Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7943

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-07-2022
Datum publicatie
04-08-2022
Zaaknummer
NL22.14048
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak – Dublin België - geen registertolk bij gehoor – artikel 6:22 van de Awb – verantwoordelijkheid België betwist – ongegrond - proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.14048


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.14049, op 28 juli 2022 op zitting behandeld te Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.518

(duizendvijfhonderdachttien euro).

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk tijdens het gehoor. Verder is in geschil of verweerder terecht heeft vastgesteld dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.

2. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van een registertolk tijdens het gehoor. In dit geval is niet gebleken van spoedeisendheid als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van een niet-registertolk. Eiser heeft er terecht op gewezen dat hij pas 41 dagen na zijn aanmelding is gehoord en dat het gehoor ook op een andere dag had kunnen plaatsvinden. Er is daarom sprake van een schending van de afnameplicht van registertolken. Verweerder heeft dit ook niet betwist. Dit gebrek kan echter worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien eiser niet in zijn belangen is geschaad. Immers is niet gebleken van miscommunicatie tussen eiser en de tolk. Daarnaast moeten ook niet-registertolken een zekere mate van deskundigheid bezitten en heeft eiser zijn bezwaren tegen de overdracht aan België schriftelijk kunnen toelichten.

3. Anders dan eiser meent, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser heeft op 18 april 2018 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 30 juli 2018 niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. Eiser is daarna met onbekende bestemming vertrokken en heeft op 24 augustus 2018 in België een asielaanvraag ingediend. België heeft Italië verzocht om eiser terug te nemen en Italië is daarmee akkoord gegaan. De (verlengde) overdrachtstermijn heeft België vervolgens laten verstrijken. Nu eiser naderhand wederom in Nederland asiel heeft aangevraagd, heeft verweerder terecht België verzocht om eiser terug te nemen. Daarbij heeft Nederland alle relevante informatie over eiser verstrekt aan België. De Belgische autoriteiten hebben het terugnameverzoek aanvaard en daarmee te kennen gegeven dat zij zich verantwoordelijk achten voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Dit claimakkoord acht de rechtbank doorslaggevend voor het vaststellen van de verantwoordelijkheid. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1256).

4. Het beroep is ongegrond.

5. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.518, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en wegingsfactor 1.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.