Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7209

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2022
Datum publicatie
21-07-2022
Zaaknummer
C/09/630616 / KG ZA 22-514
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering verbod uitlevering Israël afgewezen. Beginsel van berechting binnen redelijke termijn. Gezondheidstoestand en persoonlijke omstandigheden eiser. Facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/630616 / KG ZA 22-514

Vonnis in kort geding van 7 juli 2022

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. L.M. Ravestijn te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer speciaal de Minister van Justitie, te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties.

1.2.

Op 23 juni 2022 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. Ter zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij verzoek van 29 juni 2020 hebben de Israëlische autoriteiten gevraagd om de uitlevering van [eiser] met het oog op vervolging voor betrokkenheid bij de invoer in Israël van hoeveelheden MDMA in december 2015 en juli 2016 en deelneming aan een criminele organisatie. Drie medeverdachten van [eiser] zijn voor deze feiten in Israël in 2016 en 2017 veroordeeld tot gevangenisstraffen van 24 tot 36 maanden.

2.2.

Bij uitspraak van 27 oktober 2021 heeft de rechtbank Amsterdam de uitlevering van [eiser] toegestaan. In deze uitspraak is, voor zover nu relevant, het verweer van [eiser] ten aanzien van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), meer in het bijzonder van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, gemotiveerd verworpen.

2.3.

Bij advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) van 27 oktober 2021 als bedoeld in artikel 30, lid 2, van de Uitleveringswet (hierna: Uw) heeft de rechtbank Amsterdam aandacht gevraagd voor de omstandigheid dat het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd zou hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied en dat van de zijde van [eiser] vraagtekens zijn geplaatst bij het feit dat [eiser] in Israël wordt vervolgd en niet in Nederland. De rechtbank geeft aan dat als dat verweer op enig moment nader wordt onderbouwd het mogelijk raakt aan de in artikel 7, eerste lid, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) opgenomen bevoegdheid (om uitlevering te weigeren voor een strafbaar feit dat op geheel of deels op het grondgebied van de aangezochte Staat heeft plaatsgevonden). Verder staat in het advies dat zijdens [eiser] is gewezen op zijn gezondheidsproblematiek en dat wanneer dit verweer op enig moment nader wordt onderbouwd, het mogelijk raakt aan de op grond van artikel 10 lid 2 Uw aan de Minister toekomende bevoegdheid (om uitlevering te weigeren als de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn in verband met zijn slechte gezondheidstoestand).

2.4.

[eiser] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2021 beroep in cassatie ingesteld. Dit cassatieberoep is bij arrest van 5 april 2022 verworpen. De Hoge Raad heeft daarbij als volgt geoordeeld:

“2.4 Het oordeel van de rechtbank houdt in dat de omstandigheid dat de opgeëiste persoon sinds 15 of 16 november 2016 in afwachting is geweest van de voortzetting van de strafvervolging door de Israëlische justitiële autoriteiten, niet leidt tot de vaststelling dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM. Hierin ligt besloten dat naar het oordeel van de rechtbank dit tijdsverloop, voor zover dat al zou kunnen leiden tot de vaststelling van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, niet met zich brengt dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM en/of artikel 14 lid 1 IVBPR, in de zin van “a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”. Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn, ook in het licht van wat namens de opgeëiste persoon naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk. Dat betekent overigens dat de rechtbank ook niet heeft hoeven te beoordelen of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, IVBPR ter beschikking staat.”

2.5.

Bij brief van 14 april 2022 heeft de Minister als volgt bericht aan de Israëlische autoriteiten:

“(…)

In the decision of the district court in Amsterdam of 27 October 2021, the court advised me to alert you of the fact that Mr. [eiser] suffers from diabetes, for which he needs to be continuously monitored. Additionally, Mr. [eiser] was recently diagnosed with an infection of his middle finger. Due to the infection, his finger had to be amputated. Mr. [eiser] still requires a number of specialist treatments in order to ensure that his remaining fingers will grow straight.

Therefore, I would like to request the Israeli authorities to please confirm that Mr. [eiser] will be able to receive medical treatment whilst in detention for the above mentioned medical conditions.

