Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:7022

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2377
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet aangetoond dat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé is gereden. Geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. Verzuimboete is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 1-9-2022
V-N Vandaag 2022/2093
FutD 2022-2423
NLF 2022/1723
V-N 2022/49.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 21/2377

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

14 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Elbert),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 februari 2021 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser over het jaar 2018 opgelegde naheffingsaanslag Loonheffingen/ Bijdrage Zorgverzekeringswet en premies werknemersverzekeringen (de naheffingsaanslag) en de daarbij bij afzonderlijke beschikkingen opgelegde verzuimboete en berekende belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. [A] en mr. [B] .

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt de griffier op het door eiser teveel betaalde griffierecht van € 311 aan hem terug te

betalen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op verzoek van eiser bij beschikking van 13 november 2013 een ‘verklaring geen privé gebruik auto’ (verklaring geen privé gebruik) aan eiser afgegeven.

2. Eiser heeft in 2018 een auto met het kenteken [kentekennummer 1] (de auto) ter beschikking gesteld gekregen van zijn werkgever [B.V.] B.V. Over de waarde van deze auto is door de werkgever van eiser geen loonheffing ingehouden.

3. Bij brief van 10 januari 2019 heeft verweerder ter controle op de afgegeven verklaring geen privé gebruik eiser verzocht om over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een vragenformulier “Loonheffingen Geen privégebruik auto” in te vullen en, indien eiser daarover beschikt, een rittenregistratie te overleggen.

4. Met dagtekening 27 januari 2019 heeft eiser een ingevuld vragenformulier over het privégebruik van de auto met daarbij een rittenregistratie aan verweerder toegezonden (de eerste rittenregistratie).

5. Bij brief van 8 maart 2019 wordt eiser door verweerder in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren, omdat volgens verweerder de eerste rittenregistratie niet voldoet aan de wettelijke eisen. In reactie daarop heeft eiser onder meer de door de garage uitgedraaide sleutelhistorie en een uitdraai van het grootboek overgelegd.

6. Omdat niet alle gevraagde informatie is overgelegd, heeft verweerder eiser bij brief van 12 juli 2019 in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren. In reactie hierop heeft eiser een tankoverzicht overgelegd.

7. Bij brief van 21 augustus 2019 wordt eiser door verweerder nogmaals in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren, omdat verweerder meer informatie nodig heeft om de eerste rittenregistratie te kunnen beoordelen. In reactie hierop heeft eiser een uitgebreidere uitdraai van het grootboek overgelegd.

8. Bij brief van 17 oktober 2019 verzoekt verweerder eiser om een nadere toelichting, omdat het tankoverzicht niet aansluit bij de eerste rittenregistratie. Eiser heeft hierop bij brief van 1 november 2019 gereageerd.

9. Met dagtekening 21 november 2019 heeft verweerder een ‘Kennisgeving van naheffing en boete over het jaar 2018’ aan eiser gezonden. Nadat eiser hierop bij brief van

6 december 2019 heeft gereageerd, heeft verweerder met dagtekening 6 februari 2020 een ‘Mededeling naheffing en boete over het jaar 2018’ aan eiser gezonden.

10. Met dagtekening 10 maart 2020 is aan eiser de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 21.178. Daarbij is ook een verzuimboete opgelegd van € 5.278 en is bij beschikking tevens € 1.007 aan belastingrente in rekening gebracht.

11. In bezwaar heeft eiser een aangepaste rittenregistratie (de tweede rittenregistratie) overgelegd.

12. Bij uitspraak op bezwaar zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar is - voor zover van belang - met betrekking tot de verschillen tussen de eerste rittenregistratie, de tweede rittenregistratie en de sleutelhistorie het volgende opgenomen:

13. In geschil is of de naheffingsaanslag, de verzuimboete en de beschikking belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

14. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij aan zijn bewijslast heeft voldaan, omdat uit de tweede rittenregistratie blijkt dat hij niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto en subsidiair heeft hij aan zijn bewijslast voldaan door ander bewijs te leveren. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser in beroep onder meer e-mailcorrespondentie, een analyse van de vorige gemachtigde van eiser en kopieën van de agenda van eiser overgelegd. Eiser voert verder aan dat hij in privé de beschikking heeft over twee andere auto’s. Daarnaast is volgens eiser het vertrouwensbeginsel geschonden. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de verzuimboete te hoog is vastgesteld.

15. Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het pro forma beroep is ingesteld door [B.V.] B.V. en zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en subsidiair dient het beroep ongegrond te worden verklaard, omdat de naheffingsaanslag, de verzuimboete en de beschikking belastingrente terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Volgens verweerder heeft eiser niet voldaan aan zijn bewijslast dat er niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gereden. De rittenregistraties bevatten dermate veel onvolkomenheden en tekortkomingen dat deze niet als het van eiser verlangde bewijs kwalificeren. Daarnaast is geen sprake van opgewekt vertrouwen.

Ontvankelijkheid beroep

16. De rechtbank zal allereerst ingaan op het standpunt van verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet eiser maar [B.V.] B.V. beroep heeft ingesteld. Nu eiser ter zitting heeft verklaard dat hij bedoeld heeft namens zichzelf beroep in te stellen en dat het vermelden van [B.V.] B.V. een kennelijke verschrijving betreft, en gelet op de omstandigheid dat de met het pro forma beroepschrift meegestuurde uitspraak op bezwaar aan eiser zijn gericht en de naam van eiser vermeld is op het aanvullend beroepschrift, dient naar het oordeel van de rechtbank het ervoor te worden gehouden dat de gemachtigde van eiser het beroep heeft ingesteld namens eiser. In de omstandigheid dat in het pro forma beroepschrift en het aanvullend beroepschrift als (mede)indiener van het beroep [B.V.] B.V. is genoemd, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Artikel 13bis, elfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB)

17. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat de naheffingsaanslag en verzuimboete

op grond van artikel 13bis, elfde lid, van de Wet LB aan [B.V.] B.V., zijnde de inhoudingsplichtige, opgelegd hadden moeten worden, overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 13bis, elfde lid, van de Wet LB wordt de verschuldigde belasting nageheven van de werknemer indien de werknemer niet doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, tenzij de inhoudingsplichtige wist dat de van de inspecteur afkomstige verklaring geen privégebruik niet juist was. In dat geval wordt de verschuldigde belasting nageheven van de inhoudingsplichtige. Nog daargelaten dat uit het hierna overwogene volgt dat de verschuldigde belasting terecht is nageheven van eiser, is gesteld noch gebleken dat de inhoudingsplichtige wist dat de aan eiser verstrekte verklaring geen privé gebruik onjuist was. De stelling van eiser slaagt dan ook niet.

Privégebruik auto

18. Ingevolge artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB dient een voordeel in aanmerking te worden genomen wanneer een auto ook voor privédoeleinden aan een werknemer ter beschikking is geteld. Daarbij wordt een auto geacht voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op kalenderbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Het vierde lid van artikel 13bis van de Wet LB bepaalt dat als uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderbasis niet meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt er geen bijtelling plaatsvindt. Dit houdt in dat een bijtelling alleen achterwege blijft als eiser overtuigend kan aantonen dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Op eiser rust in deze aldus een verzwaarde bewijslast. Hiertoe kan een sluitende rittenregistratie worden bijgehouden. Het bewijs mag echter ook op een andere wijze worden geleverd1.

19. Op grond van artikel 13bis, zevende lid, van de Wet LB, in samenhang bezien met artikel 3.13 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (Uitvoeringsregeling), moet een rittenregistratie ten minste de volgende gegevens bevatten:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.

20. Eiser heeft ter zitting gesteld dat uitgegaan dient te worden van de tweede rittenregistratie. Deze rittenregistratie voldoet echter niet aan wat is bepaald in artikel 3.13, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling. Daarnaast wijkt de tweede rittenregistratie af van de eerste rittenregistratie, is ook de tweede rittenregistratie niet sluitend en heeft eiser de door verweerder geconstateerde verschillen als vermeld in overweging 12 niet betwist. In de tweede rittenregistratie is bovendien ongeveer 3.800 kilometer verantwoord met als omschrijving “omrijkilometers/lunch/werkbezoek/parkeren/diner/overnachtingen/broodje onderweg, parkeren”, terwijl de gereden routes en bezochte adressen voor deze extra kilometers niet zijn vermeld. Gelet op het voorgaande kan aan de tweede rittenregistratie niet de vereiste bewijskracht worden ontleend. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser dan ook niet geslaagd in de op hem rustende zware bewijslast om aan de hand van een rittenregistratie aan te tonen dat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé is gereden.

21. Eiser heeft met wat hij heeft aangevoerd en met de door hem in beroep overgelegde stukken ook anderszins niet doen blijken dat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé is gereden. Dat enkele stelling dat eiser ook twee andere auto’s tot zijn beschikking heeft, is onvoldoende. De aanwezigheid van andere vervoersmiddelen sluit immers niet uit dat (ook) met de onderhavige auto meer dan 500 kilometer per jaar in privé wordt gereden.

