Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2022
Datum publicatie
25-07-2022
Zaaknummer
NL22.12820
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring art. 59a lid 1 Vw. Overdrachtsbesluit staat in rechte vast. Zware grond 3g en lichte grond 4d betwist. Lichter middel. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.12820


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. E. Stap),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).


Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw1 opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming verleend het beroep schriftelijk te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek op 15 juli 2022 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en van Somalische nationaliteit te zijn.

2. Eiser voert allereerst aan dat het claimakkoord onrechtmatig is. Eiser dient niet aan Frankrijk, maar aan Zweden te worden overgedragen, nu hij daar eerst asiel heeft aangevraagd.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de verplichting heeft om Nederland te verlaten op basis van het overdrachtsbesluit van 29 april 2022. Dit overdrachtsbesluit staat in rechte vast. De rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit ligt in deze procedure verder niet ter toetsing voor. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb2, als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser betwist de zware grond 3g en de lichte grond 4d. Eiser stelt dat zware grond 3g niet aan hem kan worden tegengeworpen, omdat het dossier geen bevestiging van de Koninklijke Marechaussee bevat van de stelling dat eiser in het Nederlands rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten.

6. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Eiser heeft alleen de zware grond 3g en de lichte grond 4d betwist. Dit brengt met zich mee dat hoe dan ook voldoende gronden aanwezig waren om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.3 Ten aanzien van zware grond 3g is in het verweerschrift voldoende toegelicht dat het door eiser overgelegde paspoort door de Koninklijke Marechaussee vals is bevonden. Daarbij verwijst verweerder naar twee processen-verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 27 november 2021. Deze documenten bevinden zich in het dossier. Ten aanzien van lichte grond 4d geldt dat, anders dan eiser aanvoert, het leefgeld van het COa4 niet is aan te merken als voldoende zelfstandige middelen van bestaan.5 Eiser heeft verder expliciet verklaard dat hij zijn spaargeld niet zal gebruiken voor terugkeer naar Frankrijk.6 Bovendien heeft eiser dit bedrag gespaard van het wekelijkse leefgeld van het COa. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft in het vertrekgesprek verklaard dat hij wil terugkeren, omdat hij de bewaring vreselijk vindt. Een lichter middel volstaat dan ook vanaf die datum.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarnaast heeft verweerder zowel in de maatregel van bewaring als het verweerschrift voldoende gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk is. Eiser is na zijn vertrek uit Somalië in september 2015 op illegale wijze via de landen Ethiopië, Soedan, Libië, Italië, Duitsland, Zweden en Frankrijk naar Nederland gereisd. Hij is vervolgens op 27 november 2021 bij een illegale uitreispoging van Nederland naar Engeland aangehouden met een vervalst paspoort. Hieruit heeft verweerder kunnen afleiden dat eiser er niet voor schroomt om zonder toestemming te reizen tussen verschillende Europese landen, terwijl hij niet in het bezit is van de juiste en geldige documenten. Daarnaast is eiser in de gelegenheid gesteld om zelfstandig naar Frankrijk te gaan, maar heeft hij hier niet aan voldaan. Gezien de combinatie van eisers gedrag en eerdere verklaringen, heeft verweerder de enkele stelling dat eiser nu wel wil terugkeren onvoldoende kunnen achten om het significante risico op onttrekking aan het toezicht weg te nemen. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Vreemdelingenbesluit 2000.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.

4 Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

5 Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2992.

6 Proces-verbaal van gehoor (artikel 59, 59a of 59b, 62a of 66a VW), p. 5.