(…)”

Op deze brief hebben de Israëlische autoriteiten bij brief van 3 mei 2022 gereageerd:

“(…)

The State of Israel is obligated to maintain the health of any person under the State’s custody and to provide him of her with any medical treatment necessitated by their condition.

This obligation is explicitly stated in Israel Prisons Ordinance (New Version), 5732-1971, which states that any inmate would be entitled to “any medical care required to maintain his health”.

Moreover, we forwarded your letter dated April 14, 2022 to the Israeli Prisons Service, which ensured us in response that the IPS is fully capable of providing the necessary treatment for [eiser] ’s medical condition as described in your letter. “

(…)”

2.6.

Bij beschikking van 25 mei 2022 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] toegestaan. Voorafgaand aan deze beschikking heeft [eiser] nog een zienswijze ingediend bij de Minister. In de beschikking is de Minister ingegaan op de verweren van [eiser] ten aanzien van een dreigende flagrante schending van de artikelen 6 en 13 EVRM, de gezondheidstoestand van [eiser] en de omstandigheid dat, volgens [eiser] , vervolging in Nederland meer voor de hand zou liggen, hetgeen op grond van artikel 7 lid 1 EUV tot weigering van de uitlevering zou moeten leiden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – de Staat op straffe van een dwangsom te verbieden de bij beschikking van 25 mei 2022 toegestane uitlevering uit te (doen of laten) voeren, althans de Staat te bevelen al het nodige te doen en te communiceren met de bevoegde instanties om te bewerkstelligen dat [eiser] niet wordt/kan worden uitgeleverd aan Israël, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Door de uitlevering toe te staan en te bewerkstelligen maakt de Minister zich schuldig aan een onrechtmatige (overheids)daad, omdat zij gezien de omstandigheden van het geval en de belangen van [eiser] die door de uitlevering worden geschaad, de uitlevering niet zou moeten toestaan. De Minister heeft in de beschikking van 25 mei 2022 de bezwaren van [eiser] – die hij in zijn zienswijze nogmaals aan de orde heeft gesteld – onvoldoende (gemotiveerd) weerlegd. Die zienswijze dient echter te leiden tot de conclusie dat niet tot uitlevering moet worden overgegaan, omdat (i) sprake is van schending van het beginsel van berechting binnen een redelijke termijn, (ii) de gezondheidstoestand van [eiser] een weigeringsgrond oplevert en (iii) de Minister te makkelijk over de suggestie van de rechtbank is heengestapt om aandacht te geven aan de weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Op grond van de Uitleveringswet (Uw) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.2.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277).

4.3.

De hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016, 14).

4.4.

Op de verhouding met Israël is het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing, waar zowel Nederland als Israël partij bij zijn. Van een verdragsrechtelijke verplichting van de Staat tot uitlevering kan slechts worden afgezien indien deze zal leiden tot een schending door de Israëlische autoriteiten van door het EVRM gewaarborgde rechten en vaststaat dat [eiser] in Israël niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van een dergelijke schending. Bij die beoordeling is van belang dat in de gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Hoewel Israël niet bij het EVRM is aangesloten zijn, geldt dit uitgangspunt ook ten aanzien van Israël, omdat Israël wel tot het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) is toegetreden.

Schending van beginsel van berechting binnen een redelijke termijn

4.5.

[eiser] beroept zich op schending van artikel 6 EVRM en stelt dat zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn wordt geschonden als hij wordt uitgeleverd aan Israël en dat er voor hem ook geen beroep op artikel 13 EVRM openstaat.

4.6.

Ten aanzien van een beroep op schending van artikel 6 EVRM geldt, zoals ook reeds door de rechtbank Amsterdam is overwogen, dat bij een uitleveringsverzoek dat, zoals hier, is gebaseerd op het EUV in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (zie HIR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). De verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet slechts wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. (zie HR 11 maart 2003, ECLI:NL:RH:2003:AF3312). Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico op van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM, dat moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering tot strafvervolging, er moet sprake zijn van een “flagrant denial of justice” (EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909).

4.7.

