Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7971

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2022
Datum publicatie
08-08-2022
Zaaknummer
NL21.14557
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VK Regulier, ontstaan verblijfsgat, gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.14557

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres,

V-nummer: [nummer]

wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [naam 1] (hierna: moeder),

(gemachtigde: mr. H. Martens),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlengen van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij moeder’ ingewilligd, in die zin dat aan eiseres een verblijfsvergunning als voormeld is verleend met als ingangsdatum 10 september 2020 (en een geldigheidsduur van vijf jaar).

Bij besluit van 17 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ook is haar moeder ter zitting verschenen. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] en heeft de Somalische nationaliteit. Zij is met ingang van 1 juni 2018 door verweerder in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij moeder’. Deze verblijfsvergunning was geldig tot 24 juli 2020. Op 10 september 2020 heeft haar moeder namens eiseres een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd, in die zin dat zij aan eiseres een verblijfsvergunning heeft verleend met ingang van 10 september 2020. Daardoor is er over de periode van 24 juli 2020 tot 10 september 2020 een onderbreking in het verblijfsrecht van eiseres, een zogenoemd verblijfsgat, ontstaan. Eiseres heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. De verlengingsaanvraag is na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ingediend en deze termijnoverschrijding kan eiseres worden toegerekend. Dit betekent dat de verlengingsaanvraag niet tijdig is ingediend. Daarom is de verblijfsvergunning niet aansluitend op de eerdere verblijfsvergunning verleend, maar met ingang van de datum van de verlengingsaanvraag (10 september 2020). Dit is in lijn met geldend beleid, geldende wetgeving en de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraken van 13 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4261, 25 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4823 en 15 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:141.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij meent dat verweerder de verblijfsvergunning had moeten verlenen met ingang van 24 juli 2020 in plaats van 10 september 2020 en voert hiertoe – samengevat – het volgende aan. Dat de verlengingsaanvraag is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan volgens eiseres niet aan haar worden toegerekend. Zij, althans haar moeder, heeft alles wat in redelijkheid van haar kan worden verwacht gedaan om de aanvraag voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning in te dienen. Verder handhaaft eiseres in beroep haar in bezwaar gevoerde betoog dat de toepassing van het toegepaste nationale recht in gevallen als die van haar in strijd is met (het doel en nuttig effect van) Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) en Richtlijn 2003/109/EG (Langdurig ingezetenenrichtlijn) en/of met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Voorts doet eiseres, onder verwijzing naar een besluit van 15 juni 2021 in een zaak van een andere vreemdeling, een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Tot slot stelt eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord op het bezwaar.

4.1.

Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

4.2.

In artikel 3.80, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), voor zover van belang, is bepaald dat de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tijdig is ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.

Op grond van artikel 3.80, tweede lid, van het Vb, voor zover van belang, wordt de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.

5.1.

Eiseres heeft als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat de toepassing van de nationale bepalingen waarop de besluitvorming berust, te weten artikel 26, eerste lid, van de Vw in verbinding met artikel 3.80, tweede lid, van het Vb, in een geval waarin de verlengingsaanvraag niet-tijdig is ingediend in de zin van artikel 3.80, eerste lid, van het Vb (d.w.z: te laat én toerekenbaar) maar waarin er wel doorlopend wordt voldaan aan de voorwaarden van gezinshereniging en dus vergunningverlening, in strijd is met (het doel en het nuttig effect van) de Gezinsherengingsrichtlijn en de Langdurig ingezetenenrichtlijn en/of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De rechtbank begrijpt dat eiseres hiermee betoogt dat deze nationale bepalingen, indien het zo zou zijn dat zij haar verlengings-aanvraag niet-tijdig heeft ingediend in de zin van artikel 3.80, eerste lid, van het Vb (wat eiseres overigens betwist door te stellen dat de te late indiening niet toerekenbaar is), in haar geval buiten toepassing moeten worden gelaten.

5.2.

