Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:786

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2022
Datum publicatie
07-02-2022
Zaaknummer
C/09/621137 / KG ZA 21/1120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Gunning in strijd met vooraf bekend gemaakte gunningssytematiek en met de algemene beginselen van aanbestedingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2022/1773
JAAN 2022/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/621137 / KG ZA 21/1120

Vonnis in kort geding van 1 februari 2022

in de zaak van

Coöperatief Kristal Compagnie U.A. te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat Programma’s Projecten en Onderhoud te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mr. F.J. Lewis en mr. I. van der Hoeven, beiden te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Kristal’ en ‘RWS’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding 24 november 2021;

- de akte houdende overlegging (aanvullende) producties 1 tot en met 12 van de zijde van Kristal;

- de door RWS overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;

- de op 18 januari 2022 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Kristal heeft verzocht om de zaak achter gesloten deuren te behandelen vanwege het bedrijfsvertrouwelijke karakter van de discussie die volgens haar tussen partijen gevoerd moet worden. RWS heeft hiertegen aangevoerd dat het gaat om de totaliteit van de prijs, die bij alle inschrijvers bekend is, zodat het niet nodig is om tijdens de mondelinge behandeling bedrijfsvertrouwelijke gegevens uit te wisselen. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aan partijen meegedeeld dat de zitting achter gesloten deuren zal plaatsvinden. De advocaat van Kristal heeft immers kenbaar gemaakt dat hij ter onderbouwing van het standpunt van Kristal mogelijk bedrijfsvertrouwelijke gegevens naar voren wil brengen en de voorzieningenrechter is van oordeel dat hem die mogelijkheid, gelet op de belangen van Kristal, niet dient te worden ontzegd.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 7 juli 2021 heeft RWS een Europese openbare aanbesteding met nummer 31169841 uitgeschreven voor het project Vergunningverlening Rijkswaterstaat West-Nederland Noord, West-Nederland Zuid en Zee & Delta, hierna ‘de Opdracht’. In de aankondiging heeft RWS de Opdracht als volgt omschreven: “Het uitvoeren van taken voor de afdeling Vergunningverlening (VV) van de 3 directies Rijkswaterstaat West-Nederland Noord, West-Nederland Zuid en Zee & Delta. Deze afdeling voert taken uit voor nat, droog en nautisch en is nauw verbonden met de afdeling Handhaving. De afdeling voert in de rol van bevoegd gezag wettelijke taken uit.”.

2.2.

Op de aanbesteding is het Aanbestedingsreglement Werken 2016 (ARW 2016) van toepassing. Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving met de beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV).

2.3.

De aanbestedingsprocedure is nader omschreven in de Aanbestedingsleidraad Ingenieursdiensten van 6 juli 2021, hierna ‘de Aanbestedingsleidraad’. Bij de Aanbestedingsleidraad horen diverse bijlagen, waaronder Bijlage F ‘Uitwerking BPKV-criteria voor de beste prijs-kwaliteitverhouding’, Bijlage H ‘Inschrijvingsstaat’ en Bijlage K ‘Vraagspecificatie’.

2.4.

In paragraaf 4.4.3 van de Aanbestedingsleidraad is vermeld dat de inschrijver bij de inschrijving kwalitatieve documenten moet verstrekken met betrekking tot het criterium Kennisborging (Kennis van de aanstaande Omgevingswet), het criterium Kwaliteits-borging (Technisch en bestuurlijk kwalitatief hoogwaardig, Tijdigheid, Juridisch houdbaar) en het criterium Omgeving (Juridisch houdbaar en Bestuurlijke antenne), een en ander uitgewerkt in de tabel van Bijlage F.

2.5.

In paragraaf 5.2 van de Aanbestedingsleidraad zijn de gunningscriteria nader uitgewerkt. Voor zover hier van belang is daarbij vermeld:

“De opdracht wordt verleend aan de inschrijver die de inschrijving met de BPKV heeft gedaan, mits de inschrijver niet behoeft te worden uitgesloten van opdrachtverlening.

Bij de beoordeling welke inschrijver de inschrijving met de BPKV heeft gedaan worden de criteria gehanteerd als vermeld in bijlage F “Uitwerking BPKV-criteria voor de beste prijs-kwaliteitverhouding”. De uitwerking van deze criteria is weergegeven in de “Tabel BPKV-criteria” in die Bijlage F.