De uitleveringsrechter heeft al in twee instanties (rechtbank Amsterdam en Hoge Raad) geoordeeld over het beroep van [eiser] op artikel 6 EVRM. Zoals de Staat terecht stelt beroept [eiser] zich in dit kort geding slechts op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter al, in twee instanties, heeft geoordeeld. [eiser] legt niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal aan zijn beroep op artikel 6 EVRM ten grondslag. Gelet hierop, gezien het onder 4.3 weergegeven toetsingskader, zal daarom aan het beroep van [eiser] op schending van artikel 6 EVRM voorbij worden gegaan.

Gezondheidstoestand / persoonlijke omstandigheden van [eiser]

4.8.

De Minister heeft naar aanleiding van het advies van de rechtbank van 27 oktober 2021 de Israëlische autoriteiten gevraagd te bevestigen dat [eiser] de voor zijn situatie benodigde medische zorg zal krijgen na uitlevering. Dit hebben de Israëlische autoriteiten bevestigd (zie hetgeen onder 2.5 is weergegeven). De Minister heeft in de beschikking van 25 mei 2022 verwezen naar deze nadere informatie van de Israëlische autoriteiten. Voor zover nu relevant staat het volgende vermeld in de beschikking van de Minister over de gezondheidstoestand van [eiser] :

“4.12 Naar aanleiding van het advies van de rechtbank en de zienswijze van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft de Minister voor het nemen van een zorgvuldige beslissing het noodzakelijk geacht om aan de Israëlische autoriteiten te verzoeken om te bevestigen dat de opgeëiste persoon toegang zal hebben tot de benodigde medische zorg tijdens zijn detentie in Israël. De Israëlische autoriteiten hebben bij brief van 3 mei 2022 bevestigd dat Israël op grond van haar nationale wetgeving verplicht is om de gezondheid van eenieder die gedetineerd is in stand te houden en hem of haar elke medische behandeling te geven die noodzakelijk is. Daarnaast heeft Israël de garantie gegeven dat de voor de opgeëiste persoon vereiste medische zorg kan worden verleend.

4.13

Israël is een modern en ontwikkeld land. De Minister ziet geen reden om niet te vertrouwen op de gegeven garantie. Er dient van te worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon de benodigde zorg zal worden geboden.”

4.9.

[eiser] stelt dat hij geen concrete toezegging van de Israëlische autoriteiten heeft gezien of afschrift van de brief waaruit blijkt dat zijn specifieke (medische) situatie met de Israëlische autoriteiten is besproken en dat concrete toezeggingen zijn gedaan. De vermelding in de beschikking van de Minister acht hij onvoldoende om te (kunnen) concluderen dat in de gezondheidstoestand van [eiser] geen weigeringsgrond tot uitlevering schuilt en volgens hem in de beschikking in zoverre onvoldoende onderbouwd/zorgvuldig.

4.10.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in dit betoog. De Minister heeft navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten en heeft op grond van concrete toezeggingen – die ingaan op de specifieke situatie van [eiser] – kunnen oordelen dat de gezondheidstoestand van [eiser] geen beletsel voor uitlevering vormt. De Staat heeft een kopie van de desbetreffende brief van de Israelische autoriteiten van 3 mei 2022 overgelegd bij conclusie van antwoord. [eiser] heeft ook op geen enkele wijze gesteld dat en waarom hij – ondanks deze garantie – in Israël niet de benodigde medische zorg zou (kunnen) krijgen. De gezondheidstoestand van [eiser] staat hiermee niet aan uitlevering in de weg.

4.11.

Voor het eerst ter zitting heeft [eiser] nog een beroep gedaan op andere persoonlijke omstandigheden. Zo heeft hij gesteld dat hij samen met zijn ex-partner de zorg over zijn twee kinderen (van 19 en 11 jaar) heeft en dat zij – en specifiek het minderjarige kind – een band met hun vader op moeten kunnen bouwen en behouden. Daarnaast woont [eiser] al sinds de jaren ’80 in Nederland, verzorgt hij zijn tachtigjarige moeder en wonen zijn vader, broers en zussen ook in Nederland. De enige band die hij nog met Israël heeft is dat hij er geboren is en dat hij er een halfzus heeft. In Nederland heeft [eiser] een stabiel leven en een baan in loondienst. Bij de beoordeling van zijn persoonlijke omstandigheden moet ook worden betrokken dat [eiser] vreest dat de Israëlische autoriteiten zijn uitlevering vooral willen om hem onder druk te kunnen zetten om belastende verklaringen over derden af te leggen. Hierdoor is voor [eiser] onduidelijk wat er na uitlevering gaat gebeuren en hoe lang dit allemaal zal duren.

