Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7157

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2022
Datum publicatie
04-08-2022
Zaaknummer
AWB - 22 _ 3331
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, besluit tot de plaatsing van de traplift in het trappenhuis is geschorst. Er dient nog nader onderzocht te worden of aan de brandveiligheidseisen wordt voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 22/3708

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2022 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

de Koninklijke Haagse Woningbouwvereniging van 1854, te Den Haag,

verzoekster (hierna: de woningbouwvereniging)

(gemachtigde: mr. J.E. Hamann),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk,

verweerder (hierna: het college)

(gemachtigde: mr. M. Drazenovic).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[derde-partij] (hierna: [derde-partij]).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2022 (primair besluit) is aan [derde-partij] een voorziening voor woningaanpassing in de vorm van een traplift toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

Het daartegen door de woningbouwvereniging gemaakte bezwaar is bij het besluit van

17 juni 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De woningbouwvereniging heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (SGR 22/3707) en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is ter zitting behandeld op 5 juli 2022. De woningbouwvereniging is verschenen, vertegenwoordigd door [A] (directeur van verzoekster), [B] (medewerker verhuur woningen bij verzoekster) en de gemachtigde van verzoekster (voornoemd). Het college is verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde (voornoemd) en R.J. Seckelmann (kwaliteitsmedewerker Wmo). Namens [derde-partij] was ter zitting aanwezig haar echtgenoot, [D].

Bij de sluiting van het onderzoek heeft de voorzieningenrechter meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen en dat het dictum op 6 juli 2022 telefonisch zou worden meegedeeld, hetgeen is gebeurd.

Overwegingen

1. Het college heeft bij het primaire besluit een woonvoorziening in de vorm van een traplift aan [derde-partij] toegekend. [derde-partij] en haar echtgenoot wonen gedurende 30 jaar als huurders op de eerste verdieping van het appartementencomplex, waarvan de woningbouwvereniging eigenaar en verhuurder is. [derde-partij] kampt sinds ongeveer 2020 met een progressieve hersenaandoening en als gevolg daarvan met mobiliteitsproblemen. Zij loopt met een rollator. Het complex bestaat uit 60 woningen en heeft twee vleugels. Er is een trappenhuis in de centrale hal en aan de uiteinden van beide vleugels is een trappenhuis. Beoogd is de traplift aan te brengen in het gemeenschappelijke trappenhuis dat direct naast de door [derde-partij] gehuurde woning ligt, aan één van de kopse kanten van het gebouw.

2. Het door de woningbouwvereniging tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is door verweerder bij het bestreden ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het verstrekken van een woonvoorziening noodzakelijk is, omdat [derde-partij] vanwege haar gezondheidssituatie problemen ondervindt in het normale gebruik (de toegankelijkheid) van haar woning. Het plaatsen van een traplift in het trappenhuis direct naast de woning van [derde-partij] is de goedkoopste maatwerkvoorziening. Deze optie is ook het meest geschikt, omdat de route naar de uitgang en de garage van [derde-partij] het kortst is en de minste obstakels bevat. Er wordt voldaan aan de eisen die het Bouwbesluit 2012 (hierna: Bouwbesluit) stelt. Het college mag op grond van artikel 2.3.7 van de Wmo de traplift plaatsen zonder medewerking van de woningbouwvereniging.

3. De woningbouwvereniging voert daartegen aan dat beide trappenhuizen aan de kopse kanten van het gebouw als vluchtroutes voor de bewoners dienen. Indien bij calamiteiten de doorgang bij de hoofdingang is geblokkeerd, moeten ongeveer 24 woningen gebruik (kunnen) maken van het trappenhuis waarin het college de traplift wil plaatsen. Het plaatsen van de traplift mag de (brand)veiligheid van [derde-partij] en de overige bewoners niet in gevaar brengen. Daarnaast zijn de natuurstenen tegels in dat trappenhuis van monumentale waarde en wil de woningbouwvereniging niet dat daarin geboord wordt. De woningbouwvereniging heeft als alternatieve oplossing aan het college voorgesteld om de route van de woning van [derde-partij] naar de hoofdingang van het complex zodanig aan te passen (met onder meer een plateaulift, drempels en automatische deuropeners) dat deze met een rolstoel en/of rollator toegankelijk wordt. De Woningbouwvereniging is bereid aan dit plan mee te betalen en is bereid tot overleg. Hierbij zou dan ook de garagebox van [derde-partij] kunnen worden omgeruild, zodanig dat zij en haar echtgenoot een box naast de hoofdingang krijgen. Het college staat echter niet open voor overleg.

