Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:6898

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-07-2022
Datum publicatie
14-07-2022
Zaaknummer
C/09/628466 / FA RK 22-2605
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

In deze zaak waren op het moment van indiening van het teruggeleidingsverzoek door beide ouders al procedures gestart in Italië.

De vader verzoekt de teruggeleiding van de kinderen naar Italië. Tussen partijen staat vast dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Italië is gelegen, dat zij gezamenlijk gezag hebben en dat de moeder geen toestemming van de vader had om de kinderen naar Nederland over te brengen. De moeder heeft geen beroep gedaan op een weigeringsgrond. Beide ouders hebben aangegeven dat zij de uitspraak van de Italiaanse rechter zullen afwachten en daaraan uitvoering zullen geven. De Italiaanse rechtbank heeft in 2022 onder meer beslist dat de kinderen op 20 juli 2022 naar Italië dienen terug te keren, dat de kinderen worden geplaatst bij de moeder in het huis in Italië, dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie moet betalen en dat er voor de vader een zorgregeling met de kinderen geldt. Voorts zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de Italiaanse kinderbescherming, zijn er onderzoeken bevolen en is voor de kinderen een bijzondere curator benoemd.

Onze rechtbank heeft de teruggeleiding van de kinderen naar Italië, uiterlijk op 25 juli 2022, gelast.

De moeder is, nu de onrechtmatigheid van de overbrenging van de kinderen door haar niet is betwist, veroordeeld om de door de vader gemaakte kosten als gevolg van de onrechtmatige overbrenging, voor zover door de vader gespecificeerd en onderbouwd en door de rechtbank redelijk geacht, een hem te betalen (€ 11.000,--). Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 22-2605

Zaaknummer: C/09/628466

Datum beschikking: 8 juli 2022

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 22 april 2022 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats 1] , Italië,

advocaat: mr. R. de Falco te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. L. Stam te ‘s-Hertogenbosch.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder -voor zover hier van belang-:

- het verzoekschrift;

- de brief van 9 mei 2022, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het verweerschrift;

- de brief van 16 juni 2022 met als bijlage de akte houdende overlegging producties, van de zijde van de vader;

- het F9-formulier van 16 juni 2022, met bijlage, van de zijde van de vader.

Op 11 mei 2022 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [medewerker RvdK 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H. Dragtsma. De behandeling ter zitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. De vader heeft daar om hem moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

Op 17 juni 2022 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer, voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader in aanwezigheid van [tolk] , tolk in de Italiaanse taal, en bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en [medewerker RvdK 2] namens de Raad.

Na de zitting is ingekomen:

  • -

    een e-mailbericht van 24 juni 2022, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    een e-mailbericht van 27 juni 2022, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht de terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen uiterlijk op een door de rechtbank te bepalen datum, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar [woonplaats 1] , Italië, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Italië, met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, begroot op € 12.020,17, dan wel op een door de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, en de moeder te veroordeling tot betaling aan de vader van de kosten van het geding.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna

– voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Italië (hierna: [voornaam minderjarige 1] ), en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Italië (hierna: [voornaam minderjarige 2] ).

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de beide kinderen uit.

- Op 6 december 2021 is de moeder met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] vanuit Italië naar Nederland vertrokken.

- De vader heeft de Italiaanse nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de kinderen hebben de Nederlandse en de Italiaanse nationaliteit.

- De vader heeft zich op 2 februari 2022 gewend tot de Italiaanse Centrale Autoriteit waarna contact is gezocht met de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer] .

- Op 14 februari 2022 heeft de vader bij de rechtbank te [plaats] , Italië, verzocht de terugkeer van de kinderen naar [woonplaats 1] te gelasten, met spoed en subsidiair, de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over de kinderen en de uitreis van de kinderen uit Italië te verbieden, het eenhoofdig gezag toe te kennen aan de vader, het hoofdverblijf van de kinderen te bepalen bij de vader en een door de moeder aan de vader te betalen kinderbijdrage te bepalen.

