Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7866

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2022
Datum publicatie
05-08-2022
Zaaknummer
C/09/629855 / FA RK 22-3293
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering – Cyprus. Verzoek vader tot teruggeleiding minderjarige afgewezen, omdat moeder naar Cypriotisch recht alleen met het gezag is belast over de minderjarige:

Het komt aan op de uitleg van artikel 16 (wet 216/1990). Blijkens dit artikel is uitgangspunt dat de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind dat geboren is en kind blijft buiten het huwelijk tussen zijn ouders, bij de moeder berust. Uit de tweede volzin van dit artikel volgt dat in geval van gerechtelijke erkenning van het vaderschap de vader eveneens de ouderlijke verantwoordelijkheid verkrijgt. Het Cypriotische recht maakt onderscheid tussen ‘voluntary recognition’ en ‘judicial recognition’, zoals volgt uit artikel 15 (wet 187/1991): “The paternal recognition of a child born outside marriage of his parents is effected by a) voluntary recognition or b) judicial recognition.” Nu de ouders niet zijn gehuwd en hier geen sprake is van ‘judicial recognition’, maar van ‘voluntary recognition’ komt de rechtbank tot het oordeel dat de moeder naar Cypriotisch recht alleen met het gezag over de minderjarige is belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 22-3293

Zaaknummer: C/09/629855

Datum beschikking: 2 augustus 2022

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 24 mei 2022 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats 1] , Israël,

advocaat: mr. S. Scheimann te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. A.H. van Haga te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief van 3 juni 2022, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief van 20 juni 2022 van de zijde van de moeder;

- het verslag van de bijzondere curator van 30 juni 2022;

- het verweerschrift;

- de twee F9-formulieren van 11 juli 2022, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- de brief van 11 juli 2022, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 7 juni 2022 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld door de tolk [tolk 1] en bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede [medewerker RvdK 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. M. Dam. De behandeling ter zitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 14 juni 2022 heeft de advocaat van de vader de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen vooralsnog niet is geslaagd. De vader en de moeder hebben nadien nog getracht tot overeenstemming te komen, hetgeen niet is gelukt. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.

Bij beschikking van 21 juni 2022 van deze rechtbank is [bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige:

˗ [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geeft [voornaam minderjarige] zelf aan over een eventueel verblijf op Cyprus en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijkt [voornaam minderjarige] zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijkt [voornaam minderjarige] de gevolgen van het verblijf op Cyprus of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Wil [voornaam minderjarige] met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst [voornaam minderjarige] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?

  5. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?

[voornaam minderjarige] is op 12 juli 2022 in het bijzijn van de bijzondere curator in raadkamer gehoord.


Op 12 juli 2022 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld van de tolk [tolk 2] en bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede [medewerker RvdK 1] en [medewerker RvdK 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming en de bijzondere curator. Door de advocaat van de vader en door de advocaat van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht:

 met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige [voornaam minderjarige] te bevelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Cyprus, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Cyprus;

 de moeder ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet te veroordelen tot betaling aan de vader van de door hem in verband met de ontvoering en teruggeleiding van de minderjarige gemaakte kosten, zoals de advocaatkosten, rechtbankkosten en retourtickets voor de vlucht naar Nederland;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzocht de vader te veroordelen in de (proces)kosten van de onderhavige procedure.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

- Op 30 april 2022 is de moeder met [voornaam minderjarige] vanaf Cyprus naar Nederland vertrokken.

- De vader heeft de Israëlische nationaliteit, de moeder en [voornaam minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

- De vader heeft zich op 8 mei 2022 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer] .

Beoordeling

Rechtsmacht

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Cyprus zijn partij bij het Verdrag.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Tussen de ouders is in geschil wie belast is met het gezag over [voornaam minderjarige] . De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij alleen het gezag heeft. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de ouders gezamenlijk het gezag hebben.

Niet in geschil is dat [voornaam minderjarige] onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats op Cyprus had. Dit betekent dat naar het recht van Cyprus beoordeeld dient te worden wie van de ouders met het gezag over [voornaam minderjarige] belast is.

De ouders zijn het er over eens dat naar Nederlands recht in ieder geval geen gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige] is ontstaan. Van [voornaam minderjarige] komt geen verklaring voor in het gezagsregister.

De volgende Cypriotische wetgeving is relevant:

˗ The Parents and Children Relations Laws 1990 to 2008 (hierna: wet 216/1990) en

˗ The Children (Relationship and legal status) Laws 1991 to 2008 (hierna: wet 187/1991).