In het in die bijlage F “Uitwerking BPKV-criteria voor de beste prijs-kwaliteitverhouding” opgenomen “Rekenblad BPKV” staat per subcriterium de maximaal toe te kennen kwaliteitswaarde vermeld. Het berekeningsresultaat van het rekenblad is de ‘Fictieve inschrijvingssom’. Deze wordt verkregen door de inschrijvingssom te verminderen met de ‘Totale kwaliteitswaarde’. De inschrijving die op grond van dit rekenblad de laagste fictieve inschrijvingssom heeft, is de inschrijving met de BPKV.

(…)”.

2.6.

In Bijlage F ‘Uitwerking BPKV-criteria voor de beste prijs-kwaliteitverhouding’ (hierna ‘Bijlage F’) is opnieuw opgenomen dat de Opdracht op basis van de EMVI-BKPV wordt gegund aan de inschrijver met de laagste fictieve Inschrijvingsprijs, die wordt bepaald door de feitelijke Inschrijvingsprijs te verlagen met de kwaliteitsscore op de aspecten kennisborging en kwaliteitsborging. Verder is in Bijlage F vermeld:

“Met de kwaliteitsscore kan elke inschrijving zijn Inschrijvingsprijs (exclusief btw) fictief verlagen met een maximale aftrek € 2.300.000,-.

(…)

Bij de beoordeling welke inschrijver de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan, worden naast de inschrijfprijs, het criterium van “Kennisborging”, “Kwaliteitsborging” en “Omgeving” beoordeeld conform de in deze uitvraag vastgestelde beoordelingswijze.

(…)”.

2.7.

In de Vraagspecificatie, hierna ‘Bijlage K’, heeft RWS in hoofdstuk 3 ‘Producten Vergunningverlening’ – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“OG is voornemens een contract af te sluiten met maximaal 3 contractanten. Om binnen het contract de werkzaamheden te kunnen verdelen over de verschillende contractanten wordt de volgende werkwijze gehanteerd: Op basis van Selectie & Gunning na inschrijving ontstaat een lijst met scores van de diverse aanbieders/-inschrijvers. De afroepcontracten worden gegund aan de inschrijvers met de “hoogste” scores. Dit leidt tot maximaal 3 afroepcontracten ON A, B en C.

(…)

Verdeling van opdrachten:

De volgorde van het afroepen van werk wordt in beginsel bepaald door de (ranking)volgorde van contractanten. M.a.w. de 1ste opdracht wordt afgeroepen bij A, de 2de bij B, de 3de bij C enzovoort.”

Verder heeft RWS in hoofdstuk 3 van Bijlage K (en in paragraaf 2.1.2 van de Aanbestedingsleidraad) de werkzaamheden en eisen ingedeeld in twaalf producten en heeft hij een beschrijving gegeven van zeven Modules (A tot en met G) die eventueel toegevoegd kunnen worden aan de producten. Vervolgens heeft RWS in hoofdstuk 3 van Bijlage K een tabel opgenomen, waarin voor de deelproducten en de Modules een overzicht is gegeven van het indicatieve aantal te leveren producten (geïndiceerde aantallen), waarbij is vermeld dat het gaat om een prognose van de uit te vragen aantallen per contractant.

2.8.

In paragraaf 4.4.2 van de Aanbestedingsleidraad is vermeld dat de inschrijver bij zijn inschrijving een specificatie van het bedrag van de inschrijving (inschrijvingssom) dient te verstrekken overeenkomstig het format van Bijlage H, waarbij is opgenomen dat de in de Inschrijvingsstaat op te nemen bedragen realistisch dienen te zijn en in een redelijke verhouding dienen te staan tot de aard en de omvang van de te verrichten werkzaamheden.

Op de Inschrijvingsstaat, hierna ‘Bijlage H’, is vermeld dat de inschrijving voor de deelproducten en de Modules geschiedt op basis van een vaste prijs.

2.9.

Kristal, Antea Nederland B.V. te Heerenveen (hierna ‘Antea’) en Milieucollectief BV te Tilburg (hierna ‘Milieucollectief’) hebben ingeschreven op de Opdracht. Kristal, Antea en Watercollectief B.V., de rechtsvoorganger van Milieucollectief, zijn de raamcontractanten aan wie RWS in 2016 een vergelijkbare opdracht heeft gegund.

2.10.

Bij brief van 29 oktober 2021, hierna ‘de gunningsbeslissing’, heeft RWS (via TenderNed) aan Kristal meegedeeld dat haar inschrijving ongeldig is verklaard omdat het inschrijfbedrag aanzienlijk hoger is dan de Opdrachtgever (RWS), na objectieve waardebepaling, redelijkerwijs mocht verwachten. Daarbij is meegedeeld dat het inschrijfbedrag 57% hoger is dan de zorgvuldig samengestelde raming van de Opdrachtgever en dat de inschrijving van Kristal om die reden een onaanvaardbare inschrijving is. Ten slotte heeft RWS kenbaar gemaakt dat zij voornemens is de Opdracht te gunnen aan Antea en Milieucollectief.