- Op 27 februari 2022 heef de moeder een verzoek ingediend bij de rechtbank te [plaats] , Italië, en verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening, toestemming te verlenen voor de tijdelijke overbrenging van de kinderen naar Nederland, de moeder te belasten van de exclusieve voogdij over de kinderen en het hoofdverblijf van de kinderen hoofdzakelijk bij haar te bepalen en voorts klinische, psychologische en psychodiagnostische onderzoeken te gelasten ten aanzien van de psychologische en lichamelijke toestand van de vader en zijn afhankelijkheid van drugs en alcohol vast te stellen en de feitelijke invloed van deze afhankelijkheid op zijn hoedanigheid van ouder te beoordelen.

In de bodemprocedure heeft de moeder verzocht - na uitkomst van de onderzoeken van de vader - om toestemming voor de definitieve overbrenging van de kinderen naar Nederland, de voogdij over de kinderen te bepalen welke het meest in het belang van de kinderen is, een bezoekregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen, alle kinderbeschermingsmaatregelen te treffen die nodig zijn om de psychische en fysieke gesteldheid van de kinderen te beschermen en vaststelling van een door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdrage.

- Bij vonnis in kort geding van [datum 1] 2022 heeft de [rechtbank] een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de vader en de kinderen iedere woensdag en zondag een dagdeel (tijdstip in onderling overleg overeen te komen) onder begeleiding van [naam] , dan wel de moeder of een (professionele) derde omgang met elkaar hebben en dat daarnaast de vader buiten deze twee dagen de overige dagen tussen 18.00 uur en 19.00 uur Skype contact met elkaar hebben.

- Op [datum 2] 2022 heeft de rechtbank te [plaats] , Italië, verkort weergegeven onder meer beslist dat de beide kinderen voor 20 juli 2022 naar [woonplaats 1] dienen terug te keren, dat de kinderen worden geplaatst bij de moeder in het huis in [woonplaats 1] , dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie moet betalen van € 1.500,-- per maand en dat een zorgregeling geldt waarbij de vader minimaal twee middagen per week de zorg heeft voor de kinderen. Voorts zijn de kinderen onder toezicht van de [Italiaanse] kinderbescherming gesteld, zijn onderzoeken bevolen en is voor de kinderen een bijzondere curator benoemd.

Beoordeling

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Italië hadden. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden. Nu verder niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland en dat de overbrenging van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Italiaans recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de beide kinderen naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

De moeder heeft geen beroep gedaan op een weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid van het Verdrag. Het door de moeder gevoerde verweer dat zij in Nederland de uitspraak van de rechtbank [plaats] wenst af te wachten om eventuele onnodige verplaatsingen van de kinderen te voorkomen betreft geen (weigerings)grond waardoor op grond van het verdrag niet tot onmiddellijke terugkeer dient te worden over gegaan.

Nu er geen sprake is van enige weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de beide kinderen te volgen.

De rechtbank zal de terugkeer van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gelasten op uiterlijk 25 juli 2022, zijnde de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend. De rechtbank merkt daarbij op dat beide partijen ter zitting hebben aangegeven zich aan de uitspraak van de rechtbank te [plaats] , Italië, te zullen houden en de moeder dit nogmaals heeft bevestigd in haar e-mailbericht van 27 juni 2022. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de moeder voor 20 juli 2022 terugkeert naar [woonplaats 1] , zoals in de uitspraak van [datum 2] 2022 door de rechtbank [plaats] is bevolen.

Kosten

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.