De vader heeft een verklaring overgelegd van een Cypriotische advocaat waarin als relevante artikelen worden aangewezen artikel 23 van wet 187/1991 en de artikelen 5, 6 en 16 van wet 216/1990. Ter zitting heeft de vader nog gewezen op artikel 17 lid 2 van wet 187/1991 en daarbij het volgende opgemerkt. Artikel 17 lid 2 ziet op ‘voluntary recognition’ in de gevallen waar de moeder buiten Cyprus woont. Die ‘voluntary recognition’ moet plaatsvinden volgens de in dat land geldende regels. In Nederland geldt dat zonder toestemming van de moeder erkenning niet kan plaatsvinden. De vader heeft [voornaam minderjarige] in Nederland erkend op 30 september 2016. Voor de erkenning is de toestemming van moeder nodig naar Nederlands recht. Die heeft moeder toen gegeven. Dit komt neer op ‘voluntary recognition’ naar Cypriotisch recht waardoor volgens de vader het gezamenlijk ouderlijk gezag is ontstaan.

Nu in genoemd artikel 5 is opgenomen wat het gezag omvat en genoemd artikel 6 ziet op de uitoefening van het gezag en deze artikelen niet omvatten aan wie het gezag toekomt, zal de rechtbank deze artikelen niet bespreken.

Artikel 17 lid 2 (wet 187/1991) luidt: “The mother’s consent shall be given before the Registrar by affidavit or, in case where the mother is residing outside Cyprus, before the competent consular authorities of the Republic or in such other manner as may be prescribed by Rules of Court.

Nu tussen de ouders niet in geschil is dat het in het geval van [voornaam minderjarige] gaat om een ‘voluntary recognition’ behoeft artikel 17 lid 2 verder ook geen bespreking.

Bepalend is de uitleg van artikel 23 (wet 187/1991) en artikel 16 (wet 216/1990).

Artikel 23 (wet 187/1991) luidt : “In the case of voluntary or judicial recognition the child acquires from the date of its birth the legal status and the rights of a child born during marriage, as against both its parents and their relatives.

Artikel 16 (wet 216/1990) luidt: “The parental responsibility of the child who was born and remains a child outside the marriage between his parents shall belong to the mother. In case of judicial recognition of paternity the father shall also acquire parental responsibility.

Met de moeder is de rechtbank van oordeel dat artikel 23 (wet 187/1991) ziet op de juridische positie van het kind ten opzichte van zijn ouders en andere verwanten gelet op het door erkenning verkrijgen van juridisch ouderschap door de vader en dat hier niet wordt bedoeld het door de juridisch ouder verkrijgen van ouderlijke verantwoordelijkheid over een erkend kind.

Dit betekent dat het aankomt op de uitleg van artikel 16 (wet 216/1990). Blijkens dit artikel is uitgangspunt dat de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind dat geboren is en kind blijft buiten het huwelijk tussen zijn ouders, bij de moeder berust. Uit de tweede volzin van dit artikel volgt dat in geval van gerechtelijke erkenning van het vaderschap de vader eveneens de ouderlijke verantwoordelijkheid verkrijgt.

Het Cypriotische recht maakt onderscheid tussen ‘voluntary recognition’ en ‘judicial recognition’, zoals volgt uit artikel 15 (wet 187/1991): “The paternal recognition of a child born outside marriage of his parents is effected by a) voluntary recognition or b) judicial recognition.

Nu de ouders niet zijn gehuwd en hier geen sprake is van ‘judicial recognition’, maar van ‘voluntary recognition’ komt de rechtbank tot het oordeel dat de moeder naar Cypriotisch recht alleen met het gezag over [voornaam minderjarige] is belast.

De rechtbank sluit niet uit dat de vader hier in eerste instantie ook vanuit is gegaan nu hij blijkens het door hem overgelegde, in de Nederlandse taal vertaalde verzoekschrift in de door hem in april 2022 op Cyprus aanhangig gemaakte procedure onder meer, naast het recht op contact met [voornaam minderjarige] , heeft verzocht om een voorlopig bevel van de rechtbank op basis waarvan de ouderlijke zorg voor [voornaam minderjarige] aan beide partijen wordt toegewezen.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [voornaam minderjarige] op 30 april 2022 naar Nederland niet heeft plaatsgevonden in strijd met een aan de vader toekomend gezagsrecht. Van een ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van [voornaam minderjarige] naar, dan wel in Nederland in de zin van artikel 3 van het Verdrag is dan ook geen sprake. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [voornaam minderjarige] naar Cyprus en de daarmee samenhangende verzoeken dan ook afwijzen. Gelet hierop behoeven de overige verweren van de moeder geen bespreking meer.

Proceskosten

De rechtbank zal het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder tot betaling aan de vader van de door hem in verband met de ontvoering en teruggeleiding van [voornaam minderjarige] gemaakte kosten afwijzen. Een dergelijk verzoek is, gelet op het bepaalde in artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet immers slechts voor toewijzing vatbaar wanneer de terugkeer van [voornaam minderjarige] wordt gelast, hetgeen thans niet het geval is.

De rechtbank zal ook het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de (proces)kosten van de onderhavige procedure afwijzen. Nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [voornaam minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met haar bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , naar Cyprus.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 2 september 2022 als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, A. Emmens en C.L. Strop, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2022.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.