Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7175

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
NL22.5263
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit en zwaar inreisverbod; verblijfsrecht in andere EU-lidstaat; artikel 25 Schengenuitvoeringsovereenkomst.

Verweerder heeft een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd wegens daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Verweerder heeft daarbij bepaald dat eiser zal worden gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem. Verweerder heeft op 1 maart 2022 de overlegprocedure gestart met de Spaanse autoriteiten en op dezelfde datum bericht gekregen dat het verblijfsrecht van eiser in Spanje niet wordt ingetrokken. Verweerder heeft het bestreden besluit, gedateerd op 1 maart 2022, op 9 maart 2022 uitgereikt aan eiser. De rechtbank oordeelt dat verweerder eiser op dat moment uitsluitend nog had kunnen plaatsen op de nationale signaleringslijst, gelet op de uitleg van het Hof van Justitie en de Afdeling van artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.5263


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedatum]

van Ecuadoraanse nationaliteit

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A. Wildeboer).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2022 (het bestreden besluit), aan eiser uitgereikt op 9 maart 2022, heeft verweerder besloten dat eiser Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland moet verlaten. Tevens heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juni 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van het volgende.

1.1.

Eiser is op 12 november 2020 Nederland ingereisd. Op 1 maart 2021 is eiser door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden wegens het op 12 november 2020 opzettelijk invoeren van bijna vier kilogram cocaïne.

1.2.

Op 6 april 2022 heeft eiser Nederland zelfstandig verlaten en is hij teruggekeerd naar Ecuador.

1.3.

Eiser was bij inreis in Nederland op 12 november 2020 in het bezit van een geldig Ecuadoraans paspoort. Daarnaast was eiser in het bezit van een verblijfsdocument voor België voor verblijf als familielid van een EU-burger, geldig van 31 januari 2019 tot 7 november 2023, alsmede een verblijfsdocument voor Spanje voor verblijf als familielid van een EU-burger, geldig tot 13 april 2024.

1.4.

Eiser heeft samen met zijn ex-partner een zoon met de Spaanse nationaliteit, geboren in België op [geboortedatum 1] Volgens eiser is zijn ex-partner na het verbreken van de relatie in 2019 samen met de zoon in Spanje gaan wonen.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit bepaald dat eiser Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland direct dient te verlaten, omdat hij een daadwerkelijk en actueel gevaar is voor de openbare orde. Verweerder heeft hierbij de aard en ernst van het door eiser gepleegde misdrijf, het tijdsverloop sinds het plegen van het misdrijf en de evenredigheid van de maatregel in aanmerking genomen. In het bestreden besluit heeft verweerder tevens een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om wegens humanitaire redenen af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Verweerder heeft evenmin aanleiding gezien om de duur van het inreisverbod te verkorten, omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Volgens verweerder is het inreisverbod niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).

3. Op 1 maart 2022 heeft verweerder per e-mail een EURESCRIM formulier verzonden aan de Belgische en Spaanse autoriteiten. Op 1 maart 2022 hebben de Spaanse autoriteiten verweerder laten weten dat het verblijfsrecht van eiser niet wordt ingetrokken. De Belgische autoriteiten hebben verweerder op 22 maart 2022 bericht dat eiser geen verblijfsrecht meer heeft in België.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld. De rechtbank zal hieronder ingaan op de gronden van het beroep.

Terugkeerbesluit

5. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit, en daarmee het inreisverbod, onrechtmatig is. Eiser heeft een verblijfsrecht in België en Spanje. Daarom had verweerder op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn 2018/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) eiser eerst moeten aanzeggen om zich onmiddellijk naar het Belgische of Spaanse grondgebied te begeven, alvorens hij een terugkeerbesluit kon opleggen. Eiser vormt bovendien geen daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Het feit dat eiser sinds zijn aanhouding gedetineerd zit, mag niet aan hem worden tegengeworpen. Eiser vertoont goed gedrag binnen de PI.