In een “Bijlage: Motivering Beoordeling voor inschrijver” heeft RWS de volgende tabel opgenomen:

Overzicht Inschrijvingssommen en fictieve inschrijvingssommen

Naam inschrijver

Inschrijvingssom

Fictieve inschrijvingssom

Antea Nederland B.V.

Coöperatief Kristal Compagnie U.A.

Milieucollectief BV

€ 1.299.940,-

€ 2.271.600,-

€ 1.886.800,-

€ 1.299.940,-

€ 2.271.600,-

€ 1.886.800,-

Kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijver

Er wordt een contract met twee partijen afgesloten, omdat de derde Inschrijver een onaanvaardbare inschrijving betreft. De aanbestedende Dienst heeft drie inschrijvingen ontvangen, de geschiktheidseisen zijn getoetst en akkoord bevonden en de eisen zoals die vermeld staat in de Vraagspecificatie zijn getoetst en akkoord bevonden.

Er worden geen BPKV-scores gegeven, omdat het aantal inschrijvers gelijk staat aan het aantal te contracteren partijen. Wel dient opdrachtnemer zich tijdens de uitvoering aan de afspraken te houden, zoals die in het kwalitatieve document beschreven staan.

2.11.

De advocaat van Kristal heeft bij brief van 4 november 2021 namens Kristal bij RWS bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissing, waarbij ook de onderhavige kortgedingprocedure is aangekondigd.

2.12.

In een e-mailbericht van 15 november 2021 heeft RWS aan Kristal meegedeeld dat RWS zijn gunningsbeslissing handhaaft. RWS heeft zich daarbij beroepen op een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juni 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:3135) en hij heeft verwezen naar een bij het e-mailbericht gevoegde raming, die onderdeel uitmaakt van een inkoopplan van RWS.

3 Het geschil

3.1.

Kristal vordert – zakelijk weergegeven – primair RWS te verbieden de Opdracht op basis van de gunningsbeslissing alleen aan Antea en/of Milieucollectief te gunnen, RWS te gebieden de gunningsbeslissing in te trekken, RWS te gebieden de inschrijving van Kristal als geldig aan te merken en indien en voor zover RWS te Opdracht nog wenst te gunnen, RWS te gebieden om de Opdracht te gunnen aan Kristal, Antea én Milieucollectief, subsidiair RWS te verbieden de Opdracht op basis van de gunningsbeslissing aan Antea en/of Milieucollectief te gunnen, RWS te gebieden om de gunningsbeslissing in te trekken en indien en voor zover RWS de Opdracht nog wenst te gunnen RWS te gebieden om de procedure als bedoeld in artikel 2.36.4 ARW 2016 te doorlopen en meer subsidiair RWS te verbieden de Opdracht op basis van de gunningsbeslissing aan Antea en/of Milieucollectief te gunnen, RWS te gebieden de gunningsbeslissing in te trekken en de aanbestedingsprocedure te staken en indien en voor zover RWS de Opdracht nog wenst te gunnen RWS te gebieden de Opdracht opnieuw (in gewijzigde vorm) aan te besteden, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van RWS in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Daartoe stelt Kristal – samengevat – het volgende. RWS heeft de inschrijving van Kristal ten onrechte terzijde gelegd op zowel procedureel als inhoudelijk onjuiste gronden. RWS is afgeweken van het toepasselijke ARW 2016 door de gunningsbeslissing alleen te baseren op de ingediende prijzen en door niet, zoals is voorgeschreven, eerst te bepalen wie de meest gerede inschrijver is door eerst de rangorde van de beste drie inschrijvers te bepalen op basis van alle gunningscriteria. Daarmee heeft RWS de gunningscriteria tussentijds veranderd en beperkt tot enkel een prijscriterium, dat bovendien ten onrechte als knock-out criterium is gehanteerd, zonder dat dit vooraf aan de inschrijvers is meegedeeld.

Daarnaast heeft Kristal gesteld dat RWS procedureel is afgeweken van het ARW 2016 voor wat betreft het vervolg, nu in artikel 2.36.4 ARW 2016 is bepaald dat in het geval dat de meest gerede inschrijving hoger is dan het door de aanbesteder begrote bedrag, van gunning mag worden afgezien en de procedure kan worden vervolgd met de mededingingsprocedure met onderhandeling of de concurrentiegerichte dialoog. RWS heeft dit niet gedaan, maar heeft in plaats daarvan de inschrijving van Kristal terzijde gelegd. Daarin voorziet het ARW 2016 echter niet en het is onredelijk tegenover Kristal.

