Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7845

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-07-2022
Datum publicatie
02-08-2022
Zaaknummer
NL22.13422
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortraject. Grondslag maatregel. Informatieplicht verweerder. Inreisverbod. Beroepen ongegrond. Verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL22.13422, NL22.13608 en NL22.13659


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).


Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2022 (bestreden besluit 1)1 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Op 15 juli 2022 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser een terugkeerbesluit met inreisverbod opgelegd (bestreden besluit 2)2 en aansluitend een maatregel van bewaring (bestreden besluit 3)3 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Eiser heeft tegen al deze besluiten beroep ingesteld. De beroepen tegen besluit 1 en 3 moeten ook aangemerkt worden als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. K.H. Westerhof, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. van Beek-Nikitina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Georgische nationaliteit.

Bestreden besluit 1

2. Van belang is dat de beoordeling van het bestreden besluit 1 slechts ziet op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Voortraject

3. Eiser voert aan dat niet uit het dossier blijkt op welk tijdstip de strafrechtelijke detentie is geëindigd, waardoor niet kan worden beoordeeld of het vreemdelingenrechtelijke traject daadwerkelijk aansluitend op strafrechtelijke heenzending is aangevangen. Verweerder stelt ter zitting dat dit uit het mutatierapport zou moeten blijken.

4. De rechtbank oordeelt dat uit de informatie uit het dossier en meer specifiek uit het mutatierapport4 niet kan worden vastgesteld op welk tijdstip de strafrechtelijke detentie is geëindigd. Echter, uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat eiser op 7 juli 2022 om 18.30 uur is overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending. In wat eiser naar voren heeft gebracht kan geen reden worden gevonden om te twijfelen aan wat in dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal is vermeld. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

5. Eiser voert verder aan dat verweerder op 8 juli 2022 ten onrechte contact heeft opgenomen met de Georgische autoriteiten met de mededeling dat eiser in detentie verblijft en om te verifiëren of hij de Georgische nationaliteit heeft. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiser in Duitsland een asielaanvraag heeft lopen.5 Het is in strijd met het Vluchtelingenverdrag6 om in het geval een vreemdeling een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend contact op te nemen met de autoriteiten van dat land. Dit ernstige gebrek moet leiden tot de onrechtmatigheid van de maatregel.

6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het contact met de Georgische autoriteiten niet in strijd is met het Vluchtelingenverdrag. Er is in dit geval geen sprake van strijd met het Vluchtelingenverdrag omdat in de e-mail aan de Georgische autoriteiten slechts is gerefereerd aan de strafrechtelijke detentie van eiser. Informatie over zijn lopende asielprocedure is niet gedeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Grondslag maatregel

7. Eiser voert verder aan dat hij ten onrechte op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring is gesteld. Hij had op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring moeten worden gesteld, vanwege zijn lopende asielaanvraag in Duitsland. De Dublinverordening7 is op eiser van toepassing.

8. Verweerder heeft in dit verband ter zitting gewezen op zijn gedragslijn dat asielverzoeken van Georgiërs met een Dublinindicatie met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich worden getrokken.8 Nederland wordt via deze weg dan ook verantwoordelijk voor de behandeling van het desbetreffende asielverzoek. Aanvragen worden afgedaan in spoor 2 (Veilig land van herkomst). Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de Dublinverordening ook niet van toepassing is op vreemdelingen uit Oekraïne. Dit blijkt ook uit de Kamerbrief van 17 maart 2022.9 De rechtbank volgt deze uitleg. De beroepsgrond van eiser dat hij vanwege zijn asielaanvraag in Duitsland in bewaring had moeten worden gesteld op grond van artikel 59a van de Vw, slaagt dan ook niet.

9. Eiser voert verder aan dat hij zijn asielaanvraag op 14 juli 2022 heeft ingetrokken, terwijl de maatregel van bewaring op 15 juli 2022 is opgeheven. Hierdoor heeft hij in ieder geval één dag op een onjuiste grondslag in bewaring gezeten.

10. In het M53-formulier10 staat de datum 14 juli 2022 vermeld. In het proces-verbaal van gehoor11 staat echter dat eiser het M53-formulier op 15 juli 2022 pas heeft ondertekend. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de datum op het M53-formulier onjuist is en dat eiser de intrekking op 15 juli 2022 heeft getekend tijdens het gehoor voorafgaand aan de tweede maatregel van bewaring. De rechtbank is van oordeel dat uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal gehoor van 15 juli 2022 voldoende duidelijk blijkt dat eiser de asielaanvraag op die datum heeft ondertekend. De beroepsgrond dat eiser één dag op een onjuiste grondslag in bewaring heeft gezeten slaagt dan ook niet.

Voortvarend handelen

11. Eiser voert aan dat verweerder na de inbewaringstelling onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu eiser op 8 juli 2022 in bewaring is gesteld en pas op 11 juli 2022 is geplaatst in het detentiecentrum in Rotterdam.

12. Uit jurisprudentie van de Afdeling12 volgt dat, behoudens bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen,13 de tenuitvoerlegging van een bewaring in een politiecel voor een periode langer dan vijf dagen strijdig is met het bepaalde in artikel 5.4, tweede lid, van het Vb. Hiervan is in dit geval geen sprake nu eiser op de vierde dag is overgeplaatst naar het detentiecentrum in Rotterdam. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

13. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat hij op 12 juli 2022 naar Schiphol is gebracht voor zijn asielaanvraag terwijl zijn gemachtigde DT&V14 al op 11 juli 2022 per e-mail heeft geïnformeerd over het feit dat hij zijn asielaanvraag wenst in te trekken. Eiser is op 14 juli 2022 pas weer teruggebracht naar het detentiecentrum, waar hij op 15 juli 2022 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Verweerder heeft volgens eiser dan ook onnodig veel tijd verloren laten gaan, voordat de asielaanvraag is ingetrokken.