5.1.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw, wordt de vreemdeling die in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Als dit bevel niet wordt nageleefd of als om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet onterecht op het standpunt gesteld dat onmiddellijk vertrek van eiser op grond van de openbare orde is vereist. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser gelet op zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving vormt. Verweerder heeft daarbij van groot belang mogen achten dat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstaf van 34 maanden wegens opzettelijk invoeren van bijna vier kilogram cocaïne. Eiser heeft zijn stelling dat zijn detentie niet aan hem mag worden tegengeworpen omdat hij goed gedrag vertoont in de PI niet nader toegelicht of met documenten onderbouwd. Het enkele feit dat eiser tijdens detentie goed gedrag zou vertonen, is bovendien naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat zijn gedrag niet kan worden aangemerkt als een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Gelet hierop heeft verweerder eiser niet eerst hoeven aanzeggen om zich naar België of Spanje te begeven, maar heeft hij een terugkeerbesluit mogen opleggen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Inreisverbod

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder geen inreisverbod kon opleggen zonder het starten van een overlegprocedure met de Belgische en Spaanse autoriteiten. Als deze aangeven dat de verblijfsvergunning van eiser niet wordt ingetrokken, moet het inreisverbod worden omgezet in een nationale signalering. Eiser vindt bovendien dat hij geen daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Eiser is voorts van mening dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM), aangezien eiser sterke banden heeft met Europa en zijn zoon en meeste familieleden in Europa wonen.

6.1.

De rechtbank heeft in 5.1. al geoordeeld dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser gelet op zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende

ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving vormt.

6.2.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari

2018, ECLI:NL:RVS:2018:272, volgt dat indien een derdelander in het bezit is van een door

een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning, dit niet in de weg staat aan het

opleggen van een inreisverbod. Over de werkwijze bij de signalering van inreisverboden in

het geval een vreemdeling een verblijfstatus heeft in een andere lidstaat, heeft het Europees

Hof van Justitie (het Hof) in haar arrest van 16 januari 2018, nr. C 240/17, uitleg gegeven.

Het Hof heeft overwogen dat het doel van artikel 25, tweede lid, van de

Schengenuitvoeringsovereenkomst is ‘het voorkomen van een tegenstrijdige situatie waarin

een derdelander enerzijds beschikt over een door een overeenkomstsluitende staat afgegeven

geldige verblijfstitel en anderzijds ter fine van verwijdering van toegang gesignaleerd staat

in het Schengeninformatiesysteem’. Tussen de betreffende lidstaten dient op grond van dit

artikel een overlegprocedure plaats te vinden. Uit punt 58 van het arrest volgt dat als de

lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven besluit om deze niet in te trekken, de andere

lidstaat de signalering moet intrekken en deze – indien nodig – moet omzetten naar een

signalering op zijn nationale lijst.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 1 maart 2022 de overlegprocedure is gestart met de Belgische en Spaanse autoriteiten. Op 1 maart 2022 hebben de Spaanse autoriteiten verweerder laten weten dat het verblijfsrecht van eiser niet wordt ingetrokken. Ondanks dit bericht heeft verweerder het bestreden besluit op 9 maart 2022 aan eiser bekendgemaakt door het in persoon uit te reiken, terwijl het besluit vermeldt dat eiser wordt gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem. Gelet op de onder 6.1 vermelde uitleg van artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst had verweerder eiser naar het oordeel van de rechtbank echter uitsluitend op de nationale signaleringslijst kunnen plaatsen. Immers, ten tijde van de bekendmaking van het bestreden besluit was verweerder reeds op de hoogte van het feit dat eiser een verblijfsrecht had in Spanje en dat de Spaanse autoriteiten dit verblijfsrecht niet zouden intrekken. Verweerder heeft eerst in het verweerschrift aangegeven dat eiser enkel nog in de nationale signaleringslijst wordt opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daardoor gehandeld in strijd met artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en de uitleg van het Hof.

6.4.

De beroepsgronden van eiser die zien op strijd met artikel 8 van het EVRM hoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer. Er is immers uitsluitend nog sprake van een nationale signalering. Gesteld noch gebleken is dat het opnemen van eiser in de nationale signaleringslijst in strijd is met artikel 8 van het EVRM, terwijl eiser voor het overige niet beperkt wordt om Europa in te reizen en zijn familie te bezoeken.

7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een (Europees) inreisverbod is opgelegd en eiser is opgenomen in het Schengen Informatie Systeem. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen, waarin verweerder expliciet vermeldt dat eiser uitsluitend gesignaleerd wordt op de nationale signaleringslijst. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2.0 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij eiser een (Europees) inreisverbod is opgelegd en eiser is opgenomen in het Schengen Informatie Systeem;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.