Ten slotte heeft Kristal zich op het standpunt gesteld dat RWS geen zorgvuldige raming heeft opgesteld.

Volgens Kristal voldoet haar inschrijving aan alle eisen en bestaat er geen grondslag om haar inschrijving (als enige) terzijde te leggen, zodat haar inschrijving naast die van Antea en Milieucollectief ook voor gunning in aanmerking komt.

3.3.

RWS voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het spoedeisend belang van Kristal vloeit voort uit de aard van de vorderingen en is door het RWS ook niet bestreden.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of RWS in strijd met de aanbestedingsregels de gunningscriteria heeft gewijzigd, of RWS de juiste (vervolg)procedure heeft gevolgd en of RWS een zorgvuldige raming heeft gemaakt. Dit betekent dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of RWS de inschrijving van Kristal terzijde heeft kunnen leggen, omdat deze onaanvaardbaar hoog zou zijn. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij een Europese openbare aanbesteding, zoals de onderhavige, de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht van toepassing zijn. Daartoe behoren in ieder geval het gelijkheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel.

Het gelijkheidsbeginsel heeft tot doel om de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de inschrijvers te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun inschrijving dezelfde kansen krijgen. Daarom moeten voor alle inschrijvingen dezelfde voorwaarden gelden.

Het transparantiebeginsel heeft tot doel om te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aanbestedingsstukken worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, zodat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn (zie onder meer het Succhi di Frutta-arrest, ECLI:EU:C:2004:236 en de artikelen 1.8 en 1.9 van de Aanbestedingswet 2012).

4.4.

De gunningssystematiek van de onderhavige aanbesteding is vastgelegd in paragraaf 5.2 van de Aanbestedingsleidraad, waarin de gunningscriteria zijn uitgewerkt en waarbij is vermeld dat de Opdracht wordt verleend aan de inschrijver die de inschrijving met de BPKV heeft gedaan, mits de inschrijver niet behoeft te worden uitgesloten van de opdrachtverlening. Daarbij is verder vermeld dat bij de beoordeling van de inschrijvingen de criteria worden gehanteerd die zijn vermeld in Bijlage F, dat in het in Bijlage F opgenomen Rekenblad BPKV per subcriterium de maximaal toe te kennen kwaliteitswaarde is vermeld en dat het berekeningsresultaat van het rekenblad – de Fictieve inschrijvingssom – wordt verkregen door de inschrijvingssom te verminderen met de ‘Totale kwaliteitswaarde’, waarna de inschrijver die op grond van het rekenblad de laagste fictieve inschrijvingssom heeft, de inschrijving met de BPKV is (zie hiervoor in 2.5.). In Bijlage F is nogmaals opgenomen dat de Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de laagste fictieve Inschrijvingsprijs, die wordt bepaald door de feitelijke Inschrijvingsprijs te verlagen met de kwaliteitsscore op de aspecten kennisborging en kwaliteitsborging (zie hiervoor in 2.6.).

4.5.

Kristal heeft zich op het standpunt gesteld dat RWS haar inschrijving heeft uitgesloten op basis van een nieuw, niet vooraf bekendgemaakt, criterium. RWS heeft de inschrijving van Kristal immers alleen terzijde gelegd omdat de inschrijvingssom volgens RWS onaanvaardbaar hoog zou zijn. RWS heeft op die manier feitelijk een knock-out criterium geïntroduceerd, in die zin dat de inschrijvingssom niet meer mag bedragen dan een onbekend, vooraf niet bekend gemaakt budget, zonder dat rekening wordt gehouden met de kwaliteit van de aangeboden dienstverlening, aldus Kristal. Dit is volgens Kristal in strijd met de gunningssystematiek in de aanbestedingsstukken en overigens ook met het systeem van het ARW 2016.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt Kristal in dit standpunt. Tussen partijen staat vast dat RWS in de aanbestedingsstukken geen maximum budget voor de Opdracht bekend heeft gemaakt. In paragraaf 4.4.2 van de Aanbestedingsleidraad is weliswaar vermeld dat de in de Inschrijvingsstaat op te nemen bedragen realistisch dienen te zijn en in een redelijke verhouding dienen te staan tot de aard en de omvang van de te verrichten werkzaamheden, maar hieruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet duidelijk en ondubbelzinnig dat RWS een maximum budget voor de Opdracht hanteert dat bij aanzienlijke overschrijding leidt tot uitsluiting van deelname aan de aanbesteding. Ook overigens bieden de aanbestedingsstukken naar voorlopig oordeel geen enkel aanknopingspunt voor een maximum budget van RWS waarmee de inschrijvers bij het vaststellen van de inschrijvingssom rekening dienden te houden. Anders dan in de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2021:3135) waarnaar RWS ter ondersteuning van haar standpunt dat zij bevoegd was om de inschrijving van Kristal uit te sluiten verwijst, hebben de inschrijvers in deze aanbesteding voor aanvang van de aanbestedingsprocedure geen kennis kunnen nemen van het bedrag dat voor de aanbestede Opdracht was begroot en overigens ook niet van het beschikbare budget en is in de aanbestedingsstukken niet als doel geformuleerd dat de Opdracht moest worden uitgevoerd tegen ‘acceptabele kosten voor de opdrachtgever” of iets van die strekking. Daar komt bij dat in paragraaf 5.2 van de Aanbestedingsleidraad en Bijlage F uitdrukkelijk is vermeld dat de fictieve inschrijvingssom wordt berekend door de inschrijvingssom (de prijs) te verminderen met de kwaliteitsscore op de aspecten kennisborging en kwaliteitsborging. Bij deze werkwijze past, anders dan RWS heeft betoogd, niet dat RWS de inschrijving van Kristal uitsluitend mocht beoordelen op de aangeboden prijs.