4. De woningbouwvereniging heeft ter onderbouwing van haar standpunt onder meer een rapport van MoBius Consult B.V. van 28 juni 2022 overgelegd. In dit rapport wordt geconcludeerd dat door het plaatsen van de traplift in het noodtrappenhuis het veiligheidsniveau met betrekking tot de vluchtveiligheid van alle bewoners in het wooncomplex negatief wordt beïnvloed, onder meer omdat:

- er een obstakel ontstaat op de vluchtroute;

- de trapbreedte door de lift wordt versmald, waardoor niet meer wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit;

- niet kan worden gegarandeerd dat de stoel van de traplift nooit in uitgeklapte stand staat;

- het risico bestaat op struikelen over de lift indien de noodverlichting bij stroomuitval niet werkt;

- de trapleuning door de rails slecht bereikbaar wordt.

MoBius adviseert alternatieve oplossingen te onderzoeken.

5. De voorzieningenrechter stelt voorop - en tussen partijen is niet in geschil - dat de woningbouwvereniging als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt bij het bestreden besluit. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2716) volgt dat een woningbouwvereniging als eigenaar en verhuurder een rechtstreeks betrokken belang heeft bij de toekenning van een woonvoorziening bestaande uit het aanbrengen van een traplift in een gemeenschappelijk trapportaal. De woningbouwvereniging kan onder aanzegging van een last onder dwangsom/bestuursdwang, met toepassing van artikel 13 van de Woningwet, worden verplicht voorzieningen te treffen. Indien de woningbouwvereniging niet zou kunnen opkomen tegen de toekenning van de woonvoorziening als bedoeld in de Wmo, zou dit tot gevolg kunnen hebben dat zij gedwongen zou worden in strijd met een wettelijk voorschrift te handelen. Daarom wordt zij als belanghebbende in de onderhavige procedure aangemerkt.

6. Verder wordt aangenomen dat sprake is van het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang, nu het college kenbaar heeft gemaakt de traplift op 7 juli 2022 te willen plaatsen. Ter zitting is meegedeeld dat de voorgenomen plaatsing is verzet naar 11 juli 2022. Daaraan voorafgaand (op 29 juni 2022) heeft het college de woningbouwvereniging meegedeeld voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen indien de woningbouwvereniging geen medewerking verleent aan het plaatsen van de traplift.

7. Tussen partijen is in geschil of het trappenhuis waarin het college voornemens is de traplift te plaatsen, moet worden aangemerkt als noodtrappenhuis. De woningbouwvereniging stelt dat dit trappenhuis een noodtrappenhuis is. Het college betwist dat en stelt dat er door meerdere personen dagelijks gebruik wordt gemaakt van het trappenhuis. Ter zitting heeft het college het standpunt ingenomen dat dit trappenhuis als ‘extra beschermde vluchtroute’ moet worden aangemerkt. Wat hier ook van zij, vaststaat dat - zoals ter zitting onweersproken is gesteld - de bewoners van 24 (van de 60) woningen - waaronder [derde-partij] - gebruik moeten kunnen maken van dit trappenhuis indien de hoofdingang in geval van calamiteiten/nood geblokkeerd is. Voor hen is dat op dat moment de enige wijze om het gebouw te kunnen verlaten. Dat betekent dat zal moeten worden onderzocht wat het plaatsen van de traplift in het beoogde trappenhuis betekent voor het veiligheidsniveau.