14. De rechtbank stelt vast dat eiser pas op 15 juli 2022 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Nu dit op 12 juli nog niet vaststond en het enkel een voornemen betrof, kon verweerder eiser naar Schiphol brengen voor zijn gehoor. Voorts is hij op 14 juli teruggebracht naar het detentiecentrum. Daarna is met eiser gelijk een vertrekgesprek gevoerd. Hiermee is voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Bestreden besluit 3

15. Eiser voert aan dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 14 juli 2022 niet afdoende is geïnformeerd over de betekenis van de intrekking van zijn asielaanvraag voor de lopende asielaanvraag in Duitsland. Nu eiser hierover niet helder is geïnformeerd, heeft verweerder niet aan zijn informatieplicht voldaan en mocht hij er niet van uitgaan dat eiser zijn asielwens in Duitsland ook heeft prijsgegeven. Alhoewel tijdens het gehoor op 15 juli 2022 wel iets is opgemerkt over de gevolgen van de intrekking van eisers asielaanvraag, is dat te laat. Eiser had immers geïnformeerd moeten worden voordat hij de asielaanvraag introk. Eiser wijst in dit verband naar een Afdelingsuitspraak van 19 april 2022.15

16. Zoals de Afdeling in de door eiser aangehaalde uitspraak heeft overwogen kan uit de intrekking van een asielaanvraag worden afgeleid dat een vreemdeling zijn asielwens prijsgeeft. Hiermee eindigen de lopende asielprocedures in alle lidstaten en kan de terugkeerprocedure gestart worden. De staatssecretaris kan dit alleen doen als deze gevolgen van de intrekking van zijn asielaanvraag de vreemdeling voldoende kenbaar zijn gemaakt. De situatie in deze zaak verschilt in zoverre van de situatie in de zaak van de Afdelingsuitspraak dat eiser in dit geval al bekend was met het standpunt van verweerder over de status van zijn asielaanvraag in Duitsland. Verweerder heeft in bestreden besluit 1 immers al uiteengezet waarom eiser door het verlaten van Duitsland blijkbaar geen prijs meer stelt op zijn asielaanvraag aldaar. Daarbij komt dat eiser tijdens het vertrekgesprek en tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is geïnformeerd over het te volgen traject (zijn terugkeer naar Georgië). Hierdoor was het eiser duidelijk dat hij zijn asielaanvraag in Duitsland zou prijsgegeven. Bovendien heeft eiser op geen enkel moment aangegeven dit niet te begrijpen. In zoverre verschilt deze zaak ook van de situatie in de genoemde uitspraak. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

17. Wat betreft de stelling van eiser dat er concrete aanknopingspunten waren dat de Dublinverordening van toepassing was op het moment van de inbewaringstelling, verwijst de rechtbank naar wat onder 8. is overwogen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bestreden besluit 2

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen kan de beroepsgrond dat geen terugkeerbesluit en inreisverbod kon worden opgelegd, omdat de Dublinverordening op eiser van toepassing was, niet slagen.

Inreisverbod

19. Eiser voert subsidiair aan dat wat in de beschikking wordt opgemerkt over zijn medische toestand geen deugdelijke motivering dan wel reactie is op de zienswijze. Het belang voor eiser om geen inreisverbod opgelegd te krijgen wordt niet onderkend. In dit verband merkt eiser op dat hij in het gehoor heeft aangegeven dat medische hulp in Georgië alleen beschikbaar is voor mensen met geld. Verder voert eiser aan dat hij door zijn asielaanvraag in Duitsland verzekerd is tegen ziektekosten.

20. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat verweerder het inreisverbod voor de duur van twee jaar op goede gronden aan eiser heeft opgelegd.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw. Op grond van het achtste lid van dat artikel kan verweerder om humanitaire redenen afzien van het opleggen van een inreisverbod. Hiervan is in dit geval niet gebleken. Uit de beschikking blijkt dat verweerder de medische omstandigheden van eiser heeft betrokken bij het opleggen van het inreisverbod. Daarnaast heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat de stelling van eiser dat medische behandeling in Georgië voor hem niet mogelijk is, op geen enkele wijze is onderbouwd. Verder heeft verweerder terecht opgemerkt dat de gestelde ziekte ook niet met stukken is onderbouwd en dat niet is onderbouwd dat hij daadwerkelijk voor behandeling van zijn gestelde ziekte afhankelijk is van behandeling in Europa. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

21. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart de beroepen ongegrond;

 wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde

publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zaaknummer NL22.13422.

2 Zaaknummer NL22.13659.

3 Zaaknummer: NL22.13608.

4 Stuk 30 getiteld ‘Strafrechtelijke contextinformatie’.

5 Eiser verwijst in dit verband naar het formulier externe bijzonderheden (HV21) en de Eurodac gegevens, die zich in het dossier bevinden.

6 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.

7 Verordening (EU) Nr. 604/2013.

8 Zie het informatiebericht 2017/57 Afdoening van Dublinzaken (spoor 1) Georgiërs in spoor 2. Deze handelwijze wordt ook toegepast bij enkele Balkanlanden (de ‘Balkanregeling’).

9 Kamerbrief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, met als kernmerk 3910291.

10 Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

11 Van 15 juli 2022.

12 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:3483, rechtsoverweging 6.1.

13 Als bedoeld in paragraaf A5/6.10 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

14 Dienst Terugkeer en Vertrek.

15 ECLI:NL:RVS:2022:1125.