De rechtbank overweegt dat eiseres voormeld betoog reeds als bezwaargrond heeft aangevoerd en uitvoerig heeft toegelicht in haar aanvullend bezwaarschrift van 6 april 2021 (op pagina’s 3 en 4). Deze bezwaargrond van eiseres, die zij (zo is ter zitting gebleken) heeft gebaseerd op het artikel ‘EU-migratierichtlijnen voorkomen en dichten verblijfsgaten’ van [naam 2] in Asiel&Migrantenrecht 2021, nummer 1 (van 19 januari 2021), heeft verweerder in het bestreden besluit als volgt samengevat.

Samengevat stelt u zich op het standpunt dat het nationale recht en de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in strijd zijn met het Unierecht. U verwijst daarbij naar zowel richtlijn 2003/109/EG als richtlijn 2003/86/EG. Dit komt, zo stelt u, omdat uit het Unierecht blijkt dat er al een juridische aanspraak op toelating kan ontstaan, voordat een aanvraag tot een verblijfsvergunning is ingediend. Dat maakt, zo vindt u, dat korte onderbrekingen van het verblijfsrecht

Unierechtelijk niet houdbaar zijn. Daarnaast stelt u dat dit er ook toe leidt dat

artikel 26 van de Vreemdelingenwet (Vw) strijdig is met het Unierecht. In dit

wetsartikel staat onder andere dat een verblijfsvergunning nooit eerder kan

worden verleend dan de aanvraagdatum. […]

5.3.

In reactie op deze bezwaargrond van eiseres heeft verweerder in het bestreden besluit (op pagina’s 2 en 3) gesteld dat de beslissing in lijn is met geldend beleid, geldende wetgeving en vaste jurisprudentie. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de Afdelingsuitspraken als onder 3. vermeld.

5.4.

Met deze reactie in het bestreden besluit is verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het geheel niet ingegaan op voormelde (uitvoerige en meest verstrekkende) bezwaargrond van eiseres en heeft verweerder voormelde bezwaargrond dus ook niet weerlegd. Immers, de Afdelingsuitspraken waarnaar verweerder heeft verwezen gaan slechts over de tekstuele uitleg van artikel 26 van de Vw. In die uitspraken heeft de Afdeling zich niet uitgelaten over de vraag of de toepassing van artikel 26, eerste lid, van de Vw in verbinding met artikel 3.80, tweede lid, van het Vb in een geval als het onderhavige in strijd is met voornoemde richtlijnen en/of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft deze rechtsvraag ook niet zelf beantwoord in het bestreden besluit.

5.5.

Gezien het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het kan daarom niet in stand blijven (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4271).

6. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Gelet hierop en op wat er hierna is overwogen over de (on)mogelijkheid van geschilbeslechting en het vervolg van deze zaak, laat de rechtbank de overige beroepsgronden in deze uitspraak onbesproken. Hierbij is van belang dat de rechtbank pas kan beoordelen of verweerder de relevante bepalingen in het geval van eiseres juist heeft toegepast, nadat is geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die bepalingen op eiseres van toepassing zijn. Laatstgenoemd oordeel heeft de rechtbank in deze uitspraak, als gevolg van de hiervoor geconstateerde (en niet herstelde) gebreken in het bestreden besluit, niet gegeven.

8. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. In dit verband merkt de rechtbank op dat verweerder niet ter zitting is verschenen om een toelichting te geven en in het verweerschrift als reactie op de onder 5.1. vermelde beroepsgrond heeft verwezen naar het bestreden besluit (pagina’s 2 en 3), terwijl daarin nu juist in het geheel niet is ingegaan op het betoog van eiseres (zie overweging 5.4.). De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het in eerste instantie aan verweerder is om zich uit te laten over het betoog van eiseres. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat het de rechtbank, gelet op de aard van de gebreken, de wijze waarop die moeten worden hersteld en de aard en vorm van een eventuele vervolgprocedure bij een nieuw ongunstig besluit voor eiseres, voorkomt dat eiseres op die manier niet eerder uitsluitsel krijgt in haar zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen binnen een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar, binnen voormelde termijn.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 181,- moet vergoeden.

10. De rechtbank ziet om dezelfde reden ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.