorzieningenniveau voor inwoners van Bezuidenhout ontoelaatbaar nadelig beïnvloedt en dat moet worden gevreesd voor de ontwrichting daarvan. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

7.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevend of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.1 Alleen een mogelijke ontwrichting ten aanzien van deze eerste levensbehoeften wordt ruimtelijk relevant geacht. De aantasting van het voorzieningenniveau van andere behoeften is op zichzelf geen reden om planologische medewerking aan een besluit te weigeren.2

7.4.

Eiseres noemt een breed palet aan voorzieningen. Zij heeft echter geen concrete voorzieningen genoemd die als eerste levensbehoeften zijn aan te merken. Dat inwoners van de wijk Bezuidenhout niet op de hiervoor bedoelde wijze in hun eerste levensbehoeften kunnen voorzien, is ook anderszins niet gebleken. Reeds gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen medewerking aan de omgevingsvergunning had mogen verlenen. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet.

8.1.

Het betoog van eiseres dat verweerder de omgevingsvergunning in strijd met het door hem gevoerde beleid heeft verleend, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

8.2.

Volgens eiseres volgt uit dit beleid dat rekening dient te worden gehouden met het handhaven of realiseren van een passend voorzieningenniveau bij bouwprojecten zoals het onderhavige. Zij verwijst in dat verband naar passages uit de volgende beleidsstukken: de Structuurvisie Den Haag 2020 Wereldstad aan Zee, de Agenda Ruimte voor de stad, de Woonvisie Den Haag 2017-2030, de Kantorenstrategie 2018-2025; de gebruiker centraal 2.0, het Besluit Haagse referentienormen van 19 januari 2021, de Hoogbouwnota Eyeline Skyline 2017, de Structuurvisie CID en de motie ‘Kom snel met LER’.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de door eiseres genoemde beleidsstukken en passages geen betrekking heeft op de aard of locatie van het onderhavige bouwplan. Zo is geen sprake van hoogbouw als bedoeld in de Hoogbouwnota en wordt het bouwplan niet gerealiseerd binnen het als Central Innovation District (CID) aangemerkte gebied. De Hoogbouwnota, de Structuurvisie CID en de door eiseres aangehaalde passage over CID uit de Kantorenstrategie en de motie ‘Kom snel met LER’, missen al om die reden toepassing. Wat betreft de LER (leefbaarheidseffectrapportage) heeft verweerder voorts onbestreden toegelicht dat deze niet als toetsingskader geldt voor de toelaatbaarheid van een individueel bouwproject als hier aan de orde, hetgeen evenzeer geldt voor de Haagse referentienormen. Uit de overige beleidsstukken, voor zover aangehaald, volgt verder niet dat wat betreft het voorzieningenniveau sprake is van concrete eisen of randvoorwaarden die bij het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van de artikelen 2.10 en 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo voor het onderhavige bouwplan hadden moeten worden toegepast of aan die verlening in de weg zouden staan. Voor zover eiseres aanvoert dat verweerder aan de invulling van de plint de eis had behoren te stellen dat deze volledig voor maatschappelijke doeleinden wordt ingericht, bieden de door haar overgelegde stukken daarvoor geen grond. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met het eigen beleid de omgevingsvergunning heeft verleend. Het betoog van eiseres treft dan ook geen doel.

9.1.

Eiseres brengt naar voren dat verweerder de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet goed heeft toegepast omdat uitsluitend is ingegaan op de behoefte aan woningen en de commerciële plint, meer in het bijzonder winkelruimte/detailhandel, bij de beoordeling niet betrokken is.

9.2.

Wanneer op de grondslag van artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 3º, van de Wabo een omgevingsvergunning wordt verleend, en die omgevingsvergunning een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet het besluit een beschrijving bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro

9.3.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd van Mees Ruimte & Milieu. In paragraaf 4.1.2 is ingegaan op de behoefte aan de ontwikkeling van de commerciële plint. De functies die binnen de plint kunnen worden gerealiseerd bestaan uit bedrijven in de categorieën A t/m C van de staat van functiemenging, kleinschalige detailhandel, cultuur en ontspanning, lichte horeca, zelfstandige kantoorruimte, dienstverlening en maatschappelijke functies. Beschreven is onder meer dat de behoefte aan kleinschalige detailhandel, lichte horeca en eventueel zelfstandige kantoorruimte op de locatie blijkt uit de Kantorenstrategie Den Haag, de Kadernota Detailhandel Den Haag en de Horecavisie Den Haag. Gelet op het voorgaande kan eiseres niet worden gevolgd in haar betoog dat het bestreden besluit geen beschrijving bevat van de behoefte aan de ontwikkeling van een commerciële plint. Het betoog van eiseres slaat daarom niet.

10. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte de ‘Algemene verklaring van geen bedenkingen’ van 26 november 2015 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. In het geval van een functiewijziging geldt deze verklaring enkel voor functiewijzigingen tot 1.000 m² gelet op artikel 1c van deze vvgb. Nu blijkens het bouwplan een commerciële plint ter grootte van circa 1.000 m² zal worden gerealiseerd volstaat deze vvgb niet.

10.1

Ter zitting heeft vergunninghoudster erop gewezen dat blijkens bouwtekening 867OV-0012 de oppervlakte van de commerciële plint 900 m² bedraagt. Deze bouwtekening maakt deel uit van de omgevingsvergunning. Eiseres heeft dit ter zitting niet betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de ‘Algemene verklaring van geen bedenkingen’ van 26 november 2015 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning mogen verlenen. De rechtbank ziet in de door eiseres aangevoerde gronden geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is daarom ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3213.

2 Zie de uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:164.