4.7.

De door RWS aangevoerde omstandigheid dat zij bij gunning aan Kristal het budget en de raming voor de Opdracht overschrijdt en dat van RWS daarom niet gevergd kan worden dat zij de Opdracht aan Kristal gunt, levert in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet een zelfstandige grond voor uitsluiting van Kristal op. Ook in de ARW 2016 is geen aanknopingspunt te vinden voor uitsluiting van Kristal op basis van een onaanvaardbaar hoge inschrijving.

4.8.

Nu RWS in de aanbestedingsstukken niet bekend heeft gemaakt dat sprake is van een maximum budget voor de Opdracht en dat de inschrijvingssom beneden dit budget moest blijven, op straffe van uitsluiting van de inschrijving, maar hij de inschrijving van Kristal wel terzijde heeft gelegd omdat deze onaanvaardbaar hoog is, zonder dat bovendien de gunningssystematiek van paragraaf 5.2 van de Aanbestedingsleidraad en Bijlage F is gevolgd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat RWS in strijd met de vooraf in de aanbestedingsstukken bekend gemaakte gunningssystematiek en in strijd met de aanbestedingsrechtelijke beginselen heeft gehandeld door Kristal van verdere deelname uit te sluiten. Dit geldt te meer omdat RWS ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat niet kan worden uitgesloten dat wanneer de kwaliteitsscore aan de hand van Bijlage F zou zijn berekend, Kristal een lagere fictieve inschrijvingssom zou hebben gekregen. Dit betekent naar voorlopig oordeel dat RWS de inschrijving van Kristal ten onrechte terzijde heeft gelegd, dat hij deze als geldig had moeten aanmerken en dat de Opdracht, voor RWS deze nog wil gunnen, ook aan Kristal gegund moet worden of, gelet op het bepaalde in artikel 2.36.4 ARW 2016, RWS de procedure moet vervolgen met de mededingingsprocedure met onderhandeling of de procedure van de concurrentiegerichte dialoog, nu is gesteld noch gebleken is dat de inschrijving van Kristal alsnog kan worden uitgesloten op basis van de beoordeling van de kwaliteit die nog niet heeft plaatsgevonden.

4.9.

Gelet op het in 4.8. gegeven oordeel behoeven de overige standpunten van partijen geen verdere bespreking meer en worden de vorderingen van Kristal toegewezen zoals hierna onder de beslissing wordt vermeld. Anders dan Kristal ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding deze beslissing te versterken met een dwangsom, nu RWS, als onderdeel van de Staat, rechterlijke uitspraken pleegt na te komen.

4.10.

RWS zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt RWS de Opdracht op basis van de gunningsbeslissing aan enkel Antea en/of Milieucollectief te gunnen;

5.2.

gebiedt RWS de gunningbeslissing in te trekken;

5.3.

gebiedt RWS om de inschrijving van Kristal als geldig aan te merken;

5.4.

gebiedt RWS, indien en voor zover RWS de Opdracht nog wenst te gunnen, de Opdracht te gunnen aan Kristal, Antea én Milieucollectief of de procedure te vervolgen met de mededingingsprocedure met onderhandeling of de procedure van de concurrentiegerichte dialoog;

5.5.

veroordeelt RWS in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van Kristal begroot op € 1.811,21, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat, € 676,-- aan griffierecht en € 119,21 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2022.

mvt