8. Uit het onder 4 bedoelde rapport volgt dat het veiligheidsniveau door het plaatsen van de traplift negatief wordt beïnvloed. Het college heeft daartegen ter zitting aangevoerd het rapport van MoBius Consult B.V. niet als deskundigenrapport te beschouwen. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding dit rapport als niet relevant buiten beschouwing te laten. Er is voorshands geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van MoBius Consult B.V.; dit bedrijf adviseert volgens haar website onder meer over brandveiligheid (en daarnaast over bouwfysica, akoestiek, duurzaam bouwen en installatietechniek). Hoewel aan een rapport van een partijdeskundige niet hetzelfde gewicht toekomt als aan een rapport van een door de rechtbank benoemde deskundige, is er geen aanleiding om dit rapport als onpartijdig buiten beschouwing te laten. Het college heeft de gelegenheid gehad het rapport te bestrijden en heeft dit gedaan met een e-mailbericht van de Veiligheidsregio Haaglanden van 4 juli 2022. Dat bericht is onvoldoende om de conclusie van MoBius Consult B.V. over het veiligheidsniveau voorshands voor onjuist te houden, nu in die mail niet op alle door MoBius Consult B.V. genoemde aspecten (hiervoor onder 4 genoemd) wordt ingegaan. Dat betekent dat de conclusie dat het veiligheidsniveau in het trappenhuis negatief wordt beïnvloed, overeind blijft. Het veiligheidsaspect vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent. Dat onderzoek dient in de bodemprocedure plaats te vinden. Gelet daarop zal in deze procedure geen rechtmatigheidsoordeel worden gegeven, maar zal uitsluitend worden beoordeeld of gelet op de betrokken belangen het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen dan wel de bodemprocedure kan worden afgewacht.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van de woningbouwvereniging bij schorsing van het bestreden besluit vanwege de mogelijk negatieve gevolgen voor het veiligheidsniveau van de plaatsing van de traplift in het beoogde (nood)trappenhuis zwaarder weegt dan het belang van het college bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Daarbij is ook van belang dat ter zitting is gebleken dat [derde-partij] op dit moment in een verpleeghuis verblijft. Zij kon niet meer thuis wonen omdat haar echtgenoot, die haar verzorgde, plots geopereerd moest worden. Niet is zonder meer duidelijk of en per wanneer zij weer (volledig) thuis kan wonen. Ook daarnaar dient het college eerst nader onderzoek te doen.

10. Geconcludeerd wordt dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. Het bestreden besluit zal, gelet op artikel 8:85, tweede lid, van de Awb worden geschorst tot de uitspraak op het beroep. De bodemprocedure zal naar verwachting in september 2022 ter zitting worden behandeld. Het is van belang dat het college voorafgaand aan deze zitting met (medische) stukken duidelijkheid verschaft over de noodzaak van het aanbrengen van de traplift, nu onzeker is of [derde-partij] weer thuis komt wonen.

11. Verder geeft de voorzieningenrechter partijen nog in overweging om, zodra er duidelijkheid is over het onder 10 bedoelde punt, nader met elkaar te overleggen over een alternatieve oplossing, nu de woningbouwvereniging heeft aangeboden daarvoor open te staan en in de kosten daarvan te willen bijdragen. Partijen wordt aangeraden nader te bespreken of er een oplossing kan worden gevonden voor de ter zitting door de echtgenoot van [derde-partij] opgeworpen bezwaren tegen de door de woningbouwvereniging voorgestelde (onder 3 genoemde) oplossing.

12. Omdat het verzoek wordt toegewezen, zal het college worden veroordeeld tot vergoeding van de door de woningbouwvereniging gemaakte kosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt de woningbouwvereniging een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 759,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.518,-. Daarnaast dient het college het betaalde griffierecht aan de woningbouwvereniging te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;

  • -

    bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan de woningbouwvereniging

moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan de

woningbouwvereniging.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 juli 2022.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.