4.12.

Ten aanzien van al deze persoonlijke omstandigheden geldt dat deze tardief – namelijk voor het eerst ter zitting – zijn aangevoerd en reeds daarom niet tot toewijzing van het gevorderde kunnen leiden. Overigens leidt ook een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet tot toewijzing van het gevorderde. De gevolgen voor het persoonlijke leven van [eiser] (namelijk dat de zorg voor zijn kinderen na uitlevering volledig op de moeder van die kinderen terecht zal komen, dat [eiser] minder contact met zijn kinderen en familie zal hebben en dat hij terecht komt in Israël, met welk land hij nog maar een zeer beperkte band heeft) zijn inherent aan uitlevering en niet van dien aard dat deze aan de uitlevering in de weg staan. Zoals de Staat hierover terecht stelt wordt de door de uitlevering veroorzaakte inbreuk op het recht op gezinsleven van artikel 8 EVRM gerechtvaardigd door de verdenking van strafbare feiten en de uitleveringsverplichting die op Nederland rust. De inbreuk op het gezinsleven is op grond van de stellingen van [eiser] niet als disproportioneel aan te merken. De stelling van [eiser] over zijn vrees dat uitlevering voor een ander doel wordt gevraagd is op geen enkele wijze geconcretiseerd en blijkt verder nergens uit. Ook die stelling staat derhalve niet aan de uitlevering in de weg.

Weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV

4.13.

Op grond van artikel 7 lid 1 EUV kán een uitlevering worden geweigerd voor een strafbaar feit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd. Dit betreft een zogenaamde facultatieve weigeringsgrond. De rechtbank Amsterdam heeft in het advies van 27 oktober 2022 aandacht besteed aan deze mogelijkheid. De Minister heeft in de beschikking van 25 mei 2022 overwogen dat zij geen gebruik zal maken van de bevoegdheid om uitlevering te weigeren. Daartoe heeft zij als volgt overwogen:

“4.15 De Minister zal geen gebruik maken van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, EUV. Die beslissing wordt als volgt toegelicht. Ten eerste geldt dat de Israëlische autoriteiten ervoor hebben gekozen om uitlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken en niet, bijvoorbeeld, overdracht van strafvervolging hebben voorgesteld. Dat betekent dat Israël meent sterkere aanspraken op vervolging te hebben dan Nederland. Die beoordeling dient, mede gelet op de uitleveringsverplichting van artikel 1 EUV, te worden gerespecteerd.

4.16

Ten tweede geldt dat de beslissing om geen gebruik te maken van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, EUV uit hoofde van de goede rechtsbedeling geen evident onredelijke of onbegrijpelijke beslissing is (Vzr. rechtbank 's-Gravenhage 19 december 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4647, r.o. 3.3).

4.17

Ten derde heeft het OM gemotiveerd af te zien van vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland. Uit het uitleveringsverzoek van Israël blijkt dat het strafrechtelijk onderzoek sinds 2016 in Israël loopt. De bewijsmiddelen bevinden zich derhalve ook grotendeels in Israël en de medeverdachten worden daar vervolgd. Verder wijst de Minister erop dat de verdovende middelen bestemd waren voor de Israëlische markt. Er zijn om die redenen voldoende aanknopingspunten voor de Israëlische autoriteiten om deze vervolging in te stellen, naast het feit dat zij ook rechtsmacht hebben.”

4.14.