De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 12.020,17 in de kosten die door hem zijn gemaakt in verband met de ontvoering en teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Hij heeft het door hem gestelde bedrag gespecificeerd onder punt 36. van zijn verzoekschrift. Ter zitting heeft de vader gesteld dat de specificatie van de kosten als vermeld onder punt 36. slechts een fractie bedraagt van de kosten die hij tot nu toe heeft gemaakt in verband met de ontvoering van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , nu immers het verzoek door hem is ingediend op 25 april 2022 en de situatie dat de kinderen in Nederland verblijven nog steeds voortduurt, terwijl hij hun tweemaal per week in Nederland bezoekt. Wanneer de man in Nederland is om de kinderen te bezoeken kan hij zijn bedrijf niet uitoefenen, zodat er ook sprake is van winstderving. Daarnaast heeft de man gesteld dat de moeder in Italië kon beschikken over woonruimte en dat er voor haar geen enkele noodzaak was om gedurende de in Italië lopende gerechtelijke procedures naar Nederland te vertrekken, in plaats van de uitkomst daarvan in Italië af te wachten. Naar de mening van de vader is in casu sprake van een door de moeder gepleegde onrechtmatige daad, zodat, nu de moeder de ontvoering van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ontvoering wordt aangerekend, daarnaast, als in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld dient te worden in de kosten die de vader ten gevolge van het onrechtmatige handelen heeft moeten maken.

De vader specificeert de door hem gemaakte kosten als volgt:

  1. vanaf 6 december 2021 tot 23 april 2022 gemaakte reiskosten, begroot op € 706,95;

  2. vanaf 6 december 2021 tot 23 april 2022 gemaakte verblijfskosten ad € 6.483,94;

  3. vanaf 6 december 2021 tot 23 april 2022 gemaakte kosten voor huur van een auto ad € 2.554,48;

  4. kosten voor vertaling van documenten naar de Engelse taal: € 820,80;

  5. kosten voor vertaling van documenten naar de Nederlandse taal: € 121,--;

  6. kosten voor vliegtickets voor het bijwonen van de zittingen, geschat op € 353,--;

  7. kosten van twee hotelovernachtingen om de zittingen te kunnen bijwonen, geschat op € 209,--;

  8. kosten van retourvliegtickets voor hemzelf voor het ophalen van de kinderen, geschat op € 353,--;

  9. kosten van twee hotelovernachtingen voor het ophalen van de kinderen, geschat op € 209,--;

  10. kosten van twee enkel vliegtickets voor de kinderen, geschat op € 209,--.

Daarnaast verzoekt de vader veroordeling van de moeder tot betaling van de door hem gemaakte kosten van het geding aan hem.

De moeder voert verweer en verzoekt primair afwijzing van het verzoek van de vader, subsidiair ten aanzien van de kosten van het geding het liquidatietarief te hanteren. Zij erkent de door de vader gemaakte kosten, doch stelt onvoldoende vermogend te zijn en niet in staat te zijn om de door de vader gemaakte kosten te vergoeden.

De onrechtmatigheid van de overbrengen van de kinderen is door de moeder niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de vader de door hem gemaakte kosten als gevolg van deze onrechtmatige overbrenging afdoende heeft gespecificeerd en met stukken heeft onderbouwd. De kostenposten noch de hoogte ervan zijn door de moeder betwist en komen de rechtbank evenmin onredelijk voor. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek van de vader voor een bedrag van € 11.000,- toe te wijzen, nu de vader de kosten voor de daadwerkelijke teruggeleiding van de kinderen als genoemd onder h., i. en j. naar alle waarschijnlijkheid niet zal maken omdat de moeder heeft toegezegd vrijwillig naar [woonplaats 1] te zullen terugkeren met de kinderen. Een aantal schadeposten betreffen geschatte bedragen hierin ziet de rechtbank aanleiding om het toe te kennen schadebedrag (naar beneden) af te ronden.

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de proceskosten wordt derhalve afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Italië, en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Italië,

naar Italië, uiterlijk op 25 juli 2022, waarbij de moeder de beide minderjarigen dient terug te brengen naar [woonplaats 1] , Italië, en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar [woonplaats 1] , Italië, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 25 juli 2022, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats 1] , Italië;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van een bedrag van € 11.000,-- in de kosten die door hem zijn gemaakt in verband met de ontvoering en teruggeleiding van voornoemde minderjarigen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, L. Koper en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2022.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.