Vertrouwensbeginsel

22. Eiser stelt verder nog dat sprake is van opgewekt vertrouwen en verwijst in dat verband naar het in 2008 bij [B.V.] B.V. ingestelde boekenonderzoek. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij destijds zijn rittenadministratie heeft overgelegd en dat de controleambtenaar daar mondeling mee akkoord is gegaan.

23. De uitkomsten van voornoemd boekenonderzoek zijn neergelegd in een tot de gedingstukken behorend controlerapport van 6 oktober 2008 (het controlerapport). In het controlerapport is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“ 8. Privégebruik auto

8.1

Ander bewijs v.w.b. niet privé gebruiken van auto

De inhoudingsplichtige wil met betrekking tot één auto ander bewijs leveren v.w.b. het niet privé gebruiken van de auto. Dit betreft het volgende kenteken [kentekennummer 2] .

Op de volgende wijze kan de inhoudingsplichtige dit bewijs leveren:

De directeur de heer Rijnenberg houdt een kilometeradministratie bij.

8.2

Bijtelling inhoudingsplichtige

De inhoudingsplichtige past voor de volgende kentekens in 2007 een bijtelling van 22% van de cataloguswaarde van de auto toe bij het loon van de desbetreffende werknemer:

(…)”

24. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Nog daargelaten dat het boekenonderzoek betrekking had op [eiser] Holding B.V. en niet op eiser, kan uit het controlerapport niet worden afgeleid dat de rittenadministratie van eiser destijds akkoord is bevonden. In het controlerapport worden bovendien geen uitlatingen gedaan voor latere jaren. Eiser heeft verder geen andere stukken overgelegd die zijn stelling onderbouwen. Daar komt bij dat eiser in 2013 de verklaring geen privé gebruik heeft ontvangen, waarbij tevens uitleg is verstrekt over hoe een juiste rittenregistratie moet worden bijgehouden.

Conclusie

25. Nu eiser niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, is de rechtbank van oordeel dat er ten onrechte geen loonheffing is ingehouden en afgedragen op basis van het autokostenforfait2, de zogenaamde bijtelling. Dat brengt mee dat er te weinig loonheffing is betaald. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd.

Verzuimboete

26. Op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen. Nu uit het voorgaande volgt dat te weinig loonheffing is ingehouden en afgedragen, staat het betalingsverzuim vast. Verweerder heeft onder toepassing van paragraaf 24, vijfde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB), de boete bepaald op 100 procent van voormeld wettelijk maximum. Op grond van die bepaling legt verweerder in elk geval een verzuimboete op van 100 procent van het wettelijk maximum van artikel 67c Awr indien belanghebbende een onjuiste of onvolledige rittenregistratie heeft overgelegd. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft eiser geen sluitende rittenadministratie overgelegd. Daarvan uitgaande is de verzuimboete in overeenstemming met paragraaf 24, vijfde lid, van het BBBB vastgesteld.

27. Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat in gevallen waarin sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) of wanneer sprake is van een pleitbaar standpunt oplegging van de boete achterwege moet blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van avas. Uit het voorgaande volgt dat van opgewekt vertrouwen geen sprake is. Daar komt bij dat van iemand die gebruik maakt van een fiscaal gunstige regeling, mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de daaraan gekoppelde administratieve verplichtingen. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een pleitbaar standpunt. De rechtbank acht de opgelegde boete passend en geboden.

28. In de stukken van het geding en in het verweerschrift is door verweerder echter steeds vermeld dat de verzuimboete is gematigd tot 25% van de nageheven belasting, wat dus zou moeten leiden tot een verzuimboete van € 5.294. Nu de aan eiser opgelegde verzuimboete van € 5.278 conform de Awr en het BBBB is vastgesteld en minder bedraagt dan de genoemde€ 5.294, is eiser niet benadeeld door de onjuiste motivering en ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitspraak op bezwaar te vernietigen wegens een motiveringsgebrek. Dit brengt mee dat de rechtbank op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht de uitspraak op bezwaar in stand laat.

Belastingrente

29. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente.

30. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

31. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

32. Zoals ter zitting besproken, is ter zake van dit beroep ten onrechte griffierecht geheven tegen het tarief voor rechtspersonen, zijnde € 360. Het door eiser verschuldigde griffierecht bedraagt € 49. De rechtbank zal de griffier opdragen hetgeen teveel is betaald aan eiser terug te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 ECLI:NL:HR:2010:BO1395.

2 Artikel 13bis van de Wet LB.