Volgens [eiser] is de Minister te makkelijk over de suggestie van de rechtbank Amsterdam heengestapt om aandacht te geven aan de weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV. Er wordt zonder meer aangenomen dat Israël sterkere aanspraken op vervolging heeft, terwijl aldaar allerminst voortvarend met de zaak is omgegaan. Verder stelt [eiser] dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) zich te lijdelijk opstelt en geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden van vervolging in Nederland. Het OM leidt alleen uit het handelen van Israël af dat vervolging in Nederland niet opportuun zou zijn en dat Israël betere / sterkere aanspraken op vervolging zou hebben. Voor het eerst ter zitting heeft [eiser] aan deze stellingen nog toegevoegd dat er in Nederland een groot onderzoek is geweest naar het handelen van [eiser] en dat dit onderzoek ook gericht is geweest op het binnen of buiten Nederland brengen van verdovende middelen – dat is ook waar het onderzoek in Israël over gaat. Dat het onderzoek in Israël is aangevangen en dat de bewijsmiddelen zich (grotendeels) daar bevinden, wordt dus tegengesproken door het uitgebreide onderzoek van het OM. [eiser] is in Nederland ook al vervolgd voor de feiten waarvoor hij nu uitgeleverd zou moeten worden aan Israël. Weliswaar is [eiser] alleen gedagvaard en veroordeeld voor het in bezit hebben van middelen in strijd met de Opiumwet en niet voor het binnen of buiten Nederland brengen daarvan – en is dus volgens [eiser] geen sprake van schending van het beginsel van ne bis in idem –, maar die handel was in eerste instantie wel ook de verdenking en daarop is ook gerechercheerd in Nederland.

4.15.

Ook deze stellingen baten [eiser] niet. Artikel 7 lid 1 EUV betreft een facultatieve weigeringsgrond en laat aan de Minister een eigen beoordelingsvrijheid om op deze grond wel of niet de uitlevering te weigeren. Bij die beoordeling komt de Minister een grote mate van vrijheid toe en de beslissing van de Minister kan door de voorzieningenrechter op dit punt slechts marginaal getoetst worden. De vraag is of de Minister bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit kon komen. Dat is het geval. [eiser] wordt verdacht van betrokkenheid bij de invoer in Israël van hoeveelheden MDMA. Er is in Israël al een strafrechtelijk onderzoek geweest, zijn medeverdachten zijn al veroordeeld in Israël en de nadelige gevolgen van het strafbare feit waarvan [eiser] wordt verdacht zijn het meest voelbaar in de Israëlische maatschappij. Gelet op dit alles is de beslissing uit hoofde van een goede rechtsbedeling niet evident onredelijk of onbegrijpelijk.

4.16.

Dit wordt niet anders door de stellingen van [eiser] dat ook het OM onderzoek heeft verricht naar de strafbare feiten waarvan hij nu wordt verdacht. De Staat betwist dat het Nederlandse onderzoek dezelfde feiten betreft en [eiser] heeft zijn stelling op dit punt niet voldoende onderbouwd. Wat daar verder ook van zij, vaststaat dat [eiser] voor de strafbare feiten waarvan hij door Israël wordt verdacht, niet is gedagvaard en de stellingen van [eiser] zijn onvoldoende om aan te nemen dat een situatie als bedoeld in artikel 9 lid 1, tweede volzin, EUV aan de orde is (hetgeen overigens ook slechts een facultatieve weigeringsgrond op zou leveren). Bij die stand van zaken staat het de Israëlische autoriteiten vrij [eiser] (alsnog) te vervolgen en de beslissing van de Minister om in verband daarmee aan uitlevering mee te werken en geen gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 7 lid 1 EUV is niet als evident onrechtmatig aan te merken.

4.17.

Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat begrijpelijk is dat [eiser] gezien zijn persoonlijke situatie er de voorkeur aan geeft dat hij in Nederland wordt vervolgd. Dat maakt echter niet dat het onredelijk is dat de Minister geen gebruik heeft gemaakt van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV. Het is immers niet aan een verdachte om te bepalen voor welke rechter hij komt te staan en de persoonlijke omstandigheden waar [eiser] in dit kort geding aandacht voor heeft gevraagd zijn niet van dien aard dat de Minister in redelijkheid niet tot de beslissing heeft kunnen komen.

Slotsom en proceskosten

4.18.

Slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.692,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 676,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2022.

idt